Tag Archives: Zelfbeeld

Ontmoetingskapel Maarn, 4 maart 2018

Preek naar aanleiding van Jesaja 63:7-14 uit de Naardense Bijbel en Marcus 6:45-52 uit Een tijding van vreugde. Het evangelie verhaald door Markus van dr. Marie H. van der Zeyde voor de viering op de derde zondag van de veertigdagentijd op 4 maart 2018 om 10.00 uur in de Ontmoetingskapel te Maarn

Gemeente,

In de liedbundel Als daar muziek voor is is het gelijknamige gedicht van M. Vasalis, dat door Tom Löwenthal op muziek is gezet, opgenomen. Het gedicht gaat als volgt:

Als daar muziek voor is, wil ik het horen:  

ik wil muziek voor oude mensen, die nog krachtig zijn

en omgeploegd met lange, diepe voren en ongelovig.

Die de wellust en de pijn nog kennen.

Die bezaten en verloren.

En als er wijsheid is, die geen vermoeidheid is,

en helderheid, die geen versterving is,

wil ik die zien, wil ik die horen.

En anders wil ik zot en troebel zijn.

Het gedicht kun je lezen als een protest tegen dementie bij ouderen. Dementie wordt gekenmerkt door een vermindering van cognitieve, intellectuele en emotionele vermogens. Met dit gedicht wil ik het verschil illustreren tussen de bijbelse taal, die zich veelal bedient van metaforische beschrijvingen en hedendaags, professioneel jargon dat bijvoorbeeld vanuit de neuropsychologie veel meer gemodelleerd over een fenomeen spreekt. Een voorbeeld van metaforisch taalgebruik uit Marcus zes vers vijfenveertig tot tweeënvijftig is de uitdrukking ‘de verharding van het hart’. Wat betekent die bijbelse zegswijze?

Als wij anno nu het onvermogen om een persoon te herkennen willen verwoorden, dan drukken we ons bijvoorbeeld uit in termen van ‘een gebrek aan empathische perceptie’. Aan de hand van diverse benaderingen kunnen we door te refereren aan eigenschappen en functies van bijvoorbeeld de hersenen en omgevingsfactoren vervolgens proberen te verklaren waarom een persoon dementeert of niet langer in staat is een persoon te herkennen. Iemand die lineair denkt en gelooft in progressie kan erop wijzen dat ontwikkelingen in de wereld van de geneeskunde en psychologie nog op zich lieten wachten ten tijde van het schrijven van de tekst uit Marcus. Een ander zou het kunnen opnemen voor de beeldtaal die karakteristiek is voor de perikoop. Ik denk dat we beide begrippenapparaten nodig hebben om uit te leggen hoe een fenomeen functioneert en kan worden verstaan.

Een bekend voorbeeld is dat neurocognitivisten naaste familie en vrienden van een dementerende weinig verheldering bieden, wanneer zij verwijzen naar neurale activiteit waarin een patroon zichtbaar is. Hoewel deskundigen met behulp van empirische data op een beschrijvend niveau meetbare uitspraken doen en gedeeltelijk een verklaring kunnen bieden waarom een persoon dementeert, ontbeert zo’n verklaring belevingsuitleg, juist omdat de verklaring enkel biologische processen beschrijft. De verklaring creëert geen begrip voor de psychologische conditie van een geliefde. De taal van de bijbel erkent beeldspraak als een bron van informatie en interpretatie, waarin figuurlijke betekenissen vaak visualisaties en emoties met zich meebrengen, die tegemoet komen aan het belevingsniveau van de naasten.

We richten ons nu op de tekst uit Jesaja en houden daarbij het verband met dementie in gedachten. Jesaja is de naam van een profeet uit de achtste eeuw, waarachter een auteursgroep schuilgaat die reflecteert op het zelfbeeld van een groep mensen voor wie het niet langer vanzelfsprekend is een eigen collectief verhaal te vertellen. Deze groep had aanslagen van buren overleeft, gezien hoe bevolkingsgroepen waren gedeporteerd en, terwijl het op de vlucht was, grenzen verlegd. Voor deze ervaringen wisten deze mensen wie zij waren.

Ze hadden een duidelijk profiel, een gezamenlijke identiteit waaraan je ze kon herkennen. In een periode van ballingschap vroegen ze zich af wie ze waren, waar ze vandaan kamen en of ze nog van gedeelde visies en vormen uit konden gaan. Jaren gingen voorbij en herinneringen aan gebeurtenissen van voor het ‘buitenlandverblijf’ gingen verloren of liever, ze lagen nog ergens opgeslagen, maar werden niet meer aangesproken. De autobiografie van velen verbrokkelde, zonder dat zij die verbrokkeling zelf in een betekenisvol perspectief konden plaatsen.

Documentatiemateriaal waardoor men zich kon oriënteren was niet voorhanden. De mensen die het betrof wisten niet meer waar voor hun zelfbesef op te steunen. De loop van hun geschiedenis was voor hen een groot raadsel geworden. Zij raakten gedesoriënteerd, verdwaalden, verloren hun notie van tijd, konden gezichten van dierbaren steeds moeilijker ophalen, de leercapaciteit holde achteruit, het laatste oordeel kwam vaak te vroeg, besluiten werden niet genomen, initiatieven niet ontwikkelt en in het ergste geval gedroeg een volwassene zich weer als een kind. Men keek naar zichzelf in een spiegel, maar zag niet. Er werd geluisterd, maar niet gehoord en men liep als op een afdeling onrustig rond, zonder iets van de eigen context te begrijpen.

De situatie waarin mensen voor hun zelfbeeld niet meer kunnen teruggrijpen op het verleden en van hun gedragingen en levensgebeurtenissen geen geschiedenis meer kunnen fabriceren, zouden we als een staat van verblinding en onbegrip kunnen duiden. De blik is verduisterd, de ruit beslagen, troebele ogen verrieden dat mensen niet meer helder over zichzelf en de wereld konden denken. Een gelovige zou zeggen dat God haar of hem in de steek had gelaten, die was in geen velden of wegen te bekennen. Als grote gemene deler was God nog ergens vaag, in de verte te ontwaren, een hersenschim. Hij liet zich in de eerste jaren nog kennen als een vorm van afwezigheid, daarna vloeide ook het laatste restje godsbegrip weg.

Enkele auteurs hadden in zo’n situatie aanleiding gezien nieuwe teksten te schrijven, die tegemoet kwamen aan de behoefte van een gedeeld en coherent levensverhaal. Diverse dichters schreven vanuit de verwachting dat hun lezerspubliek steeds meer grip zou krijgen op de wereld, doordat zij hen handvatten aanreikten. In die teksten, waarvan wij in Jesaja drieënzestig vers zeven tot veertien een fragment lezen, cultiveert een schrijversclub de visie dat het uit elkaar vallen van de eigen geschiedenis deel uitmaakt van een grotere beweging. Zij proberen de onthutsende gebeurtenissen, die bij velen hebben geleid tot een staat van hulpeloze verbijstering, te integreren in een geheel. De schrijvers zijn dus eerder profeten dan historici, doordat zij niet zozeer een geschiedenis beschrijven, maar, terugblikkend op gebeurtenissen, tot een hele specifieke reflectie komen op wat er is voorgevallen. Zij kijken terug om een eenheid te smeden in een veelheid aan gebeurtenissen die elkaar in rap tempo opvolgden. De rode draad of lijn die zij schetsen biedt continuïteit waaraan een groep ‘dementerenden’ houvast ontleend. De auteurs bieden een structuur aan waar mensen die in verstrooiing leven eventueel mee uit de voeten kunnen. Zij proberen al schrijvend allerlei strategieën uit: ze brengen bijeen, genezen waar nodig, laten zich teder dan weer vermanend uit, bieden troost en stemmen mild in de hoop op enige wijze door te dringen in het historisch bewustzijn van individuen met het oog op het scheppen van een open toekomst. En het is een groot drama wanneer het begripsvermogen van de lezer(es) zo nihil is, deze hersenfunctie zozeer is aangetast, dat die structuur zelf niet wordt begrepen en aanvaard.

Vragen zoals ‘Waar ben ik?’ en ‘Wie ben ik?’ komen we opvallend vaak in de evangeliën tegen. De evangeliën willen, in onderscheid van de groep ‘Jesaja’, aan de lezer(es) zelf een antwoord ontlokken: wie ben je volgens jezelf?

De identiteitsvraag wordt opvallend vaak gesteld door mensen die hun ouders of verzorgers niet kennen, vaste grond tijdens de opvoeding misten, niet geworteld zijn in een groter verhaal of in de loop van hun leven ontheemd zijn geraakt. In het verhaal in Marcus zes vers vijfenveertig tot tweeënvijftig dat zich afspeelt op het meer herkennen de opvarenden de figuur die op hen afkomt niet, terwijl hij voor hen ‘een oude bekende’ is. Gezichts- en stemherkenning ten spijt blijft hij voor hen een mysterieuze gast. Ook een etentje, een sociale gelegenheid, had er niet toe geleid dat de bemanningsleden tot inzicht waren gekomen.

Niet voor niets laat de evangelist het verhaal zich afspelen op plaatsen zoals het meer, de bergen en de woestijn, die een mengeling van dreiging en goddelijke presentie oproepen. Het kan lang onbeslist blijven hoe wij de ander die op ons toekomt beschouwen: als een naderend gevaar, een onheilspellend vooruitzicht of als een ‘heilige’ die ons met een eeuwigheidswoord weer herinnert aan een oorspronkelijke vrijheid die we nodig hebben om in ons element te zijn. Een helder inzicht dat duidelijkheid zou moeten scheppen over de verhouding tot de ander kan uitblijven. Het zien dat zou moeten leiden tot herkenning van wie de ander voor jou is, zet niet door, maar blijft in het ongewisse.

Op een vergelijkbare manier kun je als mens ergens naar kijken zonder het te zien, wellicht omdat je je aandacht op iets anders hebt gefocust, ‘met je gedachten elders bent’. De perikoop uit Marcus gaat over hoe het mogelijk is dat je iemand ziet staan en dat een reden dat de ander niet oplicht gelegen kan zijn in een gebrek aan welwillendheid. In geval van een gebrek aan vertrouwen of een laatste criterium dat je nodig hebt om een bepaalde visie te ontwikkelen, kan het helpen een onzekere factor voor iemand zo gunstig mogelijk te laten meetellen. We geven iemand dan ‘het voordeel van de twijfel’. De gelovige noemt die act vroom de bereidheid tot bekering. Wellicht is dat het laatste zetje dat ook Jezus nodig had van dat schip – zijn kansel – af te komen en de vraag: “Wie ben ik?” te beantwoorden. Want wie door een ander bewust wordt gezien en herkend, kan zich uitgenodigd voelen met de ander in gesprek te gaan en in de dialoog kan een persoon erachter komen wie zij of hij is.

Amen

De Hoeksteen Zwijndrecht en Het Kruispunt Voorschoten, 2 april 2017

Preek naar aanleiding van Jesaja 42:1-9 en Handelingen 10:34-38 uit de Willibrordvertaling voor de viering van zondag Judica op 2 april 2017 om 10.00 uur in de hervormde wijkgemeente De Hoeksteen te Zwijndrecht en voor de Vesper om 19.00 uur in Het Kruispunt van de protestantse gemeente te Voorschoten

Gemeente,

Het is wellicht het meest onvolprezen beroepsperspectief: dat van profeet. Een kenmerk van menig oudtestamentisch profeet is ‘onwil’. De aanstaande profeet kiest, als het aan hem of haar ligt, liever het ruime sop – denk aan Jona – of hult zich in zwijgen, dan af te reizen naar een uithoek van de wereld of op een kist op het marktplein te gaan staan om er zijn of haar overtuiging rond te bazuinen of er een boodschap te verkondigen. Het zijn vaak derden die ‘de profeet’ die functie toebedelen, een tijdgenoot die iets gezien heeft in die figuur, namelijk dat hij of zij een inzicht met zich meedraagt dat de profeet de mensheid niet mag onthouden.

Zoals een eenentwintigste-eeuwse West-Europeaan wellicht een sms’je of appje zou sturen na lange tijd niet van een vriendin of kennis gehoord te hebben en op die wijze de sociale dynamiek op peil houdt, zo zou een gelovige Jood uit de Oriënt in achthonderd voor Christus een profeet ertoe bewegen ‘het zwijgen Gods’ te verbreken door haar of zijn woord te spreken. De figuur van de profeet kreeg de ‘status’ toebedeeld van tussenpersoon, een schakel tussen ‘de goddelijke voorzienigheid’ en de levenskwaliteit van een samenleving.

Ook in geval van Jesaja is er een fundamenteel verschil, een discrepantie tussen zijn zelfbeeld en de manier waarop hij door zijn omgeving wordt waargenomen. De ‘rol’ die hij voor zichzelf ziet weggelegd, is een heel andere dan die van profeet: vandaar dat hij als een berg opziet tegen het betreden van het podium en tegen heug en meug gehoor geeft aan ‘zijn onvrijwillige roeping’. Dienstknecht? Uitverkorene? De geestelijke uithangen? Het recht roepen van de daken? Mij niet gezien!

Jesaja was de kleuter aan wie zijn moeder ‘geen kind had’. Hij gaf geen kick! Jesaja is de stille, ijverige jongen in de klas die na schooltijd naar huis fietst en er ‘braaf’ zijn huiswerk maakt. Hij is er om zo te zeggen ‘het type niet naar’ de kwajongen uit te hangen en rottigheid uit te halen met vriendjes uit de buurt. Jesaja is de jongen die vanwege zijn ernst, verantwoordelijkheid en ‘onpartijdigheid’ tot klassenvertegenwoordiger werd verkozen. Jesaja is de puber die pulkend aan de mond van een bierflesje tegen de muur aan geleund staat en moed moet verzamelen de dansvloer op te gaan. Eerlijk gezegd heeft hij het land aan feestjes.

Scheikunde, natuurkunde, biologie, godsdienst en drama zijn Jesaja’s meest geliefde vakken. In het weekend verzamelt hij z’n tent, slaapzak, butaanhouder, telescoop en fotocamera om in een niemandsland de natuur en de sterrenhemel te bestuderen. Hij maakt aantekeningen, schetsen, berekeningen, grafieken, doet experimenten en bootst in het klein na wat hij in het groot heeft gezien.

Jesaja is de zachtaardige jongen met veel vriendinnen die begrip kon opbrengen voor hun angsten en complexen en belangstelling toonde in hun wereld van hockey, mode, nagellak, popmuziek en romans. Jesaja is de student die geen pogingen zal doen in het middelpunt van de belangstelling te staan. Hij volgt trouw de colleges, kan zich goed concentreren, knoopt hier en daar een gesprek aan en gaat z’n eigen gang. Dat hij in zijn vrije tijd aan een boek werkte over het ontstaan van de wereld, God, de voltooiing van de dingen, de oorzaken van het kwaad in de wereld, een analyse van de vrije wil, het begrijpen van de betekenis van ‘het begrip’ zonde en de structuur van de menselijke geest, wist geen mens, behalve de uitgever.

Jesaja had er het liefst nog langer aan gewerkt, was niet helemaal tevreden over de opbouw van zijn verhandeling en had het geheel graag postuum gepubliceerd. De uitgever had erop gestaan: de dromen en de ideeën van Jesaja – liep hij niet permanent met zijn hoofd in de wolken? – daar had de mensheid recht op. Het was de hoogste tijd dat zijn jongste talent in de schrijversclub uit de kast kwam.

Jesaja was geen ooggetuige, maar een getuige die ‘heldere inzichten’ had waar een vastgelopen geloofsgemeenschap mee verder kon. Dat een aantal invloedrijke figuren uit die geloofsgemeenschap hem vervolgens naar voren hadden geschoven als ‘lichtende figuur die voor de troepen uitloopt’, hem als ‘boodschapper van heil’ de geschiedenis in hadden doen gaan, dat nam hij voor lief. Hij had er z’n schouders bij opgehaald: de hoofdthemata van zijn theologisch-filosofisch traktaat betroffen de dingen waar zijn hoofd vol van was.

Eeuwen na het verschijnen van Jesaja’s grondslagen van het joodse denken, zal er een boekje verschijnen onder de naam ‘Handelingen van de apostelen’. De getuigenissen staan er opgetekend van ‘nieuwe Zuiderlingen’ die hun joodse klassiekers kenden. De auteur die een medische opleiding had gevolgd, schreef het in zijn beste Grieks.

Dag aan dag stond de auteur aan het bed van vrouwen die een kind ter wereld brachten, liep hij als arts over de afdeling van ziekenhuizen, holde naar de intensive care, schreef medicijnen voor, bezocht verpleegtehuizen en vergaderde met collega’s en andere vakspecialisten over de ethische en levensbeschouwelijke aspecten van zijn vak. Kortom, hij was bekend met genezingsverhalen, barensnood, wist wat het betekende een mens van haar of zijn pijn te verlossen en wat voor gemoedsgolf aan vreugde dat teweeg bracht. Nog weer vele tijdvakken later zul je zien dat er jonge personen uit de charismatische beweging opstaan om aan hun persoonlijk getuigenis lucht te geven. Gevoelens van bevrijding, die moeten eruit!

De titel van het geschrift doet vermoeden dat we hier van doen hebben met een meervoud aan representanten uit ‘de vroege kerk’. Het zijn echter twee apostelen wiens getuigenissen met name worden belicht. Paulus die de draad van ‘de Jezusbeweging’ oppakt en Petrus. Deze Petrus zal na zijn ‘bekeringsverhaal’ een concilie bijwonen – op de voorzijde van de liturgie ziet u een afbeelding van een concilie. Consilium, dat is een Latijns woord voor een mondiale vergadering waar kerkleiders theologische en kerkelijke onderwerpen bespreken.

De rol die Petrus in dit concilie zal gaan spelen is die van een ‘geloofsgetuige’ die van mening is dat de bespreking van die thema’s weinig uit het leven gegrepen is. De stem van de leek, de ‘gewone gelovige’ die hij juist heel hoog acht, komt er nauwelijks aan bod. Om die onevenwichtigheid te compenseren zal hij er ‘op eigen naam’ een getuigenis in de vorm van fragmenten uit zijn autobiografie uitspreken waar de bisschoppen en andere kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders stil van worden. Met zijn persoonlijke ‘statements’ zal hij roet gooien in het eten van de kerkelijke agenda’s. En hij gaat nog een stap verder, want wat de kerkleiders in Jeruzalem zijn vergeten, is het geluid van ‘de atheïst’ in hun gefixeerde standpunten en binnenkerkelijke betogen te verdisconteren. Petrus doet die gewaagde stap niet op basis van ‘rationele gronden’, alhoewel hij wel inziet dat ‘de heiden’, de zogenaamde buitenstaander – een plaatsbekleder in deze algemene vergadering nodig heeft om coöperatieve relaties tussen mensen van verschillende levensoriëntaties in de polis aan te gaan. Petrus stemt zijn gedrag af op twee ‘intuïties’ die hij nauwelijks kan weerstaan.

De eerste is de vrees dat het hoogkerkelijke gezelschap een eenzijdige religieuze groepering wordt met een paar of, erger nog, één dominante leider. De tweede intuïtie is dat de ongelovige, de atheïst, de heiden of het seculum verhalen hebben in te brengen die een eigen, nieuwe lijn opzetten naast de boektradities van hellenisme en bijbel. Op ‘de heiden’ rust geest. Petrus’ ingreep staat ten dienste van het wekken van de interesse naar andere levensbeschouwingen en het vergroten van de onderlinge verdraagzaamheid.

Voor Petrus’ optreden is binnen de pauze ruimte ingelast. Hij zou aanvankelijk acht minuten spreektijd krijgen, het zullen er achtenvijftig worden. Na de lange zit veren ingedutte kerkelijk leiders op. Petrus is geen systematicus, hij spreekt niet van het papier, maar wat hem ter plekke en puttend uit zijn beroeps- en levenservaring ‘theologisch’ invalt. De echtheid van zijn relaas en de hybris die in de standpunten van het concilie doorschemert en die Petrus zo pastoraal aankaart, daar worden zijn luisteraars stil van. En ook hier het aloude liedje: de profeet, de apostel is geen vrouw van het woord. Nadat Petrus z’n zegje heeft gedaan, was hij met z’n verbanddoos in z’n koffer weer verder gereisd. Hij is en blijft ‘een apostel’, iemand die al rondtrekkend graag zijn handen uit de mouwen steekt.

Amen