Tag Archives: Verandering

Zondag 10 november 2019, Protestantse Kerk Castricum, zondag 17 november 2019, Gereformeerde kerk ‘De Ontmoeting’ Koog-Zaandijk, zondag 24 november 2019, Kerkelijk Centrum ‘Emmaüs’ Ede & woensdag 1 januari 2020, ‘Ontmoetingskerk’ Kamerik

Preek naar aanleiding van Genesis 2 en Marcus 10:35-40 uit de Naardense Bijbel voor de viering van Schrift en Tafel op zondag 10 november 2019 om 10.00 uur in de Dorpskerk te Castricum, uit de Groene Bijbel voor de viering op zondag 17 november 2019 om 10.00 uur in De Ontmoeting te Koog-Zaandijk, uit de Naardense Bijbel voor de viering op zondag 24 november 2019 om 10.30 uur in Kerkelijk Centrum Emmaüs te Ede en voor de viering op woensdag 1 januari 2020 om 10.30 uur in de Ontmoetingskerk te Kamerik

Zeer gewaardeerde gemeente,

Heeft u ooit nagedacht over de verhouding tussen kunst, een relatiebreuk en het begin van een ander leven dan u tot nu toe heeft geleid? Is het mogelijk dat een mens in een voortgaand creatief proces zichzelf ontwerpt, bijschaaft en uitvindt zonder een voorgeschiedenis? Heeft het enigma van aanvangen of oorsprongen bij u ooit gezorgd voor perplexiteit, angst of een queeste naar kennis? Hoe kunnen wij als erfgenamen van de fysica van Galilei en Newton, Descartes’ mathematisering van de fysische realiteit, de Darwiniaanse evolutietheorie en onderzoek op het gebied van genetica vandaag de dag het bijbelse scheppingsverhaal uit Genesis 2 lezen? Heeft het begrip ‘schepping’ in Genesis 2 betrekking op realiteit? Is er een andere duiding mogelijk dan het tweede scheppingsverhaal te lezen als een mythe en haar af te grenzen van een historisch en wetenschappelijk gezichtspunt?

In de wereld van de kunsten worden werken geproduceerd waarbij wordt uitgegaan van één gelijksoortige tijd. Ook kosmologisch, biologisch en antropologisch onderzoek wordt verricht binnen tijdspannes die terugverwijzen naar een begin. De bijbelschrijvers in het scheppingsverhaal getuigen van de manier waarop discontinuïteit in het bestaan van een mens haar of hem herinnert aan de eigen existentiële naaktheid en op welke wijze dat moment de potentie heeft het eigen zelf anders vorm te geven.

Genesis 2 bevat een universele visie op de menselijke conditie. Als wij ons ontdoen van eigenschappen die binnen een beschaving een functie hebben dan stuiten we op het fundament van ons mens-zijn met al zijn ambiguïteiten. Zodra mensen een functie neerleggen, ontstaat er een openheid, een creatieve ruimte waarin je de ander kunt ontvangen. De gedeelde naaktheid is een bron van vreugde, een liefdevolle omhelzing waarin je elkaar wel de hele dag wilt verenigen. Een mens, zo is het beeld dat de auteurs schetsen, staat of valt niet met een functie-inhoud die haar of zijn wezen vastlegt. Het vermogen een afstand in te bouwen ten opzichte van de functies die wij bekleden, kan nieuwe ervaringen creëren.

Adam bevindt zich in de weidsheid van Eden waar hij zijn botanische en zoölogische buitenwereld ordent. Dat hij als een voorloper van Linnaeus in staat is de externe wereld te plaatsen door te categoriseren en zo een encyclopedische kennis op te bouwen, verheft hem al enigszins in de adelstand. De planten en de dieren doorbreken hun routines niet tenzij de omgeving hen hiertoe dwingt. Adam distantieert zich van zijn directe leefomgeving door via een systeem van klassen en het taxeren van eigenschappen flora en fauna thuis te brengen. De verschillen ten opzichte van de levende wezens in zijn omgeving stellen hem vooral in staat aan te geven wat hij niet is. Adam komt niet op een positieve formule voor het vinden van een persoonsnaam.

Nu kan iemand die zichzelf serieus neemt geheel opgaan in haar of zijn rol. Geabsorbeerd door verwachtingen en taken die met een functie meekomen, kan een mens samenvallen met hetgeen zij of hij aan het doen is, zoals een kind kan opgaan in de eigen bezigheden. Alsof er geen reflectie en relativeringsvermogen meer zit tussen jou en je performance. Adam, daarentegen, heeft nog niet een sterk ontwikkeld zelfbesef. Zijn taalontwikkeling staat nog in de kinderschoenen en hij is nog geen relatie aangegaan met een soortgenoot. Die ander stelt hem in staat een van de meest fundamentele condities voor de taal te scheppen, namelijk een vertrouwensrelatie. Zolang Adam niet door een partner wordt aangesproken, komt hij niet uit zichzelf ‘naar buiten’. Zijn zelfwording komt niet uit de verf; daar heeft hij een ander bij nodig. Op basis van de roep van een ander trekt hij uit zijn binnenwereld weg en wordt hij een uiterlijk persoon. Er is een scheppingsdaad voor nodig om hem van zijn eenzelvigheid te verlossen.

Wij zijn gewend historische gebeurtenissen in kaart te brengen met behulp van een chronologie. In menig inleidend boek wordt materie voorzien van een tijdbalk die voor overzicht zorgt. Ook levensgebeurtenissen hangen we op aan een tijdlijn die ons denken over tijd als een serie lineaire handelingen heeft beïnvloedt. De wereld waarin Adam leeft is niet lineair gestructureerd en heeft dus ook niet een begin, een vertrekpunt vanwaaruit je kunt spreken en verwijzingen kunt maken. Als wij elkaar verhalen vertellen dan geschiedt dat veelal door gebeurtenissen in een bepaalde volgorde te plaatsen. In onze beleving volgen ze elkaar op. De oerstaat van Adam wordt eerder geconstitueerd door een cyclus, een kringloop, dan door een rechte lijn.

Wat nu de voorwaarde blijkt voor schepping is dat de auteurs een element misten. Ze maken dat duidelijk door Adam neer te zetten als de protagonist wiens wereld geen ritmische eenheid vormt. Het traject dat hij tot dusver heeft afgelegd is onaf. De wereld van de enkele mens is geen totaliteit. Voor de auteurs is het verhaal de vorm om te vertellen wat er toen, eens, ooit voorviel waardoor zij pas echt mens werden. Schepping gaat over het begin in een al bestaand mensenleven. Het duidt het moment aan waarop een mens eindelijk arriveert in het bestaan, doordat zij of hij een gebeurtenis heeft meegemaakt die het effect heeft van een eyeopener. Dan loop je al enige tijd op aarde rond, je gaat al een tijdje mee en toch kun je door een incident of ingreep van buiten pas zeggen: ik ben er, nu leef ik volkomen! Het bijbelse begin staat voor ingrijpende gebeurtenissen die jou vormen tot wie jij bent. Het zijn aanzetten, vaak hoogtepunten, die vragen om het vertellen van een verhaal.

Over een verandering in de levensloop die een gelovige ‘bekering’, ‘omkering’ of ‘doop’ noemt, kan een ander zich verbazen: “Wat is er met jou gebeurd?”, waarop je bij dat ene begin als een verhaal begint te vertellen. Over dat existentiële begin en niet een historische aanvang in de zin van een feitelijke gebeurtenis, handelt Genesis. Het is een begin dat niet toebehoort aan de hervertelde volgorde waarin gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. Tegelijkertijd initieert en grondvest het die loop der dingen. Begin en schepping zijn hier aan elkaar verwant, ze vormen synoniemen. Het denken over schepping is een genese: je vormt je een begrip van een nieuwe ordening.

In Genesis 2 krijgt een nieuwe vorm gestalte, doordat een mens iets fabriceert. De bijbelse betekenis van schepping wil zeggen: knutselen, fröbelen, formeren, van verschillende materialen een ding maken, uitvinden, construeren, arrangeren, demonteren en weer in elkaar zetten. Op andere plaatsen wordt er geschapen of moderner ‘ontworpen’ door het woord, het stellen van een vraag of didactisch onderricht als die tot gevolg hebben dat mensen daarmee uit hun gewone doen worden gehaald. Schepping doorbreekt routines en automatismen. Dat maakt dat schepping in een mensenleven vaak geen lolletje is. “‘Scheppen’, riep hij ‘gaat van Au! […]’” (Leo Vroman, H.U. Jessurun d’Oliveira). De geboorte van het zelf is ook in bijbels perspectief een drama, omdat soms alles van de wand wordt getrokken en je helemaal opnieuw moet beginnen, hoe je het begin ook vertelt of er verslag van doet. Het is een evenement om te vieren en tegelijkertijd een pijnlijk afscheidsproces, want aan het leven zoals je het tot dusver hebt geleefd en waaraan je gehecht was, komt een einde. Schepping lijkt op scheiden.

Als Marcus 10 vers 35 tot 40 een aanvulling kan zijn op Genesis 2, dan door het aspect van separatie te onderstrepen dat verbonden is aan de notie van het begin. Zoals de mens zich door classificatie onderscheidt van het dier, zo is er een onderscheid tussen de kunstena(a)r(es) en de kunst die zij of hij produceert. Wij mensen existeren op afstand van God als een werk waar hij afstand van heeft genomen. Er is verlies van nabijheid tussen eindige wezens en wat oneindig is. Er zijn wetten waar we ons aan houden, die ons wezen begrenzen. Kenmerkend voor God is grenzeloosheid. God stelt dat voor wat voorbij de grens ligt, het ontoegankelijke waar wij niet op eigen kracht naar binnen komen.

Ook een discipel hoeft niet te pretenderen zo gemakkelijk bij God te kunnen aanschuiven. De leerling staat niet op gelijke voet met de docent(e). Noem die distantie gevoel voor verhoudingen of een principe voor gezonde, professionele relaties. God is wat aan de mens een limiet stelt en zelf niet wordt beperkt door de inhoud van die limiet. Een mens kan proberen zelf haar of zijn tekorten te overwinnen in een poging alsmaar hoger te reiken, maar misschien is het wachten op een ingreep van buitenaf wel het startsein voor nieuwe ontwikkeling in een mensenleven. Dat is schepping in bijbelse zin ten voeten uit.

Amen

Zondag 28 oktober 2018, ‘Oude Kerk’ Heemstede

Preek naar aanleiding van Baruch 5:1-9 uit Buiten de vesting en Romeinen 8:18-25 uit de Willibrordvertaling voor de viering op zondag 28 oktober 2018 om 10.00 uur in de Oude Kerk van de protestantse gemeente te Heemstede

Gemeente,

Wie het vak logica volgt, wordt getraind haar of zijn perspectief op taal te verschuiven. Een logicastudent(e) kijkt niet zozeer naar de inhoud en betekenis van zinnen, zij of hij is veeleer geïnteresseerd in de vorm van een reeks woorden, die een samenstel vormen om uiteindelijk premissen, argumenten en redeneerschema’s op het spoor te komen en de geldigheid ervan te beoordelen. Het verband tussen deze inleiding en de tekst uit Baruch is dat de tekst uit dit deuterocanonieke boek het karakter heeft van de omlijsting van een schilderij. De lezer(es) wordt uitgenodigd even niet naar het doek te kijken, maar naar de omranding die het kunstwerk inkadert en dat een decoratieve functie heeft.

Baruch vijf vers een tot negen is een bloemlezing over de denkbeelden en gevoelswereld van de joden over de verwoesting van Jeruzalem en de ballingschap die erop volgde. De tekst leest als een gedicht en kan als speech op een feestdag in een religieuze ruimte worden voorgedragen. Het is een hooglied van troost en hoop met profetische allure. Na een periode van rouw port Baruch de gedeporteerde joden op om te kijken of zij, na zich enigszins te hebben aangepast aan een nieuwe situatie, klaar zijn voor een nieuw perspectief.

Baruch is een modestylist, iemand die een intrinsiek verband ziet tussen menselijk gedrag en kledingstijl. In zijn verbeelding gebruikt hij dan ook beelden uit de wereld van kleding en textiel, die als metaforen nieuwe betekenissen moeten scheppen in Israëls ervaringen en interpretaties. Dit Joodse volk gaat al geruime tijd gekleed in het zwarte gewaad van boete en gebed, en wat Baruch betreft is het de hoogste tijd het rouwkleed te verruilen voor een kostuum van stralende schoonheid en gerechtigheid. De dresscode die Baruch voorschrijft is wit en feestelijk.

Die gedeprimeerde joden vormden een groep en versterkten elkaar in hun treurstemming en lijden. Het bleek voor de individuele, goedgemutste jood moeilijk zich los te maken uit ‘een weeklachtcultuur’. Het is uitgerekend Baruch die als secretaris werkzaam was en op enige afstand van het joods collectief stond, die in staat zal zijn de in een escorte weggevoerde joden op te beuren en te bemoedigen. Hoe troost hij?

Door de aandacht van zijn lezer(es) te richten op verandering en een nieuw perspectief te schetsen. Of liever, door een oud geloof in een nieuw jasje te steken. De joden in den vreemde dienen hun blik te richten op het oosten, de band met Jeruzalem te onderhouden en mogen er vanuit gaan dat ze, thuisgebracht door ‘die grote gemene deler’, weer samenkomen en zich opnieuw organiseren in een bezielend verband. Baruch mikt op een groot weerzien.

Hij gaat voor zijn belofte van herstel te rade bij Jesaja, die hij via de priester Jeremia, zijn werkgever voor wie hij veel brieven schreef, had leren kennen. Baruch neemt uitdrukkingen van hem over om de joden toe te spreken en aan te sporen vreugdevol uit te kijken naar wat er volgens hem voor hen in het verschiet ligt. Tot het zover was, zouden de joden in de diaspora als toeristen tijdens ‘een vakantie’ hun rituelen blijven herhalen om de gedachtenis aan hun thuisland levend te houden. Als lezer(es) kun je zijn schrijfstrategie vergelijken met een ouder die al een tijdje op het schoolplein staat te wachten, totdat de bel gaat en het kind, dat die dag voor het eerst naar school ging, ophaalt. Zodra het kind de ouder tussen een menigte van ouders heeft ontdekt, rent het op de ouder, die inmiddels in gebukte en open houding het kind begroet, af en vliegt het in de armen. Een ander voorbeeld is het gevoel ontroostbaar te zijn na een relatie die op de klippen loopt en na verloop van tijd zien hoe door die situatie nu ook ruimte vrijkomt voor andere levensinvullingen.

Paulus en Baruch delen eenzelfde mensvisie namelijk, dat de mens geroepen is tot heerlijkheid, in wat voor hachelijke toestand zij of hij zich ook bevindt. Ook Paulus stelt een omgang met lijden voor door via overbrugging alvast vooruit te lopen op de toekomst. En er is meer dat hen bindt. Paulus bevindt zich in een soort spagaat nu hij de drang voelt te benadrukken dat hij zijn religieuze levenservaring moeilijk aan zijn omgeving kan aanpassen. Dat milieu, ons materiële universum, is ingebed in eindigheidsstructuren, en volgens Paulus is het rabbijnse onderwijs dat hem ter beschikking stond onvoldoende in staat de effecten van al wat van voorbijgaande aard is, op een zinvolle manier te plaatsen. De wet, primair opgevat als ritueel en ceremoniële aangelegenheden, was niet in staat de neergang en de dood, waar het menselijk leven en al wat er mee samenhangt in de kosmos op uitloopt, tegen te houden. Geen enkel theologisch systeem of religieuze constructie is bestand tegen de tand des tijds.

Paulus is op zoek naar een duurzaamheidsvisie. Hij zet een persoonlijke spiritualiteit, of liever, zijn levenservaring in die het euvel van de vergankelijkheid het hoofd moet bieden. Met zijn voorstel strooit hij zand in de raderen van de zandloper van de tijd. Hij gebruikt de metaforen van zwangerschap en bevalling om heel affectief en aanschouwelijk lijdenssituaties te illustreren. Woorden als “kreunen”, “barensweeën”, “zuchten”, “verlossing”, “zwakheid” en “verzuchtingen” roepen die lijdensbeelden en connotaties op. En als Baruch zet Paulus al zijn kaarten op de categorie van de hoop. Lijden ontstaat veelal door een gebrek of gemis. Uit dat tekort valt veelal ook een voorwerp van verlangen af te leiden, te benoemen en te projecteren in de toekomst. Naar de verwerkelijking van de inhoud van dat verlangen kan een mens reikhalzend uitzien.

Paulus hoopt dat die hoop aanstekelijk werkt en als een lopend vuurtje rondgaat. Sterker nog, mens en wereld dragen zelf het zaad van verlossing en vereeuwiging in zich, zo is zijn overtuiging. Wat zouden die termen ‘verlossing’ en ‘vereeuwiging’ voor een mens in de eenentwintigste eeuw kunnen betekenen? Voor iemand die erg assertief is, is een suggestie los, receptief in het leven te gaan staan, de eigen denkbeelden af te zwakken en belangen te laten varen om ruimte te scheppen voor de inbreng en initiatieven van de ander. Voor een mens die haar of zijn voorstellingsvermogen vooral voedt met externe stimuli of veel digitale overuren maakt, kan het inhouden zich te oefenen in dagdromen en mijmeringen, de fantasie in werking te stellen door minder te letten op wat er in de buitenwereld gebeurt.

Het ‘project’ van Paulus kan de vraag oproepen of het de gevolgen die meekomen met de eindigheidsstructuren van ruimte en tijd, waarin de mens zich bevindt, teniet gedaan zijn door metafysisch denken. Paulus wil iets absoluuts en relativeert vanuit die wens de feitelijke werkelijkheid.

Ten opzichte van Baruch vindt bij Paulus een omkering plaats. Als een rode draad loopt door het Oude Testament dat de Israëlieten moeite hebben met de onzichtbaarheid van God, en als oudtestamentische auteurs over God spreken, dan doen ze dat in concrete taal. Paulus situeert de manifestatie van God langs de weg van de hoop in ‘het onzichtbare’, dat wat je al wel met je geestesoog kunt waarnemen, maar wat nog niet praktisch is vormgegeven.

Transcendentie dat wil zeggen, ‘dat wat de eigen denkcategorieën en ervaring te buiten of te boven gaat’, kan niet voorkomen dat ik mijzelf zolang ik leef telkens in een fysische werkelijkheid beweeg. Naast Baruch die oproept terug te keren naar een wereld die achter de joden ligt en naast Paulus die inzet bij een leven voorbij de horizon kunnen wij, als wij ons willen verzoenen met de huidige leefwereld, lerend van Baruch en Paulus, proberen er ook voor te kiezen een eigen leven op te bouwen. En onderweg af en toe terugblikken, het verleden present stellen en kijken hoe een ieder zich daartoe verhoudt, en in verwachting van gewenste, mogelijke en haalbare gebeurtenissen. Dan houd ik mijn leven op peil en het lijden daarin binnen de perken.

Amen

Thaborkerk Vuren, 25 maart 2018

Preek naar aanleiding van Nehemia 9:6-15 en Johannes 10:1-10 uit de Nieuwe Bijbelvertaling voor de viering van Palmzondag op 25 maart 2018 om 10.00 uur in de Thaborkerk rond de Protestantse Gemeente te Vuren

Gemeente,

De praktijk van boete doen is zo goed als uit het religieuze leven verdwenen. Naar westerse juridische begrippen heeft boete veelal de connotatie van straf. Een mens legt zichzelf of een ander een boete op voor het niet nakomen van een aangegane verplichting of het overtreden van een regel met als doel gedrag te corrigeren.

De tekst uit Nehemia is een liturgische tekst en qua stijl weliswaar eerder juridisch dan historisch-narratief, maar het woord boete heeft in deze religieuze context niet de betekenis van ‘straf’. Een boeteliturgie is een gebed waarin een mens terugblikt op het eigen leven en op die wijze haar of zijn eigen religieuze autobiografie ‘opzegt’. Wat Nehemia doet, is bij zichzelf naar binnen kijken en nagaan waar zijn leven barstjes vertoont. De boete fungeert als een smeermiddel waarmee hij de breuken en scheurtjes in zijn bestaan beweent en ter aanvulling en genezing besmeert. U kunt deze religieuze praktijk vergelijken met een handeling als het stoppen van een kapotte sok of het oplappen van een versleten broek. Een boeteliturgie gaat vervolgens gepaard met viering en is verbonden aan riten.

Terwijl Nehemia achterwaarts zijn leven in ogenschouw neemt, ziet hij niet enkel breuklijnen. Voor hem lichten er ook momenten van vervulling en voldoening in op, die hij interpreteert als gebeurtenissen waarin onheil wordt afgeweerd, reddende engelen druk in de weer zijn zaken op orde te krijgen en die hij uiteindelijk onder de noemer ‘God’ schaart. Wie was Nehemia? En, in welke hoedanigheid schreef hij zijn boeteliturgie?

Nehemia was een Perzische landvoogd, een gouverneur-generaal die als representant van de koning het landsbestuur overnam wanneer de vorst in het buitenland verbleef. Hij proefde ook wijn en was schenker aan het hof. Hij stond op vertrouwde voet met de koning, die zoveel vertrouwen had in het organisatietalent van Nehemia, dat hij hem als aannemer aanstelde over een bouwproject. Onder toeziend oog van Nehemia zou de veiligheid in Jeruzalem worden hersteld met het herbouwen van een stadsmuur. Voordat Nehemia het hofleven betrad, woonde hij als Jood in Juda en de overgang tussen beide leef- en denkwerelden was niet gering. Een van de attributen die Nehemia in zijn reisbagage had meegenomen was de Thora; hij kon de verhalen dromen. Nehemia had de Thora onder zijn kussen gelegd. De Thora was zijn ‘mentor’, lifestylecoach, mascotte en ‘fetisj’, een transitieobject die het loslaten van zijn oude wereld vergemakkelijkte, en hem in de gelegenheid stelde in zijn eigen tempo te wennen aan zijn nieuwe omgeving. Zijn levensweg en de meevallers die hij daarin bespeurt, duidt hij dan ook met behulp van de religieuze schema’s die hem bekend zijn uit de Thora. Het verhaal over Abram die wegtrok uit Ur, een nieuwe naam krijgt en een leidersrol gaat vervullen, legt Nehemia over zijn verhuizing naar Perzië en de bestuursfunctie die hij er vervult heen.

Het was Nehemia tot op grote hoogte gelukt zijn weg te vinden in een omgeving met zijn eigen codes: de mores van het koninklijk huis. Zijn afkomst kon hij niet geheel vergeten, want toen hem berichten ter ore kwamen over de belabberde toestand waarin de Joden in Juda verkeerden, raakt zijn binnenste erdoor beroerd. De wijn die hij dagelijks proefde, smaakte hem niet meer en hij vervulde zijn taken aan het hof met tegenzin. De berichten uit Juda zouden de aanleiding vormen voor het schrijven van zijn boeteliturgie. Alle architectonische kennis die Nehemia binnenshuis en buitenshuis in het moderne Perzië heeft opgedaan, zal hij tijdens een terugkeer van een half jaar in zijn land van herkomst inzetten door het opstellen van een bouwplan en de uitvoering van een vestingwal.

Nehemia had om puur bouwtechnische redenen voor een schans naar Iraans model gekozen. Dat hij met de realisatie van het project de aanzet had gegeven voor vreedzame samenlevingsvormen van joden en moslims, had hij niet kunnen incalculeren. Aan de inhuldigingsceremonie die de ingebruikname van de stadsmuur, waar verkeer in- en uitging, markeerde, namen burgers, priesters en leidersfiguren deel. Gezamenlijk tekenden zij een overeenkomst waarin ze beloftes deden en verplichtingen aangingen over de toekomst van hun stad.

Het ‘lanceren’ van de stadsmuur als bouwkundige structuur die de stad Jeruzalem een nieuw aanzicht gaf en het leven in en rondom de stad in religieus opzicht zou veranderen, was geen vlekkeloos verlopen proces. Nehemia had tijdens gemeentevergaderingen veel aanvallen op zijn plan gepareerd, gepoogd bezwaren weg te nemen en weerstand omgebogen naar medestand. Na afloop besefte hij dat op momenten waarop het vuur hem het meest aan de schenen lag, hij niet langer een beroep kon doen op redenen en argumenten. Aan het afleggen van verantwoording zit een grens: elke onderneming die wortelt in ‘het toekomstige’ brengt risico’s met zich mee en voor het nemen van risico’s is geloof nodig. Nehemia had zijn bouwplan vergezeld laten gaan van randvoorwaarden en voorzien van een risicoanalyse, maar wist hoe voorlopig en breekbaar die stappen waren. Om de laatste twijfelaars van zijn plan te overtuigen, had hij daarom zijn religieuze visie op tafel gelegd.

Tijdens de onderneming had hij zich Mozes en Abram in herinnering gebracht. Hij begreep nu pas welke positie zij innamen en voelde zich nauwer met hen verbonden dan ooit. Jeruzalem zou de stad zijn die bij elke mens, welke levensbeschouwing zij of hij er ook op nahield, in trek zou zijn. Van heinde en verre zouden mensen er samenstromen. Jeruzalem zou de vijgenboom zijn voor de jood, de God voor de christen, moskee voor de moslim(a), schuilplaats voor vrijdenkers, opleidingsinstituut voor humanisten en atheïsten, en meditatiecentrum voor zenleraren en yogadocentes. Jeruzalem zou binnen een paar jaar symbool staan voor een sociale en ruimdenkende stad, die je in verband bracht met vreedzaamheid, pluriformiteit en tolerantie. De tegenstand die Nehemia had ervaren, zijn vurig pleidooi en de godsdienstige hervorming die zijn bouwproject teweeg zou brengen, had hij in zijn boeteliturgie verwerkt door het erkennen van zonden, het bekennen van de afhankelijkheid van politiek van religie, en door Abraham naar voren te schuiven als pionier van een godsdienstig reveil.

De waardering van religie ten opzichte van of ten dienste van politieke besluitvorming keert ook terug in de parabel uit het evangelie op naam van Johannes. De auteur wil een religieus inzicht illustreren door middel van een verhaal. Nehemia en Johannes beschouwen de religie of liever ‘God’ als ‘de herder’ van een volks- en geloofsgemeenschap. Zij hebben ervaren dat politiek en geestelijk leiders tekort schieten in de zorg voor burgers en gemeenteleden. Een politiek-religieus afgevaardigde kan een gebouw optrekken en met pastorale zalf wonden helpen helen. Er dient echter ook ‘van de andere kant’ een loopbrug te worden neergelaten om in noden te voorzien, recht te brengen en menselijk leven in bloei te zetten.

Een parabel is een tekstvorm, een genre dat je niet at face value (zonder nader onderzoek) dient te nemen, en dus zijn vragen terecht als: wat is de achtergrond van de parabel? Welk verhaal gaat er schuil achter de tekst? De samensteller van het evangelie van Johannes heeft zijn wortels in het Palestijnse Jodendom van de eerste eeuw. Als er mensen zijn die in het optreden van Jezus van Nazareth trekken van messianisme lezen, dan leidt dat bij leden van de johanneïsche gemeente tot ontgoocheling. Dit zal hem toch niet zijn! Een dertiger die temidden van een Romeins rijk een godsrijk aankondigt en daarmee de heersende orde en stedelijke vrede ondermijnt. Dit is de nummer drieënveertig op de kieslijst die nu op de eerste plaats van de kieslijst belandt. Vele gemeenteleden verlaten de gemeenschap, starten hun eigen ‘zaak’ en sporen anderen aan hun voorbeeld te volgen. Zij verruilen de gevestigde religie voor een individuele, persoonlijke geloofsbeleving. Het is een manier van omgang met onvrede over een situatie. Een alternatief is niet weggaan, blijven, desillusie uithouden, verwachtingen bijstellen en verandering van binnenuit bewerken.

Amen

De Ark Amsterdam, 23 april 2017

Preek naar aanleiding van Jesaja 51:1-6 en Matteüs 16:21-27 uit de Naardense Bijbel voor de viering van de tweede zondag van Pasen op zondag 23 april 2017 om 10.00 uur in De Ark van de Protestantse gemeente te Amsterdam

Gemeente,

Sion is de hipster van Israël en Jesaja is met Sion in gesprek. De hipster is volgens Jesaja oké, maar loopt het gevaar van een algeheel en langdurig relativisme. Jesaja treedt op als Sions correctief.

Het is markt in Amsterdam-West. Op de Local Goods Weekend Market stallen mondiale Nederlanders in alle vroegte hun kraampjes uit. Er lopen mensen rond die je ook kunt treffen bij biologische markten zoals in Park Frankendael in stadsdeel Oost. Het zijn linksgeoriënteerde idealisten, jonge mensen van tussen de twintig en vijfenveertig jaar die in ieder geval één gemene deler hebben: een duurzame levensstijl. Vrouwen naaien hun eigen kleding van soms gerecyclede stoffen. Mannen hebben verzorgde baarden, puntbaardjes, knotjes in het haar en dragen een muts, pofbroek en sandalen. Veel van de producten die te koop worden aangeboden komen uit eigen moestuin of zijn eigenhandig verbouwd, geoogst, gebrouwen, gebakken of geperst.

Het is de nadruk op het ‘zelf’ dat bijdraagt aan een alternatieve sfeer van authenticiteit en menswaardigheid. De maker heeft op eigen initiatief iets in het leven geroepen, is van A tot Z bij het totstandkomingsproces betrokken en biedt haar of zijn product zo belangeloos mogelijk aan. Aardbeien, vegetarische hapjes, biologische wijn worden aangeboden in voorwerpen die van natuurlijke materialen zijn gemaakt. Veel hout, draad en linnen, liever geen kunststof, laat staan plastic. Mannen zitten achter mobiele naaimachines en verstellen oude jeans of lappen schoudertassen op. De kinderen die hier rondlopen zijn zo vrij als vogels. Ze zingen, rennen op blote voeten rond of werken aan creatieve opdrachten.

Ook hipsters bezoeken de markt in Amsterdam-West. Hipsters zijn tieners tot dertigers die deel uitmaken van een internationale subcultuur, zogenaamde ‘Millenials’ die leven in stedelijke gebieden. Het zijn bohemiens uit de middenklasse die in de betere buurten socializen. Ze zijn hoogopgeleid, goed thuis in de wereld van wiskunde, natuurwetenschap, vrije of grafische kunst, eten graag fruit, kunnen goed koken, houden van filosofie, obscure bandjes en lezen veel boeken en gedichten. De cultuur van de hipster is er één van verandering, een trans-Atlantische smeltkroes van stijlen, smaken en gedrag. Onafhankelijke muziek, dat wil zeggen zelf geproduceerd en gepubliceerd, een gevarieerde modegevoeligheid met een voorkeur voor vintage, dat is tweedehands kleding, progressieve politieke opvattingen en organisch voedsel kenmerkt de hipster.

Ze dragen skinny jeans en een T-shirt of cowboy blouse, een oversizede bril, hoofdbanden, nagellak, piercings en een koerierstas voor de IPhone. De kledingstijl van de hipster is een combinatie van diverse invloeden. In de levensstijl van de hipster is soberheid verweven, een terugkeer van elementen uit het verleden die zij of hij kan waarderen en een selectieve keur van nieuwe technologische gadgets. De hipster heeft weet van ‘tegenstellingen’ en kan die als zodanig accepteren. Zij of hij is niet opgegroeid en gelooft niet in een eenduidig mens- en wereldbeeld, maakt wat oud is weer nieuw, heeft een afkeer van blind consumentisme en maakt autonome keuzes.

Sion is de hipster van Israël. Ze heeft al heel wat levensbeschouwingen, programma’s en partijen zien komen en gaan. Zodra een publieke figuur moord en brand begint te schreeuwen, haalt ze haar schouders op. De lancering van ‘nieuwe ideeën’ bekijkt ze met argusogen. Ze ziet veel herhaling, oude wijn in nieuwe zakken en houdt noch van volgen noch van leiden. Jesaja, een profetisch taalkundige uit Sions vriendenkring, had haar tijdens een neerslachtige, prozaïsche bui bedolven onder een lawine van spirituele termen en imperativi. Hij sprak haar toe vanuit een wereld die zij al lang achter zich had gelaten.

Jesaja was veel rechtser in zijn manier van denken dan Sion: hij dacht contextueel, benadrukte het belang van familierelaties en opeenvolgende generaties, zag in het verleden een spoor van welzijn, geloofde in de ontwikkeling van de mens – een links trekje –, drukte zich poëtisch uit en nam grote termen in de mond als ‘gerechtigheid’ en ‘heil’.

Jesaja duidt vanuit zijn Joodse denken de levenshouding van Sion als onverschillig, onbepaald, gefragmentariseerd, een syncretistische melange, een wanhopige strategie om sympathiek te staan tegenover diverse levensovertuigingen. Sions attitude zou een leven representeren dat ‘in puin’ lag en Jesaja probeert uit alle macht van haar weer een vrouw uit één stuk te maken. Jesaja is een nostalgicus die een herstel van vervlogen betekenissen voorstaat.

De situatie echter waarop Sion met haar gelatenheid, terughoudendheid en geconstrueerde hipster-leefstijl op reageert is het verliezen van een geloof in het realiteitsgehalte van abstracte termen, grote, coherente verhalen en de nadruk op een uitgesproken voorkeur voor één traditie, tekst of religie. Zou Sion in de jaren tachtig van de twintigste eeuw hebben geleefd dan had je haar een postmodernist kunnen noemen. Sion dacht ruim, circulair, mild en had weinig op met lineaire constructies. Haar hipster-stijl vormde een modus waarin ze openstond voor verandering en uit was op menselijk begrip.

Het kiezen voor slechts één type gedachtegoed vond ze een soort almachtsfantasie, een poging om de werkelijkheid te beheersen, een product van totaliteitsdenken waarvan ze vaak had gezien hoe het kon domineren en zich tussen intersubjectieve relaties en samenlevingen wrong. Ze had ervoor gekozen dat centrale, harde denken af te zwakken en los te leven. Want wie haar ziel wil redden, zal haar verliezen en vice versa. Maar Sion wilde haar ziel verliezen vanwege de medemenselijkheid, en, zo merkte ze in de praktijk, vond die ook. Noem die keuze de manier waarop ze zichzelf prijsgeeft, haar offer, het geschenk van iets waardevols dat ze weggeeft in de hoop op een herschepping van bestaansstructuren.

De reactie van Petrus vertoont veel van ‘stelligheidsdenken’, ergens heilig van overtuigd zijn en doen voorkomen alsof dat het enige perspectief is van waaruit je naar een mens, kwestie of ding kunt kijken. Hij verzet zich tegen andermans visie en probeert een ander te verleiden, over te halen tot ‘zijn gelijk’. En dan is Petrus niet langer een rotsblok waar je een gemeente op kunt bouwen, maar een struikelblok. Die mens krijgt van de evangelist een reprimande. Petrus staat symbool voor de mens die niet begrijpt wat het betekent een offer te brengen om een persoonlijke onderneming te laten slagen.

Matteüs was een Joods christen die in zijn polemiek tegen exponenten van het Jodendom – de oudsten, hogepriesters en schriftgeleerden in de tekst – de christelijke identiteit steeds verder laat uitkristalliseren. Je zou zijn tekst kunnen lezen als de neerslag van een midlifecrisis waarin hij, Matteüs, een mens op middelbare leeftijd zich geconfronteerd weet met zingevingsvraagstukken. Hij beseft dat zijn leven voor een groot deel voorbij is en die gewaarwording leidt tot bezinning en zelfreflectie over de wijze waarop hij tot dusver zijn leven heeft ingericht. Gevoelens van verveling, afstomping en geroutineerdheid zijn hem niet vreemd. Hij start een zoektocht naar een niet nader bepaald levensdoel en voelt de drang ingrijpende wijzigingen aan te brengen op zijn religieuze levensgebied. Matteüs lost die existentiële onrust niet op met een sportwagen of een verjongingskuur en gaat ook niet op de versiertoer, maar hij lost die op door in grote mate afstand te nemen van het Joodse erfgoed en wil doorstoten naar een nieuw stadium. Daarvoor zet Matteüs veel op het spel. Zijn vertrouwde Joodse omgeving, zijn baan als tollenaar en vrienden onder wie de persoon Petrus.

Als religieuze gelovige kun je je afvragen: waar hangt de messias uit? Op welke plaatsen gebeurt ‘het nieuwe denken’? Dat ‘rijk’ waar menig evangelist over schrijft, wat is daarvan terechtgekomen en hoe krijgt het, indien al, vandaag de dag gestalte?

De ongeorganiseerde, internationale Occupybeweging die in 2011 protesteerde tegen economische en sociale ongelijkheid is te duiden als zo’n nieuwe denkwijze. Ook de hipster, de Sion van vandaag, vertegenwoordigt een levensstijl die buiten de gebaande paden loopt en oude manieren van denken opgeeft. Het is niet gemakkelijk als hipster alle ballen tegelijk de lucht in te houden. Je versterft aan het idee van één project.

Op het moment dat je een keuze maakt voor bijvoorbeeld één vorm van denken of leven, dan selecteer je uit een variëteit aan mogelijkheden, discrimineert en houdt een paar of één optie over waar je je dan aan kunt committeren. De hipster in de huidige derde generatie doet iets waarvan ik vermoed dat haar of zijn voorgangers er nauwelijks toe in staat waren. De hipster stelt zich permanent in op verandering en gaat telkens heel flexibel en diplomatiek om met een groot scala aan zienswijzen.

De hipster heeft met eenheidsdenken gebroken, neemt ‘het kruis’ van caleidoscopisch leven op zich en is op die manier zichzelf. Het is de remedie voor veel gewelddadige structuren die via generaties in geschiedenissen terug te lezen is. De schaduwzijde van de taak van een hipster is dat zij door menig hedendaagse Jesaja en Jezus wordt berispt en de vervulling van de opstanding die zij heeft geïnitieerd mogelijk niet gaat meemaken. Het hart van de hipster is een huis met veel woningen. Op die wijze gunt ze anderen leefruimte.

Amen