Tag Archives: Taal

Zondag 18 augustus 2019, ‘Dorpskerk’ Castricum & zondag 25 augustus 2019, ‘De Wingerd’ Krimpen aan den IJssel

Preek naar aanleiding van 2 Koningen 4:18-37 uit de Nieuwe Bijbelvertaling en Marcus 1:29-39 uit de Naardense Bijbel voor de viering op zondag 18 augustus 2019 om 10.00 uur in de Dorpskerk te Castricum en voor de viering op zondag 25 augustus 2019 om 10.00 uur in De Wingerd te Krimpen aan den IJssel

Gemeente,

In de jaren 2002 en 2003 schrijft de Nederlandse auteur Pieter Frans Thomése een autobiografische roman, waarin hij via essays een literaire omgang presenteert met de plotselinge dood van zijn kind. In negenenveertig korte chapiters zoekt hij naar een taal die in staat is zijn werkelijkheid die gestorven is te beschrijven. Tussen de regels door proef je als lezer(es) hoeveel moeite het de auteur kost om het dagelijks leven doorgang te verlenen, hoe zwaar de aanwezigheid van andere mensen hem valt en het onvermogen van hemzelf en anderen om op zijn situatie te reageren. Uit de roman blijkt dat Thomése gezocht heeft naar bronnen uit de oudheid en christelijke opstandingsverhalen, waarin denkers die weet hadden van een vergelijkbare situatie, de lacune van taal voor een dergelijke traumatische gebeurtenis konden vullen. Noch Griek, noch Romein, en ook geen evangelist of dichter formuleerde een toereikende taal waarin hij zijn ervaring kon herkennen.

Een probleem van de auteur ten opzichte van zijn voorgangers is dat zij via de taal in staat waren tot een constructie, een samenhangend en afgerond verhaal. Thomése beschikt niet over een vorm, laat staan een lijn van A naar B met een narratief plot en een moraal waarmee hij de dood van zijn kind kan plaatsen. Alsof de taal een net is van draden die je aan elkaar kunt knopen om de werkelijkheid een structuur te geven en in het spannen van die draden betekenis ontstaat. Thomése staat met lege handen, bevindt zich in de mazen van dat net, heeft geen sluitend woord en het is wellicht die ervaring waardoor hij aanvankelijk niet weet waar het schrijven te beginnen, op welke wijze het leven zelf aan te vangen.

In de medische wereld was men klinisch en zakelijk met de dood van zijn dochtertje omgegaan. Ze was een ‘sterfgeval en Thomése lijkt een persoonlijke benadering van deze levensgebeurtenis voor te staan.

Het boek Schaduwkind is poëtisch geschreven, en poëzie leent zich voor een ‘duidelijke’ expressie van ‘het ongerijmde’. Wie als mens een gebeurtenis overkomt die niet in de taal te verwoorden is, en daarmee onmogelijk in het eigen wereldbeeld past, toch wil uitdrukken, kan zich richten tot de poëzie, die via beelden stem kan geven aan onduidelijke gevoelens. Maar de poëzie als esthetisch medium doet nog iets meer. Zoals je een alledaags voorwerp uit een reguliere context kunt halen, het afzondert door het op een sokkel te zetten en in een museum te plaatsen, waardoor het singulier wordt, zo evoceert de poëzie een vervreemdend effect ten opzichte van gewoontevorming. Dat effect voorkomt dat je als een voyeur naar de pijn in het bestaan van de ander kunt kijken. Poëzie vormt een handrem tegen sentiment, dat eigenlijk wreed is, en haalt de lezer(es), die nota bene over het lijden van een ander leest, uit haar of zijn gewone doen, schept een ervaring die Thomése in het groot meemaakte en roept op tot meeleven in de praktijk.

Thomése’s strategie geeft te denken over de reikwijdte van de taal en het gebrek aan vormen om de dood van een kind gestalte te geven en te verwerken. Is de religie niet een type sfeer dat bij uitstek ruimte laat voor gebeurtenissen die van ‘het abrupte’ en ‘het absurde’ getuigen? Hoe kan de religie een bijdrage leveren aan het toegankelijk maken van dit type levenservaringen?

De tekst uit 2 Koningen vier vers achttien tot zevenendertig behandelt die twee vragen. De tekst vormt met de passage die eraan vooraf gaat een trilogie. In de tekst richt de auteur de blikrichting van de lezer(es) van de internationale politiek, het decor van de wereld, naar de huiselijke sfeer. Je kunt de auteur vergelijken met een persoon die de fauteuil waarin een televisiekijker zit, die naar grote drama’s die zich ver van huis afspelen kijkt, omdraait en haar of hem in plaats daarvan naar het eigen gezinslid laat kijken, dat zich een paar meter van haar of hem bevindt.

In ons verhaal is dat een vrouw uit Sunem die ooit getrouwd was met een oude echtgenoot en kinderloos en welgesteld was. De auteur wil de lezer(es) laten meevoelen met de positie van een weduwe in het Oude Nabije Oosten en schakelt een profeet als diaconaal hulpverlener in om haar waardigheid te herstellen. Hij doet dat door te voorzien in de middelen om haar schulden te betalen en door de Sunammitische vrouw de regie over voor haar belangrijke levensgebieden terug te geven. Elisa is een schuldsaneerder en lifecoach ineen. Hij had er nog een schepje bovenop gedaan door te voorzien – vraag niet hoe – dat zij zou bevallen van een zoon.

Een profeet gehuld in een kamelenharen mantel leeft van weinig voedsel: zijn menu bestaat uit sprinkhanen en wilde honing. Met verbeeldingskracht was hij rijk gezegend en van die overvloed deelt hij graag met de Sunammitische vrouw. De profetie over de geboorte van een kind is Elisa’s manier om iets terug te doen voor de gastvrijheid die hij genoot al de tijd dat hij bij haar in huis vertoefde om de zaken daar weer een beetje op orde te krijgen. Het is deze zoon, haar enig kind, die sterft. Deze vrouw heeft haar leven weer op de rit door langs de weg van de religie weer een onafhankelijk persoon te worden en zelfstandig haar besluiten te nemen. Ze mocht zich verheugen in de opvoeding van een kind en ik stel me voor dat die twee, moeder en zoon, een bijzondere band met elkaar hadden. In het Nieuwe Testament, denk aan Maria en Jezus, zal Maria haar geesteskind uiteindelijk los moeten laten. Hier echter komt een vrouw aan het woord die op het aanbod van Elisa om haar diepste, misschien wel meest verborgen wens in vervulling te laten gaan niet antwoordt met een expliciete kinderwens.

Elisa wenste haar een zoon toe, die kreeg ze en nu sterft het kind. Elisa had een wensgedachte voor deze vrouw ingevuld, terwijl ze zelf mogelijk hele andere ideeën had over de nadere invulling van zijn aanbod. Als ze zo graag kinderen had gewild, dan was ze wel met een jongere man getrouwd. Wat de vrouw uit Sunem nu doet, is Elisa bepalen bij de verantwoordelijkheid voor zijn profetie. Het lijkt wel alsof ze Elisa met die profetie erop wil wijzen in te staan voor zijn uitspraak. Ze gaat hem confronteren met wat hij in en met de taal ten opzichte van haar doet. Met een profetie kun je niet vrolijk en vrijblijvend strooien. De auteur draait de rollen om. Het is nu de Sunammitische vrouw die de rondtrekkende profeet de implicaties van zijn belofte laat zien en hem ouderlijk gezag gaat geven. Ze is verontwaardigd, omdat ze helemaal niet zit te wachten op een aaneenschakeling van ‘dode zielen’ in haar huis. Elisa heeft deze jongen in haar leven geroepen, hij is de vader en mag er nu ook zorg voor dragen dat de jongen weer bij zinnen komt.

Van de zwakke vrouw die hij ooit aantrof, is nog nauwelijks iets te bespeuren. Resoluut komt ze in actie, laat zich door Gechazi, Elisa’s koerier niet afschepen, net zoals je via de telefoon door voet bij stuk te houden een secretaris passeert, omdat je een bestuurder wilt spreken. Elisa is de vrijheid gewend, komt en gaat wanneer hij wil, is niet aan huis en haard gebonden. Die vrijheid is hem zo lief, dat hij eerst Gechazi, z’n afgevaardigde wil sturen. Met een tussenpersoon kan de Sunammitische vrouw echter geen genoegen nemen. Het is alsof je 112 belt voor een levensbedreigend geval en je in de wacht wordt gezet. “Blijft u nog even aan de lijn, er zijn nog enkele wachtenden voor u.”

De jongen die stervende is, wil geen schijnvader, geen surrogaatouder in de vorm van een pop of robot die hem bezighoudt. Op de staf van Gechazi reageert hij dan ook niet. Weg met dat malle ding en die magische hocus pocus. Ik wil een echte vader, niet één in de hemel, maar één op aarde. Zo één van vlees en bloed die met beide benen op de grond staat. Een vader die aan de zijlijn staat als ik op zaterdagochtend in de druilende regen een voetbalcompetitie speel, een beleggingsrekening voor me opent en schoolformulieren kan invullen, me helpt met scheikunde en Spaans, iets begrijpt van die verwarrende tijd van het puberen, kaartjes voor een concert van Bob Dylan koopt, met wie ik vrouwen- en mannenzaken kan bespreken, me weggeeft aan het altaar. Een klassieke, degelijke, ongecompliceerde vader die niet wegloopt nadat hij me heeft verwekt.

En toen transformeerde Elisa van profeet in een huisman die later nog aan vaderdagen zou doen. De Sunammitische vrouw gaf hem, zwerver, een onderkomen. De medische wereld werd thuis in het klein nagebootst. Zou Elisa vandaag de dag leven, hij zou de jongen direct naar het ziekenhuis hebben gebracht. Wie buiten bewustzijn raakt, heeft in de eerste plaats een vader en een goede arts nodig en geen representant van de religie die fysiek falen religieus interpreteert.

Elisa reanimeerde hem, ademde zijn lucht in de mond van zijn zoon, identificeerde zich met hem, raakte hem aan, warmde het koude, asgrauw gekleurde lichaam van de jongen, nam hem in bescherming, ijsbeerde van de zorgen heen en weer, rende het hele huis door, begreep nu wat paniek om je kind betekent en maakte wat dood is weer levend. Als de Sunammitische vrouw voortaan uit haar werk komt, heeft Elisa gekookt en zit de jongen boven te leren, oefende buiten passes, gamede of produceerde zijn eigen muziek. Dan zaten zij gedrieën, spraken honderduit, rond dezelfde tafel, deelden hetzelfde brood, dezelfde aarde, terwijl Gechazi op z’n brommer nog wat pizza’s rondbracht.

Amen

Zondag 9 juni 2019, ‘Dorpskerk’ Castricum

Preek naar aanleiding van Ezechiël 11:17-20 en Handelingen 2:1-14 uit de Nieuwe Bijbelvertaling voor de viering op zondag 9 juni 2019 om 10.00 uur in de Dorpskerk van de Protestantse Gemeente Castricum

Zeer gewaardeerde gemeente,

In onze eerste tekstlezing is een auteur aan het woord die de eenheid van een afgebakende religieuze gemeenschap voorstaat. Met behulp van spraakklanken, schrifttekens, gebaren en symbolen waren de joden in staat elkaar te verstaan en een leefgemeenschap op te bouwen en te ontwikkelen. Het (in)voeren van een gemeenschappelijke taal zou je wel ‘het genie van de soort’ kunnen noemen. Het spreken van elkaars taal vormt dan het luik waardoor je de eigen behoeften kenbaar maakt en de noden van de ander aanhoort en ‘vertaalt’.

Als een mens zichzelf via een collectieve taal verstaanbaar maakt en niet in aanraking komt met andere talen, dan kan die gesproken taal een vanzelfsprekend karakter krijgen en een mens er in het uiterste geval onvrij door worden. Haar of zijn blikveld en interpretatiekaders worden dan voornamelijk bepaald door die ene gemeenschappelijke taal.

De jood die in de diaspora leefde, had zich voor die volksverspreiding als een vis in het water van zijn taal gevoeld. Nu hij tussen andere volken woont en niet kan bogen op een gedeeld Semitisch idioom, waarin hij zijn gedachten en gevoelens kenbaar kan maken, staat hij voor de uitdaging vreemde talen te leren spreken en nieuwe relaties te vormen om zich op die wijze staande te houden in een onbekende omgeving. De jood had zich in beperkte mate aangepast aan zijn nieuwe habitat, omdat hij ervan uitging dat deze situatie van verstrooiing tijdelijk was. Dagelijks hield hij de herinnering aan en het droombeeld van de hereniging van het godsvolk levend. Gedachtenis en visioen hadden ervoor gezorgd dat de kennismakingen die hij ondernam onder een voorbehoud stonden, namelijk dat hij ieder moment kon worden weggeroepen naar zijn land van herkomst; de bakermat van zijn godsdienst, het leefgebied waar hij een historische en culturele band mee had. De jood die verspreid, buiten zijn geloofs- en taalgemeenschap leefde, kon zich op geen enkel moment overgeven aan de vreemde ander, ontmoette buur of collega niet echt, integreerde niet, bleef een migrant en ondertussen verkommerden zijn taal en cultuur.

Naarmate de jaren verstreken, had hij de hoop op het herstel van het joodse volk op een verzoendag opgegeven. Hij hield er rekening mee dat hij permanent in zijn nieuwe woonplaats zou verblijven. Van die gedachte, die de assimilatie en verdamping van zijn geloof en cultuur betekenden, kreeg hij het koud. De ‘godstaal’ waar de jood mee vertrouwd was, kenmerkt zich door een melodieuze, artistieke en langzame tred. ‘Godstaal’ neemt er de tijd voor te ontstaan, ontspringt aan wat er nog niet is, profeteert, is er niet op afroep, en beschrijft zo beeldend mogelijk. De talen waar de jood nu mee in aanraking komt, hebben een monotoon karakter en staan in het teken van doelmatigheid en efficiëntie. De jood kon met die talen geen genoegen nemen. Sterker nog, die talen pikt hij niet! Zijn religieuze leven was inmiddels uitgehold, zijn hart van steen en hij had zich tot Israëls woordvoerder gewend. Het is deze woordvoerder Ezechiël, ‘Gods spreekbuis’, die het versteende hart van de geïsoleerde, singuliere jood gaat ontdooien. En hoe!

Door alsnog een apotheose in het vooruitzicht te stellen, hoopt hij dat de over de wereld in verspreiding levende joden hun tijdelijke residentie tot het einde toe verdragen. Uit de loszandcultuur waarin ze nu leefden en de fragmentarisatie die ze aan den lijve ondervonden, zouden zij ooit weer verzameld worden tot een coherente gemeenschap. In die kleine, intieme maatschappij hoefde de jood niet dubbel te denken en zich te houden aan enerzijds de wetten van de staat en anderzijds de religieuze regels die hij in zijn ziel had geprent. In dit ‘paradijs’ zou zich een werkelijkheid ontvouwen waarin legitimiteit en sacraliteit samenvielen.

Op een dag werd er gebeld, dringend zo te horen. De jood rommelde aan op de zolder, stof parelde in het zonlicht dat door de houten balken kierde. Hij haastte zich naar de voordeur, kuchte en fatsoeneerde zijn uiterlijk voorkomen door de laatste spinrag en houtsnippers van zijn blouse te kloppen. Er stond een Argentijnse vrouw aan de deur, die hem in het Engels met een Spaans accent uitnodigde voor een feestje. Ze hield een stapel brieven in haar handen en keek nieuwsgierig de hal in. Op de uitnodigingen, zo zag hij vanuit een ooghoek, had ze bij de contactinformatie een foto van een veranda geplaatst. Ze kwam uit Córdoba, een stad in het geografische centrum van Argentinië en was van plan een wijnwinkel te starten.

Haar begintijd in Europa wilde ze inluiden met een housewarmingparty die ze als wijnproeverij had ingericht en die gepaard zou gaan met de muziek en dans waar ze zo goed in thuis was. Ze had voor de gelegenheid tangomusici en een ensemble ingehuurd. De wijnen en de tango betekenden voor haar meer dan zoals ze op het eerste gezicht verschijnen. Beide vormden voor haar een paradijs, een visioen, waarin tot uitdrukking kwam hoe het leven, elders, op aarde, ook kan zijn. Het vraagt wel van een mens dat zij of hij zich een beetje laat meenemen in dat spel van sensualiteit en symboliek.

Tijdens het drempelgesprek waarin de Argentijnse vrouw veel van haar lef, handelsinstinct, organisatietalent en gastronomische kunst aan de dag had gelegd, had het geloof in de verwerkelijking van haar toekomst de blikrichting van de jood veranderd. Tot de tijd waarop de gedesintegreerde joodse gemeenschap zou worden herenigd – een wensgedachte die Ezechiël hem had voorgespiegeld – was het aan iedere jood voor zich om vanuit een persoonlijke spiritualiteit een glimp van dat visioen te openbaren.

Het stadsdeel waar de jood en de Argentijnse vrouw sinds kort woonden, bestond uit een relatief jonge bevolking van nieuwelingen met een brede belangstelling voor cultuur en die, de een na de ander, hun eigen creatieve bedrijf begonnen. Op een ongedwongen manier en via incidentele betrokkenheid waren zij op zoek naar een duurzame gemeenschap en verworteling in de omgeving. Er hadden zich enkele tientallen ‘culturele creatievelingen’ voor het feest opgegeven en velen – zo bleek later – gaven aan al langer op zoek te zijn naar een forum of netwerk waar wijkbewoners elkaar konden leren kennen. Een ieder zag er op z’n paasbest uit en had naar traditioneel gebruik als blijk van waardering een geschenk voor de gastvrouw meegenomen.

Afgaande op de etnische achtergronden en beroepsprofessies van de feestgangers waren hier mensen uit alle geledingen van de samenleving vertegenwoordigd. Er stonden tafels gedekt met glas- en servieswerk, wijnen voorzien van extra etiketten met aanvullende achtergrondinformatie lagen uitgestald, en in hartige quiches prijkten vlaggetjes van alle landen. Na de openingsspeech zette het ensemble in, de tangodansers speelden met vuur en wekten bij de toeschouwer een ongekende begeerte op.

De ruimte vulde zich met gepraat en gelach, er hing iets in de lucht, niemand wist wat, maar wel dat het om een ontlading vroeg. Er werden die avond veel een-op-eengesprekken gevoerd, waarin mensen aandacht hadden voor de wijze waarop de gesprekspartner in de eigen taal haar of zijn individuele levenssituatie verwoordde en gezamenlijk aftastten waar mogelijkheden lagen en wat zij voor elkaar konden betekenen.

Deze mensen hadden veel met elkaar gemeen, vertelden elkaar geschiedenissen, levenservaringen en toekomstvisies. Op momenten waarop de feestgangers opgingen in hun verhaal, daar heilig in geloofden – ogenblikken voorbij berekendheid en verlegenheid, waarop mensen zich op hun gemak voelen en waarvoor veiligheid en sfeer basisvoorwaarden zijn – vielen zij terug op hun eerste taal. In hun moedertong konden zij zich het meest expressief en gedetailleerd uitdrukken. In het zich bedienen van die taal lag zoveel innerlijkheid en emotie, alsof de hele afgelegde weg van de emigrante plotsklaps present was en het haar helderder dan ooit voor ogen stond waar die reis en landsverhuizing haar om te doen was geweest. In het licht van de ontmoeting met de ander, die er vanuit een ongekend perspectief naar keek, kwam dat geheel in een nieuw zinsverband te staan. En als een gesprekspartner dan ademloos luisterde, haar begrijpend aankeek en haar vaart niet onderbrak, dan voelde zij zich aangemoedigd nieuwe verhalen aan te voeren.

Zo ook de jood die avond. Terwijl verderop een Fin en een Afrikaan moppen tapten en een Amerikaan, Deen en Nederlander een discussie voerden over het Nederlandse protestantisme, had hij gedanst met een Berberse vrouw. Zij zong in het Arabisch een lied over een vogel die zich overal thuis voelde. Het was een idyllisch vers dat zij tijdens haar buitenlandverblijf vaak als een mantra herhaaldelijk zong. Hij stond perplex, want hij kon haar naadloos volgen. Hij reciteerde een gedicht van een Hebreeuwse poëet, waarin die dode taal als bij toverslag heel geschikt leek voor alledaagse communicatie. Die hoefde zich niet langer te beperken tot korte groeten en praktische aanwijzingen. Zij sprak met hem zoals het haar inviel en hij schiep er behagen in.

Wat zich die avond in dat relatief nieuwe stadsdeel afspeelde, ging als een lopend vuurtje rond. Wijkbewoners die in eerste instantie hadden afgezegd, staken toch even hun hoofd om de hoek van de deur. De wijn bleek niet aan te slepen, de tangodansers waren onvermoeibaar en het ensemble speelde tot in de late uurtjes. Mensen die nog aarzelden, lieten hun hond uit en treuzelden bij het perk van de Argentijnse initiatiefneemster. Voor sommigen was deze heilige nacht aanleiding te vragen: wat heeft dit te betekenen? Waarop anderen antwoorden: het zit ‘em in de wijn.

Amen

Gereformeerde kerk Hardinxveld-Giessendam, 5 maart 2017

Preek naar aanleiding van 2 Koningen 4:18-37 uit de Willibrordvertaling en Marcus 1:29-39 uit Een tijding van vreugde. Het evangelie verhaald door Markus (vert. dr. Marie H. van der Zeyde) voor de viering op zondag 5 maart 2017 om 18.00 uur in de Gereformeerde kerk te Hardinxveld-Giessendam

Gemeente,

In de jaren 2002 en 2003 schrijft de Nederlandse auteur Pieter Frans Thomése een autobiografische roman waarin hij via essays een literaire omgang presenteert met de plotselinge dood van een kind. In 49 korte chapiters zoekt hij naar een taal die in staat is zijn ‘werkelijkheid’ die gestorven is te beschrijven. Tussen de regels door proef je als lezer(es) hoeveel moeite het de auteur kost het dagelijks leven doorgang te verlenen, hoe zwaar hem de aanwezigheid van andere mensen valt en het onvermogen van hemzelf en anderen op zijn situatie te reageren. Uit de roman blijkt dat Thomése gezocht heeft naar bronnen uit de oudheid en christelijke opstandingsverhalen waarin denkers die weet hadden van een vergelijkbare situatie de lacune van taal voor een dergelijke traumatische gebeurtenis konden vullen. Noch Griek, noch Romein, en ook geen evangelist of dichter formuleerde een toereikende taal waarin hij zijn ervaring kon herkennen.

Een probleem van de auteur ten opzichte van zijn voorgangers is dat zij via de taal in staat waren tot een constructie, een samenhangend en afgerond verhaal. Thomése beschikt niet over een vorm, laat staan een lijn van A naar B met een narratief plot en een moraal waarmee hij de dood van zijn kind kan plaatsen. Alsof de taal een net is van draden die je aan elkaar kunt knopen om de werkelijkheid een structuur te geven en in het spannen van draden betekenis ontstaat. Thomése staat met lege handen, bevindt zich in de mazen van dat net, heeft geen ‘sluitend woord’ en het is wellicht die ervaring waardoor hij aanvankelijk niet weet waar het schrijven te beginnen, op welke wijze het leven zelf aan te vangen.

In de medische wereld was men klinisch en zakelijk met de dood van zijn dochtertje omgegaan. Ze was een ‘sterfgeval’ en Thomése lijkt een persoonlijke benadering van deze levensgebeurtenis voor te staan.

Het boek Schaduwkind is poëtisch geschreven. En poëzie leent zich voor een ‘duidelijke’ expressie van ‘het ongerijmde’. Wie als mens een gebeurtenis overkomt die niet in de taal is uit te drukken en daarmee onmogelijk in het eigen wereldbeeld past en die toch tot uiting wil brengen, kan zich richten tot de poëzie die via beelden stem kan geven aan onduidelijke gevoelens. Maar de poëzie als esthetisch medium doet nog iets meer. Zoals je een alledaags voorwerp uit een reguliere context kunt halen, het afzondert door het op een sokkel te zetten en in een museum te plaatsen waardoor het singulier wordt, zo evoceert de poëzie een vervreemdend effect ten opzichte van gewoontevorming. Dat effect voorkomt dat je als een voyeur naar de pijn in het bestaan van de ander kunt kijken. Poëzie vormt een handrem tegen sentiment en haalt de lezer(es) – die nota bene over het lijden van een ander leest – uit haar of zijn gewone doen – schept een ervaring die Thomése in het groot meemaakte en roept op tot meeleven in de praktijk.

Thomése’s strategie geeft te denken over de reikwijdte van de taal en het gebrek aan vormen om de dood van een kind gestalte te geven en te verwerken. Is de religie niet een type sfeer dat bij uitstek ruimte laat voor gebeurtenissen die van ‘het abrupte’ en ‘het absurde’ getuigen? Hoe kan de religie een bijdrage leveren aan het toegankelijk maken van bepaalde levenservaringen? De tekst uit 2 Koningen vier vers achttien tot zevenendertig behandelt die twee vragen. De tekst vormt met de passage die eraan vooraf gaat een trilogie. In de tekst richt de auteur de blikrichting van de lezer(es) van de internationale politiek – het decor van de wereld – naar de huiselijke sfeer. Je kunt de auteur vergelijken met een persoon die de stoel waarin een televisiekijker zit die naar ‘grote drama’s die zich ver van huis afspelen kijkt, omdraait en haar of hem in plaats daarvan naar het eigen gezinslid laat kijken die zich een paar meter van haar of hem vandaan bevindt.

In ons verhaal is dat een vrouw uit Sunem die ooit getrouwd was met een oude echtgenoot en kinderloos en welgesteld was. De auteur wil de lezer(es) laten meevoelen met de positie van een weduwe in het Oude Nabije Oosten en schakelt een profeet als diaconaal hulpverlener in om haar waardigheid te herstellen. Hij doet dat door te voorzien in de middelen om haar schulden te betalen en door de Sunammitische vrouw de regie over voor haar belangrijke levensgebieden terug te geven. Elisa is een schuldsaneerder en lifecoach inéén. Hij had er nog een schepje bovenop gedaan door te voorzien – vraag niet hoe – dat zij zou bevallen van een zoon.

Een profeet gehuld in een kamelenharen mantel leeft van weinig voedsel: zijn menu bestaat uit sprinkhanen en wilde honing. Met verbeeldingskracht was hij rijk gezegend en van die overvloed deelt hij graag met de Sunammitische vrouw. De profetie over de geboorte van een kind is Elisa’s manier iets terug te doen voor de gastvrijheid die hij genoot al de tijd dat hij bij haar in huis vertoefde om de zaken daar weer een beetje op orde te krijgen. Het is deze zoon, haar enig kind, die sterft. Deze vrouw heeft haar leven weer op de rit door langs de weg van de religie weer een onafhankelijk persoon te worden en zelfstandig haar besluiten te nemen. Ze mocht zich verheugen in de opvoeding van een kind en ik stel me voor dat die twee – moeder en zoon – een bijzondere band met elkaar hadden. In het Nieuwe Testament – denk aan Maria en Jezus – zal Maria haar geesteskind uiteindelijk los moeten laten. Hier komt een vrouw aan het woord die op het aanbod van Elisa haar diepste, misschien wel meest verborgen wens in vervulling te laten gaan, niet antwoordt met een expliciete kinderwens.

Elisa wenste haar een zoon toe, die kreeg ze en nu sterft het kind. Elisa had een wensgedachte voor deze vrouw ingevuld terwijl ze zelf mogelijk hele andere ideeën had over de nadere invulling van zijn aanbod. Als ze zo graag kinderen had gewild, was ze wel met een jongere man getrouwd. Wat de vrouw uit Sunem nu doet, is Elisa bepalen bij de verantwoordelijkheid voor zijn profetie. Het lijkt wel alsof ze Elisa met die profetie erop wil wijzen in te staan voor zijn uitspraak. Ze gaat hem confronteren met wat hij in en met de taal ten opzichte van haar doet. Met een profetie kun je niet vrolijk en vrijblijvend strooien. De auteur draait de rollen om. Het is nu de Sunammitische vrouw die de rondtrekkende profeet de implicaties van zijn belofte laat zien en hem ouderlijk gezag gaat geven. Ze is verontwaardigd omdat ze helemaal niet zit te wachten op een aaneenschakeling van ‘dode zielen’ in haar huis. Elisa heeft deze jongen in haar leven geroepen, hij is de vader en mag er nu ook zorg voor dragen dat de jongen weer bij zinnen komt.

Van de zwakke vrouw die hij ooit aantrof is nog nauwelijks iets te bespeuren. Resoluut komt ze in actie, laat zich door Gechazi, Elisa’s koerier, niet afschepen, zoals je via de telefoon door voet bij stuk te houden een secretaris passeert omdat je een bestuurder wilt spreken. Elisa is de vrijheid gewend, komt en gaat wanneer hij wil, is niet aan huis en haard gebonden. Die vrijheid is hem zo lief dat hij eerst Gechazi, z’n afgevaardigde, wil sturen. Met een ‘tussenpersoon’ kan de Sunammitische vrouw echter geen genoegen nemen. Het is alsof je 112 belt voor een levensbedreigend geval en je in de wacht wordt gezet. “Blijft u nog even aan de lijn, er is nog een wachtende voor u.”

De jongen die stervende is, wil geen schijnvader, geen surrogaatouder in de vorm van een pop of robot die hem bezig houdt. Op de staf van Gechazi reageert hij dan ook niet. Weg met dat malle ding en die magische hocus pocus. Ik wil een echte vader, niet één in de hemel, maar één op aarde. Zo één van vlees en bloed die met beide benen op de grond staat. Een vader die aan de zijlijn staat als ik op zaterdagochtend in de druilende regen een voetbalcompetitie speel, een spaarrekening voor me opent en schoolformulieren kan invullen, me helpt met wiskunde en Latijn, iets begrijpt van die verwarrende tijd van het puberen, kaartjes voor een concert van Ed Sheeran koopt, met wie ik vrouwen- en mannenzaken kan bespreken en aanwezig is wanneer ik in het huwelijksbootje stap. Een klassieke, degelijke, ongecompliceerde vader die niet wegloopt nadat hij me heeft verwekt.

En toen transformeerde Elisa van profeet in een huisman die later nog aan ‘vaderdagen’ zou doen. De Sunnamitische vrouw gaf hem, zwerver, een onderkomen. De medische wereld werd thuis in het klein nagebootst – zou Elisa vandaag de dag leven, hij zou de jongen direct naar het ziekenhuis hebben gebracht. Wie buiten bewustzijn raakt heeft in de eerste plaats een vader en een goede dokter nodig en geen vertegenwoordiger van de religie die lichamelijk falen religieus interpreteert. Elisa reanimeerde hem, ademde zijn lucht in de mond van zijn zoon, identificeerde zich met hem, raakte hem aan, warmde het koude, asgrauw gekleurde lichaam van de jongen, nam hem in bescherming, ijsbeerde van de zorgen heen en weer, rende het hele huis door, begreep nu wat paniek om je kind betekende en maakte wat dood was weer levend.

Als de Sunnamitische vrouw voortaan uit haar werk komt, heeft Elisa gekookt en zit de jongen boven te leren, oefende buiten passes, computerde of produceerde z’n eigen muziek. Dan zaten zij gedrieën, spraken honderduit, rond dezelfde tafel, deelden hetzelfde brood, dezelfde aarde terwijl Gechazi met z’n brommer nog wat pizza’s rondbracht.

Amen