Tag Archives: Profeet

Zondag 4 november 2018, Hervormde gemeente Maasdam

Preek naar aanleiding van Sefanja 3:14-20 en Filippenzen 4:4-9 uit de Groene Bijbel voor de viering op zondag 4 november 2018 om 10.00 uur in de Hervormde gemeente te Maasdam

Gemeente,

In een melancholische bui liet de Griekse filosoof Plato zich eens ontvallen dat menselijke aangelegenheden het nauwelijks waard zijn ernstig te worden genomen. Later verontschuldigt hij zich voor zijn onderwaardering voor de mensheid en legt uit dat hij zijn opinie ontwikkelde door mensen met goden te vergelijken. De goden richten zich op grote kwesties; zij houden zich niet bezig met trivialiteiten. Voor de bijbelse profeet echter is er geen thema dat zozeer zijn aandacht heeft als de benarde omstandigheden waarin een mens zich kan bevinden. Ook God zelf wordt beschreven als iemand die reflecteert op de hachelijke situatie van de mens, eerder dan eeuwige ideeën te beschouwen. Zijn geest is gepreoccupeerd met de mens, de concrete werkelijkheden van de geschiedenis van de mens, en niet zozeer met de tijdloze inzichten van het denken. In de ogen van de profeet is er weinig dat te futiel zou zijn om het er niet over te hebben.

Wanneer wij Sefanja drie vers veertien tot twintig lezen, dan lezen we poëtische peptalk van een coach, die een mens in een kritieke toestand bemoedigend toespreekt. Hij doet dat in een emotionele, beeldende taal. Hij is artistiek in zijn vorm, zijn dictie is precies, zijn ritme melodieus en zijn trant lyrisch. Verre van een contemplatieve staat van innerlijke harmonie is Sefanja’s stijl geladen met agitatie en opstandigheid. Hij is een figuur die niet aan onrecht voorbij gaat, niet akkoord gaat met wat voor hem ontoelaatbaar is. De zorg van de profeet geldt niet de natuur, maar de geschiedenis van Sion. Haar levensverhaal is uit balans. Sefanja had zich geïdentificeerd met haar persoon, is nauw bij haar verhaal betrokken. Zijn thema is haar bestaan en hij voorzegt haar een nieuwe toekomst. Het geheim van zijn overtuigende stijl is dat je voelt dat ook zijn leven en ‘ziel’ op het spel staan in wat hij zegt en beoogt. Zijn betrokkenheid is echt, de emoties die hij beschrijft komen uit z’n tenen.

Sefanja’s uitingen zijn soms cryptisch. Wat hij zegt is alarmerend, jachtig, dringend, alsof zijn woorden over de rand gutsen en hij geen tijd te verliezen heeft. Sefanja’s woorden zoeken ingang tot het hart en de geest van zijn lezer(es)s(en), in de hoop bij hen empathie te vinden, die moet aanzetten tot betrokkenheid. Grandeur, geen waardigheid, is voor hem van belang. Zijn taal is explosief en lumineus, ferm en vol compassie.

In het Oude Testament vertelt de profeet zelden een verhaal, maar licht gebeurtenissen uit het zadel. Hij zingt niet en bestraft vaak de verdrukker, de vijand. De profeet is met recht een prediker te noemen, omdat hij meer doet dan de werkelijkheid poëtisch te vertalen, hij communiceert. Zijn beelden hoeven niet te schitteren, vaak branden ze. Op die wijze is hij eropuit het verantwoordelijkheidsbesef van zijn lezer(es)s(en) te intensiveren. Hij kan geen geduld opbrengen voor excuses, staat smalend tegenover pretentie en zelfbeklag. Zijn tong streelt niet, maar ontlast en troost. Hij ontwerpt zijn woorden eerder om te shockeren of op te beuren, dan om te stichten.

Wie aanleg heeft voor charme, een zintuig voor het schone en ‘het lieftallige’ moet mogelijk even slikken bij de profeet. De profeet zou zich geen raad weten, ik noem maar een paar voorbeelden, op de Biënnale van Venetië, in Museum Boijmans Van Beuningen, zich nauwelijks een houding weten te geven in het Kurhaus. De profeet is gericht op de mens die het ontbreekt aan ruimte. De profetische onderwaardering voor onderscheidende kunst en grote architectuur contrasteert met de concepties van veel mensen met gevoel voor smaak. Aan stedenbouwkundigen, zij die een metropool bouwen, architecten en kunstenaars wordt vaak bijval betuigd, omdat wij diep in ons hart de neiging hebben het imposante, het grootse te bewonderen. Stuur een poëet naar de hoofdstad van een koninkrijk en zij of hij zal geëxalteerde verzen schrijven, liederen componeren die het beeldschone en monumentale bezingen. Reist een profeet naar dezelfde stad, dan zal hij bij terugkomst spreken over het moreel verval en de onderdrukking die hij heeft geregistreerd. De profeet heeft weinig op met het globale, het bij benadering, hij schuwt middenposities. Comfort en veiligheid zijn hem vreemd.

Voor een persoon die begiftigd is met profetisch inzicht verschijnt iedere ander als blind. Een profeet die Gods stem hoort, doet de ander voorkomen als doof. Het oor van de profeet, zo ook dat van Sefanja, is afgestemd op een roep die voor anderen onwaarneembaar is. Zijn gehoor neemt het stille zuchten waar. Als de levens van anderen op het spel staan, zegt de profeet niet: “Uw wil geschiedde!”, maar wel: “Uw wil zal worden gewijzigd!”

Sefanja en wij hebben geen gemeenschappelijke taal. Terwijl voor ons de staat van een samenleving in orde kan zijn, is die voor de profeet onaanvaardbaar. Hoeveel goede daden burgers ook in praktijk brengen, een tevreden bewustzijn is voor de profeet een teken van een vlucht voor verantwoordelijkheid. Want de mens die pijn lijdt, doet s ‘nachts geen oog dicht, en ook God, die de eeuwigheid bewoont, sluimert noch slaapt. Het woord van de profeet is als een schreeuw in de nacht.

Terwijl de wereld is ingedut en zich op z’n gemak voelt, is de profeet klaarwakker en heeft weet van het dynamiet van de hemel. Een mens kan lijden aan de terreur van een soort kosmische eenzaamheid, de profeet is weliswaar een enkeling, maar eenzaamheid is hem vreemd, doordat hij wordt overweldigd door de grandeur van een goddelijke presentie. De beschaving kan worden beëindigd en de menselijke soort verdwijnen. Deze wereld is echt, maar niet absoluut: de werkelijkheid van de wereld is voor de profeet voorwaardelijk ten opzichte van God. Terwijl anderen vol zijn van het hier en nu, heeft de profeet een visie ontwikkeld over een einde. De profeet is menselijk en zingt voor ons toch net een octaaf te hoog. Hij ervaart momenten die ons begrip trotseren. Hij is geen zingende heilige, geen moraliserende poëet, maar een aanklager van de geest. Zijn woorden beginnen vaak pas te spreken, wanneer ons bewustzijn is opgehouden te werken.

De profeet is een beeldenstormer die het ogenschijnlijk heilige en overweldigende uitdaagt. In de manier waarop hij Sion toespreekt, presenteert hij een visie op wereld en samenleving die er niet om liegt. Opvattingen die worden gekoesterd als zekerheden, zeg heilige huisjes, instituten, waaraan een superieur elan wordt verleend, de profeet laat ze zien als aanstootgevende pretenties.

Wanneer Paulus zich in Filippenzen vier vers vier tot negen tot Euodia en Syntyche richt, dan gebeurt er iets vergelijkbaars als bij Sefanja met de waardering voor welvaart, wijsheid en macht. Paulus gebruikt termen die wij ook tegenkomen in de stoïcijnse filosofie. Voor zowel Sefanja als Paulus valt religie niet samen met tempelgang, zeg kerkbezoek. Het bezoeken van een ‘heilige plaats’ wordt veroordeeld als mensen wennen aan onrecht.

Waar in de pagane wereld invloed, grootsheid en het overleven van een god afhing van de macht en grootheid van mensen, stad en cultuur, daar geldt voor het profetische en paulinische denken dat God voortbestaat waar compassie en liefde voor concrete medemensen het winnen van competitie en afkeer. Achter de instigaties van Sefanja en de aansporingen van Paulus schuilen sympathie, troost, belofte en de hoop op verzoening. Zij doen geen voorspellingen, maar waarschuwen met het oog op het openen van de toekomst, zodat wat gaande is, in het heden wordt verlicht.

De stap naar onze wereld is gauw gemaakt. God is vaak alleen in de wereld, onbekend of afgedankt. In veel landen is de wereld vol van geweld, onwaarheid en gruweldaden. Soms zien we dan een mens, dierbaar en verkieslijk, opstaan om de wereld te transformeren. Niet aan de andere kant van de wereld, geen verheven goden of onbereikbare figuren, maar hier in Maasdam: uw collega op de werkvloer, uw buurvrouw, je vriendin, klasgenoot of sportmaatje. In een gemeente die niet onverschillig is voor menselijk lijden, geen compromissen doet ten aanzien van wreedheid, vijandschap niet duldt en wier zorg uitgaat naar God en elke andere mens, daar zouden Sefanja en Paulus niet van zich hoeven laten horen. De kracht van de profetische stijl is dat het je als lezer(es) aanmoedigt, tot moed oproept, vertrouwen wekt, uithoudingsvermogen traint en je weerstandsvermogen versterkt, vooral op die momenten dat de wil om ergens voor te vechten het meest van belang is.

Amen

Zondag 9 september 2018, Gereformeerde kerk Nieuwkoop, zondag 30 september 2018, ‘Koepelkerk’ Willemstad & zondag 7 oktober 2018, ‘Kerkelijk centrum Emmaüs’ Ede

Preek naar aanleiding van Ezechiël 2:1-7 en 2 Korintiërs 12:1-10 uit de Groene Bijbel voor de viering van Schrift en Tafel op zondag 9 september 2018 om 09.30 uur in de Gereformeerde kerk te Nieuwkoop, uit de Naardense Bijbel voor de viering op zondag 30 september 2018 om 10.00 uur in de Koepelkerk te Willemstad en uit de Groene Bijbel voor de viering van Schrift en Tafel op zondag 7 oktober 2018 om 10.30 uur in kerkelijk centrum Emmaüs te Ede

Gemeente,

Hoe voer ik een slechtnieuwsgesprek? Zijn er ‘regels’, technieken en modellen voor het berichten van slecht nieuws? Vandaag de dag voeren werkgevers jaarlijks functioneringsgesprekken met werknemers, om uiteindelijk te besluiten een contract al dan niet te verlengen. Ten tijde van de Griekse Oudheid raadpleegden mensen een orakel, dat een uitspraak deed over de toekomst. In het Oude Testament treden vaak profetessengroepen en soms een enkele gestalte naar voren om heil of onheil in het vooruitzicht te stellen. Voorbeelden zijn Mirjam, Debora, Hulda, Noadja en Ezechiël. In het sociale engagement en de cultuurkritiek van een profeet zagen de geadresseerden een openbaring van het wezen of de wil van God. De profeet is een figuur die primair de rol van bemiddelaar op zich neemt door een brug te slaan tussen de geadresseerde en een nieuw perspectief.

De roeping van een profeet en de trouw aan zijn opdracht wordt in zogenaamde ‘roepingsverhalen’ vaak met veel indrukken geschilderd. De kwestie voor een lezer(es) lijkt vooral te zijn: gaat een profeet zijn ‘beroep’ aanvaarden, of kiest hij het ruime sop en gaat hij zijn roeping uit de weg? De persoonlijkheid van de profeet speelt bij die keuze een belangrijke rol. Menig profetische gestalte is een extaticus die zich in een act van overgave in de eigen verbeelding laat meevoeren en zich dusdanig met zijn boodschap vereenzelvigt, dat beide met elkaar versmelten. Ook Ezechiël ligt languit op de grond als hij kennismaakt met een werkelijkheid die het gegevene overstijgt. Naderhand is hij maar nauwelijks in staat zijn ervaring te catalogiseren.

De geestesvervoering van de profeet, zo was de overtuiging, fungeerde als ‘middel’ om mensen voor ‘Gods toekomst’ te openen. De openbaring vormde een context van ontdekking, waarin mensen vrijelijk dromen, hypothesen opstellen, oplossingen verzinnen en nieuwe plannen maken. De profeet had charisma nodig om die creatieve fase te stimuleren en stond tegelijkertijd onder de kritiek dat hij zijn positie niet mocht privatiseren. Vandaar de waarschuwing voor de valse profeet. In een volgend stadium poogden de profeet en de geadresseerden logische strengheid toe te passen, de empirie in gesprek te brengen met de openbaring en de slagingskans ervan te verzekeren. Tot dusver is dit een klassieke, joodse weergave van de profeet.

Veel later zien we onder invloed van het hellenisme binnen het vroege christendom een verscherping van het profetendom en tegelijkertijd een verlegenheid met een oudtestamentische profeet als Ezechiël. Naarmate het op de evangeliën geïnspireerde christendom zich ontwikkelt, lijkt de opvatting post te vatten dat het profetendom vervuld en beëindigd is. In apologieën die het opnemen voor de kerk vindt een democratisering van het profetendom plaats: de gemeente wordt niet indirect, via een profeet, maar direct door Gods geest geleid en het charisma is een door alle leden gedeelde gave.

We kunnen Ezechiël ook als een hedendaagse figuur neerzetten die vooruitloopt op geavanceerde technologie. Want wie heden ten dage zoekt naar sporen van transcendentie, kan die in het bijzonder terugvinden in de wereld van de techniek, waar een beroep wordt gedaan op creativiteit, en gedachtesprongen aan de basis van uitvindingen liggen. Zoals een tafel van meer geest getuigt, dan een boom, en de draadloze red laser presenter meer dan de houten aanwijsstok, zo zijn nieuwe technologieën te zien als de vruchten van inventiviteit: een mentaal ‘proces’ waar verbeelding voor nodig is, een eigenschap waar de oudtestamentische profeten in grossierden.

Wie zich in het tweede decennium van de eenentwintigste eeuw afvraagt waar de geest werkt, kan de blik richten op de United States of America, Aziatische landen als China en Japan of, dichter bij huis, Delft, Twente en Eindhoven waar hightech wordt bedreven, studenten zich bezighouden met industrieel ontwerpen, onderzoek naar technologische innovatie centraal staat en technologieën van de toekomst in combinatie met vraagstukken op het gebied van gedrag en maatschappij speerpunten zijn. Het zijn plaatsen waar ‘God’ materialiseert en vanwaaruit technische creaties de aard van onze geest beïnvloeden.

Ezechiël is de icoon die voorspellingen doet, waarmee hij tegen een materiële visie op de werkelijkheid ageert dat wil zeggen, de visie dat de werkelijkheid enkel in termen van fysieke staten, gebeurtenissen en processen te begrijpen is. Sinds de zestiende eeuw noemen we de ontdekking van de fysische werkelijkheid ‘fysicalisme’. In zowel het Oude Testament als het Nieuwe Testament bestond de term ‘fysicalisme’ nog niet: die zou nog worden uitgevonden. Het fysicalisme gaat ervan uit dat er geen andere dingen meer zijn dan fysische dingen. Ezechiël neemt dingen waar, maar hij is ervan overtuigd dat als de verbeelding over het bestaande gaat, deze nieuwe vormen kan opleveren. Het fysische verhaal is niet het enige en ook niet het gehele verhaal over mens en wereld. In de manifestaties van Ezechiëls geestesinhouden ondergaat het denken over de werkelijkheid wijzigingen. Hij verbeeldt zich hoe het zou zijn als… . Het is zijn verbeelding die hem ertoe in staat stelt over het gegevene heen te springen, weer terug te keren tot de bestaande wereld en daarin handelend op te treden. Het zijn capaciteiten die niet enkel aan ‘profeten’ of de beoefenaars van de kunsten in onze samenleving zijn voorbehouden. Ieder mens staan deze vermogens ter beschikking, en je kunt je erin oefenen.

Ezechiël heeft de interactie met ‘het fictieve’ nodig om de doorstroming van het menselijk leven zelf te bevorderen. De auteur schildert de representanten van de conservatieve factie somber. Het opstandige volk dat zich verzet tegen nieuwe inhouden en vormen is te vergelijken met negatieve duidingen van de rol van bijvoorbeeld communicatietechnologieën in onze tijd. Vormen van gemeentezijn kunnen door een afwijzing van ‘nieuwe media’ stagneren, het gemeenschappelijk leven kan erdoor in ballingschap geraken. God verdwijnt uit Jorwerd. Het is des Ezechiëls om de klaagzangen die hij te eten krijgt, te proeven met de voorsmaak van zijn visioenen. Het visioen is niet een uitvlucht uit de bestaande werkelijkheid die hem te eenzijdig is, het stelt hem in staat de rebellie tegen vernieuwing te ervaren als ‘verrukkelijke speldenprikjes’.

De gemene deler tussen de tekst uit Ezechiël en Paulus’ brief is dat beide een positie innemen, waarin zij ‘de zachte krachten’ verdedigen versus ‘harde kennis’. Er zijn echter meer overeenkomsten te noemen. Ezechiël en Paulus zijn zieners voor wie visionaire waarnemingen niet ongebruikelijk waren. Van neurowetenschap of cognitieve psychologie hadden beiden nog nooit gehoord. Paulus schrijft een apologie, omdat hij heeft ontdekt hoe ‘alfaontdekkingen’ een mens en de wijze waarop zij of hij zich tot de haar of hem omringende wereld verhoudt, kan veranderen. In zijn onderneming is Paulus in gesprek met opponenten uit Korinthe, die hun vraagtekens plaatsen bij bijvoorbeeld de Griekse gedachte dat een God voortdurend een uitzondering zou maken voor zijn eigen ‘kind’. Paulus’ denkinhouden overstijgen de materiële wereld en zullen later als christelijk mystieke uitingen worden gemunt. Vergelijkbaar met Ezechiël gaat ook Paulus met zijn hele wezen op in het geloof dat hij verkondigt. We vinden bij hem geen onderscheid tussen privépersoon en beroepsbeoefenaar. En wist Ezechiël zich gezonden, ook Paulus had een roepingservaring, waaraan hij zijn apostolisch gezag ontleende.

Paulus neemt het naast vormen van rationaliteit die in de paulinische gemeente te vinden zijn op voor irrationele vormen van gemeentezijn. In de paulinische gemeente werd geprofeteerd en ‘klanktaal’ gesproken; activiteiten die voor gelovigen een bewijs vormden voor de presentie van Gods geest in de gemeente. Bij Paulus krijgt de profetie een hele pastorale kleur: een persoon die profeteerde, bemoedigde, troostte, beleerde en vermaande met het oog op geestelijke zorg, waarbij de ervaringen van mensen zelf het vertrekpunt vormden voor ‘de profeet’. Paulus schenkt dus al aandacht aan het belang van de belevings- en ervaringsdimensie van religieus geloof. Hij stelde zich de aanwezigheid van Gods geest bijna fysiek voor.

De zienswijze van een in de techniek geïncarneerde God kan, ik noem maar en paar voorbeelden, maken dat ik minder vanzelfsprekend naar een OV-chipkaart of tablet kijk. In de wereld van ICT en nanotechnologie draait de geest op volle toeren en haar inventies staan mij als mens ter hand. De oplossingen en vondsten die in deze werelden in de overvloed van openbaringen worden bedacht, zijn te bezien als vormen van ‘technisch pastoraat’, doordat ze me helpen me te oriënteren in de wereld en me ertoe aanzetten er nieuwe verhoudingen mee aan te gaan. Laat ons in de wereld van vernieuwende techniek echter wel onderscheid maken tussen goed en kwaad. De atoombom was ook een ‘geweldige uitvinding’. Maar wat een opluchting als je als mens wordt verlost van bijvoorbeeld kiespijn, een maagzweer of een tumor; dan kun je de werkelijkheid weer zien.

Amen

Novawhere Purmerend, 13 mei 2017 en De Oase Zoetermeer, 14 mei 2017

Preek naar aanleiding van Ezechiël 37:1-14 en Johannes 11:1-13 uit de Groene Bijbel voor de gebedsviering op zaterdag 13 mei 2017 om 10.15 uur in Novawhere te Purmerend en uit de Naardense Bijbel voor de vijfde zondag van Pasen Cantate op zondag 14 mei 2017 om 10.00 uur in De Oase te Zoetermeer

Gemeente,

Welkom in de catacomben van Ezechiëls geestelijk leven. Wie zich in de ouverture heeft laten overweldigen door een immens visioen, staat nu aan het bed van een man die kampt met een depressie die zijn weerga niet kent. Het zijn de religieuze overtuigingen van Ezechiël die hem blokkeren nog één stap te zetten. Van jongs af begrijpt Ezechiël zichzelf als een profeet die een nauw onderscheid maakt tussen het ontplooien van zijn eigen initiatieven en de opdrachten waaraan hij een goddelijk gezag verleent. In vergelijking met dat ‘spreken Gods’ waarbij hij de controle over zichzelf verliest en ‘buiten zinnen raakt’, komt dat spreken in eigen naam er bekaaid vanaf.

De communicatie met anderen over alledaagse zaken benoemt hij inmiddels als geleuter, koetjes en kalfjes, ditjes en datjes en gaat hem steeds moeilijker af. Hij kan er niet aan deelnemen, heeft er geen vocabulaire voor opgebouwd, begrijpt niet waarom mensen daar energie in steken. Het gesprek over ‘het alledaagse’ dooft zijn uitgebluste ziel. De herinnering aan die heldere momenten van ‘godsspraak’ wakkeren de heimwee van Ezechiël naar nieuwe piekmomenten aan. Hij beschikt als Gontsjarows Oblomow niet over het vermogen nog tot iets te komen. Lusteloos en bespiegelend wacht hij in bed totdat die stem van buiten hem weer in vuur en vlam zal zetten. Tot die tijd heeft Ezechiël zichzelf een spreekverbod opgelegd. Zolang hij niet zinvol kan spreken, dient hij te zwijgen. En de verstomming waarin Ezechiël verkeert, is de situatie waarin wij hem als lezer(es)s(en) ontmoeten.

Ezechiël weerspiegelt de tijd van de verstrooiing waarin de Joden in vele landen verspreid leefden. Die decentralisatie klinkt door in Ezechiëls betoog. Wij lezen een coherent betoog, maar Ezechiëls tekst bestaat oorspronkelijk uit losse flodders. Ezechiël denkt dat het mogelijk is objectief over God te spreken en grenst die opvatting nauw af van een subjectief spreken over God. Hij wil ‘wetenschappelijk’ integer optreden door zichzelf weg te cijferen achter een beroepsprofessie. Dat de ontwikkeling van een persoonlijke taal ernstig onder dat motief lijdt, daar heeft Ezechiël niet bij stil gestaan. U ziet het in de terugkerende formules die Ezechiël gebruikt.

Door die strikte scheiding is Ezechiël voor zichzelf een orakel geworden. Hij is verleerd een persoonlijke toon aan te slaan. Het woord God staat aan het begin van elke zin die Ezechiël over zijn lippen krijgt. Ezechiël is ‘slechts’ een ontvanger, een leeg vat dat bij tijd en wijle volloopt met ‘Gods water’ en dat hij als ‘bode’ doorgeeft aan derden. Het zijn de tekenen die aan Ezechiëls tekst een mystiek tintje geven.

Ezechiël heeft zichzelf klein gemaakt, zo klein dat er nog maar weinig van hem is overgebleven. Met een in onbruik geraakt woord noemen we de ‘mentaliteit’ te denken dat je weinig voorstelt, zonde. Een mens wil in die levenshouding zichzelf niet zijn, durft geen ruimte in te nemen, kruipt angstvallig weg en schuift haar of zijn zelf op een ander af. U kunt die attitude vandaag de dag vergelijken met een mens die haar of zijn eigen leven niet wil leiden en hoopt op vervulling door op te gaan in het leven van een ander. Een ‘verhaal’ dat niet mijn verhaal is, een ‘genre’ waar ik niet in thuis hoor.

Als de omlijsting en de ‘invulling’ van iemands persoonlijkheid op zich laat wachten, kan dat ervoor zorgen dat een mens in zichzelf verkromd raakt, zij of hij in zichzelf als een kurkentrekker in een kurk vastdraait. Die ‘hondsberoerde toestand’ van ontgoocheling heeft een merkwaardige dubbelheid in zich: religie is zowel de voorwaarde deze ‘ziekte’ op te lopen, als de remedie waardoor je er weer vanaf kunt komen.

Ezechiël gebruikt zijn religieuze voorstellingen als schild om zich te wapenen tegen het vermogen als zichzelf op te treden. Die ‘strategie’ maakt het er niet makkelijker op zijn existentiële pijn te verlichten. Ezechiël ligt weg te teren, verschrompeld, als een nietig wezen op zijn brits te wachten op de dag van zijn opstanding.

Ezechiëls ‘uur ik’ – het uur waarin hij ‘voor eens en voor al’ op eigen benen zal staan en zal inzien dat hijzelf altijd al het vertrekpunt is van waaruit hij de dingen benadert – dat uur staat nog uit. Ezechiël projecteert als zijn tekorten op godsbeelden die nu nog hemelhoog boven hem verheven staan. Er is een Copernicaanse wending voor nodig Ezechiël aan het verstand te brengen dat hij die tekorten kan opheffen daar ze zelf te belichamen.

In de twintigste eeuw is vaak een theologie van de transcendentie ‘gepropageerd’ waarin een totale verwaarlozing van het actieve individu plaatsvindt. Het choquerende relaas van Ezechiël vormt wellicht reden genoeg dit niet nog eens toe te passen. De verdroogde beenderen ten teken van wanhoop tonen een profeet die aan God ten onder gaat. U kunt die verhouding vergelijken met iemand die zegt zo ‘in Brahman’ te zijn, terwijl een torenhoge afwas zich opstapelt. Ik citeer in dit verband een gedicht van J.A. dèr Mouw dat begint met de regel: “k Ben Brahman. Maar we zitten zonder meid.”

“‘k Ben Brahman. Maar we zitten zonder meid.                                                                                            Ik doe in huis het een’ge, dat ik kan:                                                                                                                       ‘k gooi mijn vuilwater weg en vul de kan;                                                                                                     maar ‘k heb geen droogdoek; en ik mors altijd.

Zíj zegt, dat dat geen werk is voor een man.                                                                                                    En ‘k voel me hulploos en vol zelfverwijt,                                                                                                          als zij mijn lang verwende onpraktischheid,                                                                                                 verwent met wat ze toverde in de pan.

En steeds vereerde ik Hem, die zich ontvouwt                                                                                               tot feeërie van wereld, kunst en weten:

als zij me geeft mijn bordje havermout,                                                                                                              en ‘k zie, haar vingertoppen zijn gespleten,

dan voel ik éénzelfde adoratie branden                                                                                                         voor Zon, Bach, Kant, en haar vereelte handen.”

Ezechiël neemt vooral geestelijk voedsel tot zich. Hij verslindt boekrollen, maar hij heeft ook suikers en vetten nodig om weer wat vlees op de botten te krijgen.

Ook Lazarus is meer dood dan levend. Typisch Johannes een hulpeloos geval te portretteren voor het christologische punt dat hij wil maken. De lezer(es) dient eerst getuige te zijn van een ‘horrorfilm’ voordat er een verlossend woord kan klinken. Johannes’ voorbeelden zijn te vergelijken met de uitgeprocedeerde asielzoekers, long stay patiënten en depressieve mensen in onze samenleving. Zielen die uitzichtloos in de wachtkamer van de geesteloosheid hun tijd uitzitten.

Lazarus is ‘bevangen’ door een ‘griep’ die niet uitloopt op de dood. En toch sterft Lazarus. Wat is dat voor ziekte die niet de dood tot gevolg heeft en in het evangelie toch ziekte wordt genoemd? En, waarom zou je iemand uit de doden opwekken als zij of hij vroeg of laat toch weer sterft?

Lazarus’ ziekte is een ziekte die wortelt in de geest, in het zelf van een mens en die verschillende verschijningsvormen kan aannemen. In Lazarus’ geval betekent het dat ‘alles in zijn hoofd potdicht zit’. Hij zit als het ware vastgeketend, heeft alle hoop te grave gedragen. Het is aardedonker in zijn bewustzijn, hij kan geen licht meer verdragen, zijn zenuwstelsel is hypergevoelig, elke prikkel doet zeer. Martha en Maria met wie hij ooit zo goed overweg kon, zijn hem gaan ergeren. Hij kan Maria’s tederheid en Martha’s zorg steeds moeilijker dulden. Tijdens zijn slechte buien duidt hij Maria’s houding als geflirt en die van Martha als activistisch en pragmatisch. Lazarus’ percepties verraden de grondstemming van zijn geestelijke conditie. Met moeite kan hij zich bedwingen niet in woede uit te barsten. Het minste of geringste is voldoende zich enorm op te winden. Maria en Marta’s welwillende gebaren vindt hij aanstootgevend.

Die ‘onhoudbare situatie’ heeft ertoe geleid dat Lazarus een tijd rust zocht in een sanatorium. Herstel bleef echter uit. De categorie van zijn ziekte is van ‘het zwaarste type denkbaar’ waar gezondheidsoorden maar nauwelijks op berekend zijn. De evangelist weet alles van ‘opgegeven gevallen’ en heeft nog een extra categorie voorradig waarmee hij de gesteldheid van Lazarus kan peilen. De zonde als geestelijke dood in het licht waarvan de lijfsdood een kleinigheid is. Johannes herkent de symptomen van dit ‘schrikbewind’ die als gemene deler een gebrek of een overschot aan zelfliefde hebben, uit duizenden.

Lazarus woont al het grootste gedeelte van zijn leven met twee zussen in huis. Hij heeft dat eerder niet bezwaarlijk gevonden, maar toen hij de leeftijdsgrens van veertig passeerde, begon er iets aan hem te knagen. Hij wil een leven opbouwen dat hij niet met zijn zussen hoeft te delen. In de leefomgeving waar hij deel van uitmaakt, zijn familierelaties van levensbelang en de bredere maatschappelijke context is ingericht op heteronomie. In dat verband heeft hij geen kans gezien het type leven gestalte te geven waar hij zielsgraag naar verlangde. Autonomie in Palestina? Geen schijn van kans. Sindsdien is hij een man zonder toekomst geworden. Reisde hij eerder veel voor zijn werk, inmiddels zit hij bij huis, struikelt over dingen en laat voorwerpen uit zijn handen vallen. Pasen laat op zich wachten.

Nu kan een mens juichen: “Christus is opgestaan. Halleluja!” Wel, kennelijk niet voor iedereen. Ezechiël en Lazarus liggen voor Pampus. Zij staan model voor al die mensen die zichzelf in de weg zitten, zichzelf teveel vinden en in het uiterste geval een poging tot suïcide doen.

In het medicijnkastje van de bijbel staan twee ‘receptenbriefjes’: een verhouding tot jezelf aangaan, dat wil zeggen, jezelf proportioneel liefhebben, en een geloofsbelijdenis waar een niet geringe hoeveelheid verbeelding voor nodig is, namelijk: dat met God voor ogen alles mogelijk is. Voor Lazarus houdt dat tegengif in dat hij zich dwars tegen de mores van zijn cultuur in, tot het uiterste zal inspannen zijn diepste verlangen te realiseren en een paar handige jongens uit zijn omgeving zal vragen hem een handje te helpen met zijn verhuizing. Zichzelf op die wijze terugbrengen naar het natuurlijke leven zal dé dag van zijn verrijzenis zijn.

Amen                                                                

De Hoeksteen Zwijndrecht en Het Kruispunt Voorschoten, 2 april 2017

Preek naar aanleiding van Jesaja 42:1-9 en Handelingen 10:34-38 uit de Willibrordvertaling voor de viering van zondag Judica op 2 april 2017 om 10.00 uur in de hervormde wijkgemeente De Hoeksteen te Zwijndrecht en voor de Vesper om 19.00 uur in Het Kruispunt van de protestantse gemeente te Voorschoten

Gemeente,

Het is wellicht het meest onvolprezen beroepsperspectief: dat van profeet. Een kenmerk van menig oudtestamentisch profeet is ‘onwil’. De aanstaande profeet kiest, als het aan hem of haar ligt, liever het ruime sop – denk aan Jona – of hult zich in zwijgen, dan af te reizen naar een uithoek van de wereld of op een kist op het marktplein te gaan staan om er zijn of haar overtuiging rond te bazuinen of er een boodschap te verkondigen. Het zijn vaak derden die ‘de profeet’ die functie toebedelen, een tijdgenoot die iets gezien heeft in die figuur, namelijk dat hij of zij een inzicht met zich meedraagt dat de profeet de mensheid niet mag onthouden.

Zoals een eenentwintigste-eeuwse West-Europeaan wellicht een sms’je of appje zou sturen na lange tijd niet van een vriendin of kennis gehoord te hebben en op die wijze de sociale dynamiek op peil houdt, zo zou een gelovige Jood uit de Oriënt in achthonderd voor Christus een profeet ertoe bewegen ‘het zwijgen Gods’ te verbreken door haar of zijn woord te spreken. De figuur van de profeet kreeg de ‘status’ toebedeeld van tussenpersoon, een schakel tussen ‘de goddelijke voorzienigheid’ en de levenskwaliteit van een samenleving.

Ook in geval van Jesaja is er een fundamenteel verschil, een discrepantie tussen zijn zelfbeeld en de manier waarop hij door zijn omgeving wordt waargenomen. De ‘rol’ die hij voor zichzelf ziet weggelegd, is een heel andere dan die van profeet: vandaar dat hij als een berg opziet tegen het betreden van het podium en tegen heug en meug gehoor geeft aan ‘zijn onvrijwillige roeping’. Dienstknecht? Uitverkorene? De geestelijke uithangen? Het recht roepen van de daken? Mij niet gezien!

Jesaja was de kleuter aan wie zijn moeder ‘geen kind had’. Hij gaf geen kick! Jesaja is de stille, ijverige jongen in de klas die na schooltijd naar huis fietst en er ‘braaf’ zijn huiswerk maakt. Hij is er om zo te zeggen ‘het type niet naar’ de kwajongen uit te hangen en rottigheid uit te halen met vriendjes uit de buurt. Jesaja is de jongen die vanwege zijn ernst, verantwoordelijkheid en ‘onpartijdigheid’ tot klassenvertegenwoordiger werd verkozen. Jesaja is de puber die pulkend aan de mond van een bierflesje tegen de muur aan geleund staat en moed moet verzamelen de dansvloer op te gaan. Eerlijk gezegd heeft hij het land aan feestjes.

Scheikunde, natuurkunde, biologie, godsdienst en drama zijn Jesaja’s meest geliefde vakken. In het weekend verzamelt hij z’n tent, slaapzak, butaanhouder, telescoop en fotocamera om in een niemandsland de natuur en de sterrenhemel te bestuderen. Hij maakt aantekeningen, schetsen, berekeningen, grafieken, doet experimenten en bootst in het klein na wat hij in het groot heeft gezien.

Jesaja is de zachtaardige jongen met veel vriendinnen die begrip kon opbrengen voor hun angsten en complexen en belangstelling toonde in hun wereld van hockey, mode, nagellak, popmuziek en romans. Jesaja is de student die geen pogingen zal doen in het middelpunt van de belangstelling te staan. Hij volgt trouw de colleges, kan zich goed concentreren, knoopt hier en daar een gesprek aan en gaat z’n eigen gang. Dat hij in zijn vrije tijd aan een boek werkte over het ontstaan van de wereld, God, de voltooiing van de dingen, de oorzaken van het kwaad in de wereld, een analyse van de vrije wil, het begrijpen van de betekenis van ‘het begrip’ zonde en de structuur van de menselijke geest, wist geen mens, behalve de uitgever.

Jesaja had er het liefst nog langer aan gewerkt, was niet helemaal tevreden over de opbouw van zijn verhandeling en had het geheel graag postuum gepubliceerd. De uitgever had erop gestaan: de dromen en de ideeën van Jesaja – liep hij niet permanent met zijn hoofd in de wolken? – daar had de mensheid recht op. Het was de hoogste tijd dat zijn jongste talent in de schrijversclub uit de kast kwam.

Jesaja was geen ooggetuige, maar een getuige die ‘heldere inzichten’ had waar een vastgelopen geloofsgemeenschap mee verder kon. Dat een aantal invloedrijke figuren uit die geloofsgemeenschap hem vervolgens naar voren hadden geschoven als ‘lichtende figuur die voor de troepen uitloopt’, hem als ‘boodschapper van heil’ de geschiedenis in hadden doen gaan, dat nam hij voor lief. Hij had er z’n schouders bij opgehaald: de hoofdthemata van zijn theologisch-filosofisch traktaat betroffen de dingen waar zijn hoofd vol van was.

Eeuwen na het verschijnen van Jesaja’s grondslagen van het joodse denken, zal er een boekje verschijnen onder de naam ‘Handelingen van de apostelen’. De getuigenissen staan er opgetekend van ‘nieuwe Zuiderlingen’ die hun joodse klassiekers kenden. De auteur die een medische opleiding had gevolgd, schreef het in zijn beste Grieks.

Dag aan dag stond de auteur aan het bed van vrouwen die een kind ter wereld brachten, liep hij als arts over de afdeling van ziekenhuizen, holde naar de intensive care, schreef medicijnen voor, bezocht verpleegtehuizen en vergaderde met collega’s en andere vakspecialisten over de ethische en levensbeschouwelijke aspecten van zijn vak. Kortom, hij was bekend met genezingsverhalen, barensnood, wist wat het betekende een mens van haar of zijn pijn te verlossen en wat voor gemoedsgolf aan vreugde dat teweeg bracht. Nog weer vele tijdvakken later zul je zien dat er jonge personen uit de charismatische beweging opstaan om aan hun persoonlijk getuigenis lucht te geven. Gevoelens van bevrijding, die moeten eruit!

De titel van het geschrift doet vermoeden dat we hier van doen hebben met een meervoud aan representanten uit ‘de vroege kerk’. Het zijn echter twee apostelen wiens getuigenissen met name worden belicht. Paulus die de draad van ‘de Jezusbeweging’ oppakt en Petrus. Deze Petrus zal na zijn ‘bekeringsverhaal’ een concilie bijwonen – op de voorzijde van de liturgie ziet u een afbeelding van een concilie. Consilium, dat is een Latijns woord voor een mondiale vergadering waar kerkleiders theologische en kerkelijke onderwerpen bespreken.

De rol die Petrus in dit concilie zal gaan spelen is die van een ‘geloofsgetuige’ die van mening is dat de bespreking van die thema’s weinig uit het leven gegrepen is. De stem van de leek, de ‘gewone gelovige’ die hij juist heel hoog acht, komt er nauwelijks aan bod. Om die onevenwichtigheid te compenseren zal hij er ‘op eigen naam’ een getuigenis in de vorm van fragmenten uit zijn autobiografie uitspreken waar de bisschoppen en andere kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders stil van worden. Met zijn persoonlijke ‘statements’ zal hij roet gooien in het eten van de kerkelijke agenda’s. En hij gaat nog een stap verder, want wat de kerkleiders in Jeruzalem zijn vergeten, is het geluid van ‘de atheïst’ in hun gefixeerde standpunten en binnenkerkelijke betogen te verdisconteren. Petrus doet die gewaagde stap niet op basis van ‘rationele gronden’, alhoewel hij wel inziet dat ‘de heiden’, de zogenaamde buitenstaander – een plaatsbekleder in deze algemene vergadering nodig heeft om coöperatieve relaties tussen mensen van verschillende levensoriëntaties in de polis aan te gaan. Petrus stemt zijn gedrag af op twee ‘intuïties’ die hij nauwelijks kan weerstaan.

De eerste is de vrees dat het hoogkerkelijke gezelschap een eenzijdige religieuze groepering wordt met een paar of, erger nog, één dominante leider. De tweede intuïtie is dat de ongelovige, de atheïst, de heiden of het seculum verhalen hebben in te brengen die een eigen, nieuwe lijn opzetten naast de boektradities van hellenisme en bijbel. Op ‘de heiden’ rust geest. Petrus’ ingreep staat ten dienste van het wekken van de interesse naar andere levensbeschouwingen en het vergroten van de onderlinge verdraagzaamheid.

Voor Petrus’ optreden is binnen de pauze ruimte ingelast. Hij zou aanvankelijk acht minuten spreektijd krijgen, het zullen er achtenvijftig worden. Na de lange zit veren ingedutte kerkelijk leiders op. Petrus is geen systematicus, hij spreekt niet van het papier, maar wat hem ter plekke en puttend uit zijn beroeps- en levenservaring ‘theologisch’ invalt. De echtheid van zijn relaas en de hybris die in de standpunten van het concilie doorschemert en die Petrus zo pastoraal aankaart, daar worden zijn luisteraars stil van. En ook hier het aloude liedje: de profeet, de apostel is geen vrouw van het woord. Nadat Petrus z’n zegje heeft gedaan, was hij met z’n verbanddoos in z’n koffer weer verder gereisd. Hij is en blijft ‘een apostel’, iemand die al rondtrekkend graag zijn handen uit de mouwen steekt.

Amen