Zondag 26 mei 2019, ‘Oude kerk’ Ermelo

Preek naar aanleiding van Spreuken 9:1-18 en Matteüs 26:17-31 uit de Naardense Bijbel voor de viering op zondag 26 mei 2019 om 17.00 uur in de Oude Kerk te Ermelo

Zeer gewaardeerde gemeente,

In 1987 verschijnt op basis van een verhaal van de Deense auteur Karen Blixen de film Babette’s Feast. De titel heeft een dubbele betekenis aangezien ‘feast’ zowel ‘feest’ of ‘partij’ kan betekenen als ‘banket’ of ‘gelag’. In de film zie je hoe in de tweede helft van de negentiende eeuw in Jutland een vergrijsde lutherse gemeenschap de honderdste verjaardag van de predikant wil vieren. De film speelt vaak met het idee de werkelijkheid en de mogelijke werelden waarin een mens kan leven als een feest te zien. De film zinspeelt op ‘kansen’ die de individuen in die religieuze gemeenschap hadden kunnen benutten; het zijn inmiddels ongerealiseerde mogelijkheden waardoor die Jutlandse gemeente kleurloos en onbeweeglijk is geworden. Zo zijn er de twee vrouwen op leeftijd, predikantsdochters die samenwonen in een dorp en die beiden furore hadden kunnen maken in de showbizz en in het leger.

Babette, een voormalige, Franse kokkin, gaat jeu in de levenloze en verdeelde gemeenschap brengen. Het ligt voor de hand haar personage als een messiaanse figuur te lezen. Babette heeft haar echtgenoot, zoon en werk verloren en is uit Frankrijk op de vlucht voor de burgeroorlog tijdens de Parijse Commune van 1871. Uitgeput komt zij bij de woning van de predikantsdochters aan. In het huis van deze ‘heiligen’ zal Babette vanuit de keuken – haar kookeiland, paleis en heelal – de ziel en zinnen van de gemeenschap nieuw leven inblazen.

Via het banket dat ze aanricht en waaraan ze het laatste geld dat ze heeft spendeert, geeft ze zichzelf ten offer aan de gemeente, in de hoop dat aan die gemeenschap opnieuw ziel en doorgang wordt verleent. Die gemeenschap heeft vanuit haar spiritualiteit een argwaan ontwikkeld ten aanzien van de zintuiglijkheid. De zinnen, het sensuele zouden een mens misleiden, afleiden van al wat redelijk, waar, goed en goddelijk mag heten. Geen wonder dat vanuit die overtuiging het chagrijn en de smakeloosheid de overhand op deze mensen kreeg.

Kwartels, een schildpad, wijn, kaas, fijn linnen en kristallen glazen komen aan die maaltijd – een soort laatste avondmaal – te pas. Een van de disgenoten die inmiddels is aangeschoven, blijkt een generaal die vol lof is over het diner en volop aan het genieten is. De smaaksensaties die de gerechten effectueren en het enthousiasme van de generaal blijken onweerstaanbaar, de een na de ander geeft zich over, de gemeente is om, opgestaan uit haar doden. Dit was de maaltijd van hun leven.

De crux in de film lijkt te zijn dat Babette met haar daad uiteindelijk geen offer brengt. Een kijker die er deze visie op nahoudt, verraadt hoezeer zij of hij religieus is voorgeprogrammeerd. De maaltijd die Babette aanricht en het geld dat ze daaraan uitgeeft, is geen vorm van zelfverloochening, maar van zelfliefde. Babette is een kunstenaar die op deze wijze in haar element is en in haar scheppend wezen nooit arm is.

Het verband tussen Babette en de tekst uit Spreuken is dat wijsheid wordt voorgesteld als het schenken van inzicht dat vrijmaakt van de dood en dat naar het leven voert. In de teksten van het Oude Testament krijgt ‘wijsheid’ veelal de invulling van een verlangen naar wetenschap, kennis die op verschillende manieren een verhouding met ‘geloof’ aangaat. Die verhouding is een centraal thema in de theologie. Theologie is vanaf de elfde eeuw gedefinieerd als ‘geloof dat zoekt naar begrip’. Theologie fungeert dan als bruggenbouwer tussen kennis, die het product is van de rede en een ‘innerlijk weten’, dat gebaseerd is op geloof. Een theoloog of predikant probeert de kunst te beheersen nieuwe vragen te stellen en een ruimte te faciliteren waarin nieuwe antwoorden op wetenschappelijke vragen en geloofsvragen te formuleren zijn. Op die manier schept een theoloog mogelijkheden en zoekt een predikant naar openingen voor vitale vormen van gemeente-zijn.

Het boek Spreuken is een album, waarin een reeks vergelijkingen, beschouwingen, kernachtige gezegdes en rijmparen onder de noemer ‘Spreuken’ bij elkaar zijn gezet. Die verzameling van heel verschillende spreuken heeft tot gevolg dat er veel contradicties in Spreuken te vinden zijn – en dat is geheel naar de smaak van de ouden, want die waren van mening dat in het teken van tegenspraak ‘waarheid’ tot uiting kwam. We doen er dan ook goed aan die spreuken dialectisch te lezen dat wil zeggen, door hun tegenstellingen heen, om uiteindelijk uit te komen bij ‘wijsheid’.

In het boek Spreuken wordt de joden na een periode van ballingschap een maaltijd voorgeschoteld. De spreuken draaien om het zoeken naar een levensweg, en dat is typisch voor ‘bijbelse wijsheid’: het schetst een weg naar het leven. Met dat openbarende karakter van de wijsheid in Spreuken onderscheidt ze zich van de wijsheid zoals die in de vorm van een godin voorkomt in vruchtbaarheidsreligies. Spreuken ontmythologiseert dat type wijsheid en wie aan haar roep gehoor geeft, kan deelhebben aan een messiaans banket.

Als je leest hoe in Spreuken over wijsheid wordt gesproken, dan valt op dat ze vaak spreekt in vergelijkingen en beeldspraak. Een spreuk voldoet aan formele criteria, is poëtisch qua vorm en heeft als doel dat je haar kunt memoriseren. Op momenten dat een mens niet weet hoe in een bepaalde situatie te handelen, kan een spreuk of tegeltjeswijsheid praktisch inzicht bieden. De bijbelse wijsheid van Spreuken is geen wetenschappelijke kennis, ze wordt niet verworven door onderzoek, testresultaten en geldige redeneringen. Ze heeft meer weg van onderscheidingsvermogen, intuïtie, prudentie en begrip. Een soort ‘inzicht’ van binnenuit, waardoor je op een bepaald moment weet wat te doen en ernaar handelt. De wijsheid van Spreuken is contextafhankelijk en stoelt op hele specifieke situaties. Ze is geboren in ‘het leven van alledag’.

In dat leven van alledag speelden vrouwen een belangrijke rol. Die joodse vrouwen waren bedrijvig op plaatsen waar mensen zich verzamelden, zoals de stadspoort en de markt, en waren sociaal door mensen bij hen thuis uit te nodigen. Ze gaven leiding aan grote gezelschappen, dreven handel, produceerden voedsel en kleding, onderwezen in de Thora, droegen zorg voor minderbedeelden en organiseerden solidariteitsprojecten. Hun optreden kwam terecht in de literatuur van de periode na de ballingschap. In het kader van de leidersrol van vrouwen bekijken we nu een filmpje met de single It’s A New Day van de zangeres Anouk, die in de videoclip zelf imitaties toont van iconische vrouwen: https://www.youtube.com/watch?v=Hy6Cf9nGNiw

De invulling van wijsheid in Spreuken wordt gemodelleerd naar het beeld van die zelfstandige, actieve, onafhankelijke vrouwen. Wie weinig onderwijs had genoten of door een gebrek aan ervaring nauwelijks verstand van zaken had, ging graag bij ‘vrouwe wijsheid’ in de leer. Wilde je ‘wijs’ worden, dan liet je je door haar beleren, corrigeren, nam je de raad van anderen ter harte en wilde graag nieuwe dingen leren. Het volgen van een weg van wijsheid kon ook een oproep tot omkeer betekenen. Dan beëindigde je een levenspraxis en gaf je gevolg aan alternatieven.

Het openbarende karakter van Spreuken is gelegen in hun gidsende functie. De fakkel in Matteüs heeft eveneens een openbaringskarakter. De fakkel staat symbool voor de mens die haar of zijn leven zo leidt, dat zij of hij licht aan anderen geeft. Maar hoe anders, wellicht tegen de verwachting in, spreekt Matteüs over de fakkel. In Spreuken is de bron van haar ontstaan gangbaar en collectief, maar in Matteüs is die uniek en individueel. De olie staat voor geloof en voor dat geloof kan een mens als individu niet leunen op de olie van een ander. Matteüs is hier echt onverbiddelijk. Geen druppel kun je ervan lenen. Een mens kan haar of zijn eigen leven niet leiden als zij of hij daarvoor een beroep zou doen op andermans geloof. Ik dien zorg te dragen voor mijn persoonlijk geloof, de eigen levenstaak te volbrengen en die vraagt om toewijding. Aandachtig, met bezieling en inzet maak ik op die wijze ernst met de godsrelatie. Voor het voeden van geloof dien ik alert te zijn, ogen en oren open te houden voor mogelijkheden die zich voordoen, en die niet voorbij te laten gaan, als was ik een predikant in Jutland die het gaat maken in de showbizz.

Amen

Zondag 8 juli 2018, Kerkelijk Centrum Emmaüs Ede

Preek naar aanleiding van Jeremia 20:7-13 en Matteüs 10:16-33 uit de Bijbel in Gewone Taal voor de viering op zondag 8 juli 2018 om 10.30 uur in het Kerkelijk Centrum Emmaüs te Ede

Gemeente,

Jeremia was een priester die met de grootst mogelijke vanzelfsprekendheid zijn roeping aanvaardde. Hij was als kind veel in de tempel te vinden, hield van de rituelen en symbolen, en voerde de taken die hij daar had secuur uit. De werelden die de wierook, kaarsen en kleur opriepen, spraken tot zijn verbeelding. Ze vermengden zich met de vluchtigheid van het woord en gaven er concreet gestalte aan. Voor die sfeermakers zou Jeremia zijn leven lang oog blijven houden.

Jeremia had een democratische opvoeding genoten. Er waren regels waaraan hij geacht werd zich tot de puberteit te houden en die werden uitgelegd, beargumenteerd en stonden in het teken van zijn ontwikkeling. Zijn opvoeders hadden oog voor zijn persoonlijke interesses en gaven, en probeerden die te stimuleren. Jeremia was een artistiek kind, maakte graag nieuwe dingen en musiceerde er op los.

Het liefst schreef hij zijn eigen teksten en componeerde nieuwe muziekstukken. Uren achtereen zinspeelde hij soms op een schoon woord of een treffende noot, sloot zich in de nok van het gebedshuis op en wachtte op een moment van flow, waarin hij heel precies zijn visies en ervaringen van dat hemelse baldakijn waarin hij zich bevond, te veruiterlijken. Jeremias verbeelding was bijna grenzeloos en het waren de maatstaven van Israëls heiligdom, namelijk de discipline, de opeenvolging van handelingen en de liturgieën die dat wisten in te tomen en te kanaliseren. De leefwereld waarin Jeremia opgroeide was volwassen en de mannen die er rondliepen hadden vrouwelijke trekken.

Jeremia was gevoelig voor stemmingen en baseerde zijn besluiten vaak op zijn intuïtie. Zo ook zijn roeping. Hij leefde van de stilte, stemde zijn gehoor af op ‘de tijding van de Ene’ en had zich op religieuze gronden bestemd gevoeld tot het priesterschap. Totdat de politieke onrust in het Nabije Oosten toenam, de tempel in Jeruzalem instortte, en daarmee ook de idealen en waarden waar Jeremia in geloofde op losse schroeven kwamen te staan.

De mensen die hij wekelijks zo niet dagelijks in de tempel trof, waren niet langer gemeenteleden, maar werden ballingen. De pastorant aan het ziekbed werd een gedetineerde, de diaconale vrijwilligers slaven. De kleuren in Jeremias wereldbeeld waren verbleekt, zijn literaire en muzikale productie stopte en zielzorg leek plotsklaps een luxeartikel.

Ook ditmaal, zo dacht Jeremia, stond de Ene op de stoep. Niet om hem met gefluister of gezang zachtkens als priester naar voren te schuiven. Hij bonkte op zijn deur, hamerde op zijn slapen, beval dat Jeremia het als profeet op zou nemen tegen koningen, landvoogden, edelen, priesters en profeten. Zijn kooralbe – dat is een religieus gewaad met wijd uitlopende mouwen en een kap aan de rugzijde dat fungeert als gebedsmantel -, stola’s, koord, liedbundels, wierookdrager, scheepje, kelken en schalen kon hij thuislaten. Hij zou nu bovenal zijn intellect en in voorkomende gevallen zijn vuisten nodig hebben om zich kritisch tot man en macht te verhouden.

Jeremia had tegengesputterd, vond zichzelf geen geschikte kandidaat. Het protest, scanderen in spierballentaal, via argumentatie een maatschappelijk debat voeren, strijden om het eigen gelijk; het waren zijn vormen niet. Hij deinsde terug voor die stijl. Jeremia wil zingen, niet schreeuwen.

Maar de Ene, aldus Jeremia, bleef aandringen en had hem ‘verleid’ of liever – zo zou Jeremia het later verwoorden – in de val gelokt. Jeremia had niet de ruimte ervaren ‘nee’ te zeggen. De Ene ging niet akkoord met een weigering. Met tegenzin had Jeremia gevolg gegeven aan een publiek optreden en het was een kwelling voor hem. Het ‘godswoord’ dat voor hem als jonge priester een bron van inspiratie was geweest, waardoor het leven zich naar alle kanten opende, was een bron van ellende geworden. Zijn expressies die eerder zo bevrijdend hadden gewerkt en scheppend van aard waren, zorgden nu voor spanning en onzekerheid. Terwijl hij op een zee-engte tussen Charybdis en Scylla voer, droogden zijn ingevingen op.

Jeremia had zich bedrogen gevoeld, want zijn publieke optreden was telkens weer op een fiasco uitgelopen. Zijn klachten over de catastrofe van de ballingschap en de aanklachten die hij tegen daders richtte, haalden weinig uit. Hij maakte zich bespottelijk en voelde hoe hij door al dat gemoraliseer afstompte. En hoe harder hij riep dat ‘de Ene’ met hem was, hoe minder zijn opponenten hun rede hoefden in te zetten, en des te meer Jeremia zelf niet langer in zijn exclamaties geloofde.

Waardoor lijdt de mens Jeremia? De vraag “Waaraan lijdt u?” is misschien wel een typisch christelijke vraag en voor degene die er een antwoord op weet, is verlossing mogelijk voorhanden. Vanuit de natuurkunde kan een mens vragen naar de oorzaak van ‘gebeurtenissen’ of verschijnselen, juist omdat de natuurkunde zich bezighoudt met fenomenen die waarneembaar en meetbaar zijn. Ze richt zich op de structuur van het zichtbare, de interactie tussen basiselementen in ruimte en tijd om uiteindelijk een verklaring te bieden. Als het om menselijk gedrag gaat, en lijden in het bijzonder, dan is de vraag naar oorsprongen en redenen problematisch. Wie kan ‘aanwijzen’ waar lijden begint, wat het veroorzaakt en hoe het op te heffen?

In het Oude Testament ontmoeten wij auteurs – zo ook in Jeremia – die moeite hebben een pijnlijk probleem te analyseren, maar uiteindelijk via zelfinzicht zichzelf weer op de been helpen. De enige ‘uitweg’ die Jeremia had gezien, was de rollen om te draaien en geen protest aan te tekenen tegen de onderdrukker, maar een poëtische klaagzang aan te heffen aan het adres van de Ene. Het is een wanhoopspoging die van Jeremia twintig vers zeven tot dertien een biecht, religiekritiek en geloofsbelijdenis ineen maken.

Ook in het Nieuwe Testament – zo ook bij de evangelist Matteüs – getuigen auteurs van het besef dat als er sprake is van menselijk lijden het lastig is de vinger op de wond te leggen, met één groot verschil ten opzichte van het Oude Testament, namelijk dat in het Nieuwe Testament vaak de opvatting terugkeert dat de persoon die lijdt geen goed zicht heeft op de oorsprong van haar of zijn lijden, en dat het een ander is die haar of hem van haar of zijn lijden kan verlossen.

Indien Jeremia op Matteüs’ sofa zou plaatsnemen, dan zou Matteüs vanuit zijn evangelische diagnostiek tot de conclusie komen dat Jeremia een categoriefout maakt, dat wil zeggen van een begrip gebruikmaakt naar analogie van een begrip dat tot een andere categorie van begrippen behoort. Volgens Matteüs had Jeremia zich niet in zijn religieuze zelfverstaan vergist, maar wel in de wijze waarop ‘het politieke spel’ in een wereld die hij niet goed kende en waar hij zelf niet bekend was, wordt gespeeld. Als een schaap te midden van wolven had de Ene Jeremia uitgezonden. Jeremia heeft vrijwel zijn gehele leven in de bewierookte werkelijkheid van de tempel geleefd. Nu zet hij een paar stappen in een politieke buitenwereld waar hele andere ‘sociale codes’ gelden. Hier gold het recht van de sterkste, hier kon je slechts overleven door sluw en simpel te zijn. Nuance, complexiteit, creatief denken en solidariteit met de zwakke wekten argwaan. Wat had Jeremia van zijn tegenstanders verwacht? Een warm onthaal?

Matteüs kijkt met heel andere ogen naar Jeremia dan de manier waarop Jeremia zijn situatie inschat. In Matteüs’ vocabulaire vindt een subtiele omkering plaats. Het woord ‘lijden’ wordt in het licht van zijn evangelie omgedoopt tot ‘getuigen’. Matteüs situeert Jeremias jammerklacht – en Jeremia heeft nog zoveel geestkracht in zich dat op dichterlijke wijze te doen en zijn ‘klaagkunst’ te rangschikken – met terugwerkende kracht in een profetische beweging en duidt Jeremias klaagpsalm als een staaltje van goddelijk geïnspireerde taal. Een mens die haar of zijn samenleving wilde bouwen op de vernieling van de religie en enkel zekerheid vond in wetten en instituties voelde zich bedreigd. In zo’n situatie produceren kunstenaars die een cultuur stutten en tot bloei laten komen vooral martelaarsakten, omdat ze in de openheid en ruimte die ze nodig hebben om hun scheppingen gestalte te geven worden beknot.

Jeremia had de brui aan zijn carrière als profeet gegeven, was gaan reizen, leefde als een nomade en zou zijn reisverhalen pas veel later bundelen en uitgeven. Van de samenleving – een hersenschim zo leek het hem nu – verwachtte hij nog weinig. Van individuen des te meer. In Jeruzalem had hij Matteüs getroffen die zich in een vergelijkbare situatie bevond. Jeremia had zijn hart bij hem uitgestort en Matteüs was opgetreden als een priester en compagnon. Beiden wonen samen in het Quartier Latin van de hoofdstad van het Joodse land. Ze behoren tot dezelfde huishouding.

Amen