Tag Archives: Marcusevangelie

Zaterdag 26 oktober 2019, ‘Molentocht’ Purmerend

Preek naar aanleiding van Jesaja 35:1-10 en Marcus 7:31-37 uit de Naardense Bijbel voor de gebedsviering op zaterdag 26 oktober 2019 om 10.15 uur in Molentocht te Purmerend

Zeer gewaardeerde gemeente,

Waarvoor gebruikt u uw spraakvermogen en uw gehoor? In de proloog van het boek The Poetry of Thought vraagt de Frans-Amerikaanse denker en schrijver George Steiner zich af hoe de filosofische concepten en de metafysische verbeeldingen van een doofstomme eruitzien. Hij stelt die vraag omdat alle filosofische acten, elke poging om überhaupt te denken, bemiddeld worden door taal. Toch is er in de wereld van theologie en filosofie het verlangen te bespeuren te ontsnappen aan de taal.

Het verhaal van de genezing van een doofstomme uit Marcus 7 vers 31 tot 37 maakt deel uit van een verhalencyclus waarin een genezing plaatsvindt binnen heidens gebied. Bijbels gesproken staan we op barbaarse grond, want iemand die doofstom is brengt voor een mens die de taal machtig is dierlijke, incoherente klanken voort. Welke wereld bewoont de doofstomme mens in onze tekst? En, hoe begrijpt een doofstomme de wereld van een horende? In een wereld van doofheid geboren worden betekent opgroeien in een geluidloze wereld. Een horende kan die wereld omschrijven als leven in een kooi of achter een glazen wand. Voor een mens die zich in een taalgemeenschap bevindt, kan de wereld van een stomme primitief, ongecultiveerd lijken. Het is een stadium van ongearticuleerdheid dat ieder mens die leert spreken in de kindertijd ontstijgt. Bij een baby is in de fase van taalverwerving waarin spraakklanken worden geoefend zonder dat ze tot betekenisvolle eenheden worden verenigd sprake van brabbelen. De figuur in Marcus 7 vers 31 tot 37 bevindt zich in een conditie van woestheid en ledigheid. Hij brabbelt en haspelt. Zijn attitude jegens het woord is vijandig en gesloten. Wij treffen hem in een periode van taalkundige ballingschap.

Een persoon die in staat is zich te verzetten tegen de taal lijkt zich bewust te zijn van de mogelijkheden en implicaties van het gesproken woord. De dove man in het evangelie heeft een keuze gemaakt, verricht een daad van protest. Hij heeft zichzelf een spreekverbod opgelegd. Wanneer we de grondwoorden die in verband met zijn ‘stomheid’ worden gebruikt erop naslaan dan lijkt ‘moeilijk’ of ‘met een schorre, holle stem spreken’ meer op zijn plaats.

Nu zou je het evangelie op naam van Marcus kunnen lezen als het werk van een auteur die zijn geschrift schreef in een gecodeerde taal. Met het oog op politieke autoriteiten verpakt hij zijn boodschap uiterst voorzichtig in de vorm van een genezingsverhaal. De doofstomme staat symbool voor een tijdgenoot van Marcus in wie hij een klokkenluider ziet. Marcus zou graag zien dat de doofstomme zijn beslissing om voor stommetje te spelen opgeeft, misstanden binnen een systeem openbaar maakt en het met het verbreken van het zwijgen opneemt voor een monddood gemaakte minderheid.

We kunnen de positie van de moeilijk sprekende dove ook meer psychologiserend uitleggen. De ‘stomme’ is in dat geval te omschrijven als iemand die moeite heeft om haar of zijn opinie te vormen en zich te uiten in het bijzijn van anderen. Vergelijk haar of hem met een persoon die tijdens een vergadering nauwelijks aan het woord komt, geen spreektijd vraagt en op die manier geen ruimte durft in te nemen.

De stomme staat in een schare en verneemt op die plaats nauwelijks nog zijn eigen stem. Het besef dat hij zelf iets te zeggen heeft wordt niet geactiveerd. In de massa kan de enkeling zichzelf vergeten en raakt op die wijze niet alleen van zichzelf vervreemd, maar ook geïsoleerd van de wereld. Hij wordt er niet echt zichzelf. Wanneer die situatie is doorzien gaat Marcus heel pastoraal te werk. Hij arrangeert een ontmoeting tussen hem en Jezus waarbij de doofstomme op het niveau wordt aangesproken waarop hij zich bevindt. Hij ontvangt een persoonlijke uitnodiging en Jezus benadert hem via een vermogen dat bij de doofstomme mogelijk in vergevorderde staat was ontwikkeld: de tastzin. Als wij signaleren dat een persoon in groepsverband moeilijk uit de verf komt en een zetje nodig heeft om het woord te nemen dan kun je in de communicatie affectie tonen. Je probeert iemand op haar of zijn gemak te stellen, op te beuren, op een uitnodigende manier te behandelen door de persoon in kwestie vriendelijk toe te spreken. Door aanmoediging en verzoeken kun je als gesprekspartner moeite doen om het miniemste woord of kleinste teken over iemands lippen te krijgen. Het zijn interventies die pogen de deur bij de ander open te krijgen.

In onze tekst echter is die wijze van benaderen niet passend. Marcus was namelijk op een uitgeblust mens gestoten die in een wereld leefde waar de dingen ophouden vertaalbaar te zijn en een menselijke situatie niet langer inleefbaar is. Marcus’ pogingen zijn sprakeloze tijdgenoot aan het praten te krijgen hadden niet gewerkt. Vergelijk zijn situatie met je eigen streven iets voor elkaar te krijgen dat ondanks het toepassen van diverse strategieën niet lukt. Je kunt je geduld verliezen, er wanhopig van worden, de ogen ten hemel slaan en zuchten: God, waar ben je? Dat Marcus vervolgens nogal rigoureus te werk gaat in zijn aanpak van de man heeft niets te maken met de eenvoud van zijn Grieks, maar eerder met de inadequaat gebleken tactieken waarmee hij had geprobeerd de radiostilte tussen hem en zijn tijdgenoot te verbreken. Wilde hij echt naar de wereld van deze doofstomme man toegaan, dan diende hij dieper te reiken dan in te zetten met sociale en communicatieve vaardigheden. De doofstomme leert niet zijn eigen zegje te doen door hem vriendelijk toe te spreken. Marcus moest roepen om zijn spraak te motiveren, zo niet schreeuwen om gehoor te vinden; woelen en spitten in een wereld van voor de taal, in de hoop dat de ander uit het graf komt dat hem omsluit, ergens voor uit durft te komen en zichzelf wordt.

Ik denk ook niet dat je dit genezingsverhaal, zoals wel is gebeurd, als een zogeheten wonderverhaal moet lezen, zoals wel is gebeurd om de figuur van Jezus van Nazareth de status van een god te verlenen. In een wonderverhaal blijft een bepaald gegeven onopgehelderd. Van magie en mysterieuze dampen moet een mens die uit is op precisie doorgaans weinig hebben. Een exegeet kan er dan nog voor kiezen een allegorische interpretatie van het verhaal te geven. De hoofdpersonages worden in zo’n uitleg symbolen. Vanuit een rationale blik op het verhaal worden al die verhaalelementen waar we niet mee uit de voeten kunnen gemythologiseerd of vergeestelijkt. Voor de rede heeft een genezingsverhaal zonder tussenkomst van erkend medisch-wetenschappelijk onderzoek iets gênants.

Vanwege een verlegenheid met de ongerijmde aspecten van het verhaal ligt de focus bij dit verhaal ook niet zozeer bij de genezing zelf en de methode waarop die genezing heeft plaatsgevonden, maar op het effect ervan. Want, hoor toch eens en komt dat zien! Zoals Jesaja 35 vers 1 tot 10 in het teken staat van een beweging waarin een uittocht plaatsvindt, zo wordt in Marcus 7 vers 31 tot 37 verhaalt hoe een mens verlost wordt van verkramping. Het is de beschrijving van een levensgebeurtenis die leidt tot het einde van een gevangenschap dat vreugde schept en het leven van die ene mens doet bruisen. Het onderhavige verhaal laat zich dan ook lezen als een opstandingsverhaal. De steen wordt voor de mond van de doofstomme weggerold. Door uit een menigte te treden, treedt hij uit een sprakeloos verleden. De overgang van iemand zijn met een spraakgebrek naar iemand die zich de taal weer actief eigen maakt zal een verschil van dag en nacht betekenen voor de manier waarop deze mens zichzelf en de wereld ervaart. Er gaat een wereld voor hem open! De doofstomme gaat zo in de wereld staan dat de dingen gaan spreken en niet stom blijven. Het was wellicht het duwtje in de rug dat hij nog nodig had om van een stamelaar een redenaar te maken.

Wie vrijheid leert kennen waar zij of hij eerder gevangenschap ervoer, een situatie of onvermogen waarin je opgesloten lijkt te zitten en wie voor zichzelf mogelijk geen wegen ziet om daar vanaf te komen kan er goed aan doen zich door een ander een handje te laten helpen. Het overwinnen van een onvermogen, capabel en misschien zelfs deskundig worden op een bepaald terrein kan tot gevolg hebben dat je met nieuwe ogen en oren in de wereld rondloopt.

Amen

Zondag 14 april 2019, ‘Koepelkerk’ Arkel

Preek naar aanleiding van Psalm 118 uit 150 psalmen vrij van Huub Oosterhuis, Marcus 11:1-11 en Marcus 14:1-15 uit de Willibrordvertaling voor de viering van Palmzondag op 14 april 2019 om 10.00 uur in de Koepelkerk te Arkel

Gemeente,

In de debuutroman Vertrek van station Atocha van Ben Lerner lees je hoe de Amerikaanse dichter Adam Gordon zich telkens op een kruispunt van wegen bevindt en afwegingen maakt tussen keuzes waarbij ofwel de rede de doorslag geeft, ofwel hij zich door zijn hartstocht laat leiden. Gordon heeft een stipendium gekregen om in Madrid een jaar onderzoek te doen naar de invloed van de Spaanse burgeroorlog op de poëzie, maar verkiest het onder invloed van marihuana en kalmeringspillen door het Prado te zwerven. Het zijn dit type dilemma’s die Lerner in de roman presenteert en via Gordon ook de lezer(es) aanreikt.

Een lezer(es) van romans is een estheet in de zin dat de lezer(es) met een zekere distantie van en over de levensloop van een onbekende ander leest. Toch kun je als auteur een literaire compositie zo rangschikken dat ook de lezer(es) uit die esthetische houding wordt gemanoeuvreerd. Met behulp van schrijf- en presentatietechnieken kan de auteur de lezer(es) bij zichzelf en haar levenskeuzes bepalen. Adam Gordon verlangt naar een ervaring van ‘het sublieme’ die hem boven de historiciteit uittilt en probeert schema’s te construeren waarin de verhoudingen tussen taal, kunst, werkelijkheid en waarheid overzichtelijk zijn. De climax zit in hoe Adam omgaat met de aanslag die in 2004 op het treinstation Atocha wordt gepleegd. Hij maakt deze historische gebeurtenis in Madrid mee, is erbij, maar neemt hij er ook aan deel? Deelname maakt van een estheet een ethicus. Adam kan er ook toe besluiten in de rol van toeschouwer aan de zijlijn te blijven staan en wat zich op het treinstation afspeelt vanaf een afstand registeren, er foto’s van te maken, beelden van te volgen op de televisie en erover te lezen via de journalistieke berichtgeving.

In de Joodse liturgie eindigt het pascha-hallel met Psalm honderdachttien die je kunt lezen als een processie. De processie is een plechtige optocht van priesters en leken binnen of buiten een religieus gebouw waarbij vaak een kruis of een sacrament wordt rondgedragen. In Nederland worden in de plaatsen Overdinkel, Boxtel, Boxmeer en Sittard processies gehouden. Wie fotomateriaal van deze processies uit de tweede helft van de twintigste eeuw bekijkt, ziet hoe mensen zich hebben verkleed als bruidje, koorlid, preister, engel, herder, boeteling, Maria en sint Nicolaas, Romein te paard, Christus en Pilatus en zich omringen met attributen als vaandels, reliekschrijnen en kaarsen. Wat doen mensen in een processie en de tijd die eraan voorafgaat?

De voorbereiding op een processie kun je karakteriseren als het optuigen van mensen die van een gebeuren gaan getuigen. Ze maken zich op, spelen een rol en imiteren in hun ritueel een sociaal-religieuze dynamiek, waarin ze laten zien dat theologisch recht het uiteindelijk aflegt tegen juridisch recht en de opinievorming van de massa, maar dat het ook anders kan. Het is de massa die als een onbepaalde, gezichtsloze hoeveelheid mensen aan de kant staat te kijken en eventueel leuzen scandeert die mogelijk door de beweeglijkheid van de individuele spelers in de processie uit elkaar valt en van haar plaats komt. Op het moment dat de processiegangers de straat opgaan en in een lange optocht een weg afleggen, dan creëren zij de mogelijkheid dat de toeschouwer, die wellicht aarzelend en beschouwend dit gebeuren van een afstand gadeslaat, de stap zet mee te doen aan wat hier wordt gespeeld en uitgebeeld. Uit de rol van toeschouwer en in de rol van participant wordt een mens geloofsgetuige. Zij of hij wordt als het ware in het gebeuren getrokken, verkrijgt de status van betrokkene, maakt er deel van uit.

Die transitie heeft mogelijk gevolgen voor de eigen beleving van een religieus ritueel en voor de eigen reflectie op de plaatsbepaling van ooggetuige en geloofsgetuige zijn. Zo kan de ooggetuige worden opgeroepen om voor de rechter een verklaring af te leggen en plaats, tijd en handelingen te bevestigen. Wat een geloofsgetuige in onderscheid van een ooggetuige doet, is zich via de verbeelding relateren aan een voorziene werkelijkheid die zij of hij vervolgens in de eigen existentie tot uitdrukking brengt. Een geloofsgetuige toont iets van een werkelijkheid die zij of hij zelf wel heeft waargenomen en die voor derden onzichtbaar is.

In Nederland is er onder protestanten een belangstelling voor de traditionele katholieke geloofsrituelen van pelgrimages, processies en heiligenverering en er lijkt sprake van een omgekeerde beeldenstorm nu iconen, kunst en beamer vaak onderdeel uitmaken van een protestantse viering. Die herwaardering is te situeren in een brede cultuur waarin de beleving een centrale rol speelt. Ook binnen de religie lijkt er naast het intellectuele aspect meer aandacht en ruimte te komen voor de gevoelswereld. De beleving kan een toegangsweg zijn voor het je eigen maken van bepaalde religieuze kennis. Wie echter de wereld van hedendaagse processies en iconen wil begrijpen, mag aan het getuigenisgehalte gevolg geven. De icoon trekt je als je in het doek stapt.

De processie doet een handreiking om grip te krijgen op een menselijk drama door in eigen naam in de lange stoet mee te gaan lopen. Op die belichaming is ook de lieddichter van Psalm honderdachttien uit. De eerste ietwat plechtige oproep tot lof is gericht aan het adres van priesters, zij die in het huis van Aäron zijn geboren en dus bij God kind aan huis waren. De tweede categorie mensen die aangesproken wordt, zijn de proselieten, mensen die huiverden bij alleen al de gedachte aan een god. De dichter gaat vertrouwelingen en vreemdelingen via de processie in beweging brengen. De groep van intimi spreekt hij vooral toe met imperatieven. Hij roept ze op om in een soort heilige dans geloofsuitspraken te proclameren om de onbuigzamen, de notabelen in zijn tijd uit te dagen.

Vervolgens vertolkt hij een persoonlijk geloofsgetuigenis, waarmee hij de prominenten wil overtuigen waarom het verkieslijker is af te gaan op theologisch recht, dan op het decorum van historische instellingen. Hij plaatst de lezer(es) voor een keuze. Gedurende een onveilige situatie in zijn habitat in het Oude Nabije Oosten was hij omsingeld. Tijdens de belegering van Jeruzalem was hij omringd door mensen die hem tegenstreefden. De indruk dat zijn laatste uur heeft geslagen, vormt de aanleiding voor een religieuze ervaring: met de dood voor ogen zet hij een lofzang in. Is het mogelijk triomfantelijker met de dood om te gaan?

De dreiging en mishandelingen die hij in een oorlogssituatie onderging, maakten dat hij zich met de dood voor ogen enkel nog verliet op hemelse muziek. De ervaring van deze oorlogsoverlevende hadden van een lijdende die het geweld schuwde een dichter gemaakt. De schone woorden die uit zijn mond komen, putten uit een bron van oorlogsterreur. In zijn reis naar het einde van de nacht had hij zich de gevaren en zinloosheid van bewapening en collectief georganiseerde moordpartijen waarvoor mensen in de rij waren gaan staan, gerealiseerd. Als een hijgend hert was hij aan de jacht ontkomen en zijn vredesvoorstel is een relatie aan te gaan met een niet-zintuiglijk waarneembare werkelijkheid, omdat alleen die er volgens hem in slaagt dat mensen elkaar niet bevechten. De mens die zichzelf met bladertakken rond het altaar van de Ene plaatst, lijkt goed in staat zich te ontledigen van eigen overtuigingen en belangen en haar of zijn bestaan te voeden met dat van de ander.

Marcus is evenals de psalmist een getuige die een lijdensaankondiging doet. Hij past zijn messiaanse verwachting toe op de intocht van Jezus van Nazareth. Hij beschrijft die scènes niet als een poëet in galant Griek. Marcus bedient zich van een vlotte volkstaal. Hij stond ooit aan de kant en zag in de joodse komaf van Jezus en de conflicten die hij tegelijkertijd met de Joodse en religieuze leiders in zijn context had de voorbode van een vroeg levenseinde. Marcus had hem als ooggetuige niet kunnen redden van de dood, maar beseft wel hoe je de religieuze mens die uiteindelijk in het beklaagdenbankje komt te zitten kunt helpen de dood onder ogen te zien en enigszins draaglijk te maken.

Marcus zou Jezus vereeuwigen en een schat van een vrouw op hem afsturen. In haar blijk van genegenheid biedt ze verzachting voor de dood die ophanden is en verspreidt ze de geur van de mens die in staat is tot opoffering. Een ter doodveroordeelde of terminaal patiënt kan een laatste maaltijd met dierbaren intens beleven. De gelovige kan in de eucharistie de anticipatie op de eschatologische maaltijd met God lezen. Die schaarse momenten waarop een mens instaat voor de ander kun je de vleeswording van het evangelie noemen. Als toejuiching en “Hosanna red me” niet meer baten, kunnen de daden van mensen die present zijn en elkaar in gemeenschap op handen dragen troost bieden.

Amen