Zondag 14 februari 2021, Open Pastoraat Gorinchem, zondag 21 maart 2021, Ontmoetingskerk Lelystad, zondag 28 maart 2021, Eben-Haëzerkerk Pernis & zondag 1 augustus 2021, Dorpskerk Doeveren

Preek naar aanleiding van Genesis 9:18-29 en Openbaring 20:12-21:1 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op zondag 14 februari 2021 om 10.00 uur in De Harmonie van het Open Pastoraat te Gorinchem, op zondag 21 maart 2021 in de Ontmoetingskerk van de Protestantse Gemeente Lelystad, op zondag 28 maart 2021 om 9.30 uur in de Eben-Haëzerkerk van de Gereformeerde Kerk Pernis en op zondag 1 augustus 2021 om 10.00 uur in de Dorpskerk van de Hervormde Gemeente Doeveren

Gemeente,

Wanneer we een bijbelse tekst lezen, doen we er goed aan spreekwijzen en woordgebruik te decoderen. De bijbelschrijvers gebruiken vaak heel eigen formuleringen en termen die vaak niet samenvallen met ons begrip ervan. Zo is bijvoorbeeld het woord “zee” in de tekst uit Openbaring 21 geen geografische aanduiding voor de uitgestrektheid van zout water die het grootste deel van de oppervlakte van de aarde bedekt. De zee waarvan in Openbaring 21 wordt gesproken, is symbool voor wat onrustig, labiel is. De taal van veel bijbelschrijvers is beeldend. In het Midden-Oosten is men sterker dan in Europa geneigd de dingen poëtischer, metaforischer, verhalender en daarmee indirecter, onuitdrukkelijker te verwoorden. Die beelden moet je vertalen naar wat de auteurs ermee wilden zeggen.

De zee als symbool van het onrustige, labiele komen we ook tegen in de wereld van de tekst uit Genesis 9 vers 18-29, een fragment uit een verhaal waarin delen uit mythen en sagen is verwerkt, en dat voorzien is van een theologische motivatie. De periode van de zondvloed, dat wil zeggen ‘het water dat te gronde richt’, is voorbij. Noach kwam er als overlevende van een ramp, als rest, uit tevoorschijn. Meer nog dan een kosmische catastrofe, een natuurramp, wordt met de zondvloed een morele ramp bedoeld. Het is heel bijbels om eerst een sfeer van anti-schepping te creëren in de betekenis van vernietiging, dood en ondergang en dan de geboorte van een nieuwe mens te introduceren. Te midden van moreel verval was Noach een zogeheten rechtvaardige. Op basis van die status wijzigt hij, in de visie van de anonieme auteurs en redacteuren van Genesis, aangevuld door de inspiratie van de overleveringen van de gemeenschap waarbinnen het boek Genesis is ontstaan, ternauwernood het externe oordeel over het voortbestaan van diezelfde semi-nomadisch levende gemeenschap en redt het menselijk leven door een geografische verplaatsing. Noach tekent met zijn op intuïtie, verbeelding, tijdswaarneming en wilskracht gebaseerde handelingen ook een gelovig bestaan uit.

De voortgang van het menselijk leven op aarde, dat was volgens de samenstellers van Genesis kantje boord. Om te voorkomen dat het bestaan teniet wordt gedaan, begint Noach opnieuw. Hij is uitgangspunt van toekomst, de basis van zijn nieuwe wereld. Noach staat dus symbool voor het nieuwe begin dat een mens na een periode van zondvloed kan maken. Dat nieuwe begin of opnieuw beginnen is voor Noach tegelijkertijd een probleem. Een nieuw begin, opnieuw beginnen, kan dat eigenlijk wel? En zo ja, hoe dan? Noach is gewatermerkt, gevormd door zijn geschiedenis, heeft een apocalyptische ervaring opgedaan en is nu gedoopt tot eerstgeborene van een nieuwe mensheid. Mijn hemel, ga er maar aanstaan! Hoe gaat hij zichzelf opnieuw vormgeven, zichzelf anders uittekenen dan voorheen? Noach wordt boer. Hij vervult daarmee de rol van een mens die de grond bewerkt en, raakt bedwelmd van alcohol. Als ik commentaren op de tekst nasla dan valt daarin te lezen dat alcohol deel uitmaakte van Kanaänitische rituelen, waarbij ook vormen van seksualiteit hoorden. Echter, er is ook een ander commentaar op de dronkenschap van Noach mogelijk en wel door deze te benaderen vanuit de Deense film Druk uit 2020.

Het scenario van de film Druk, in het Nederlands Dronken, werd geschreven door Thomas Vinterberg, die de film eveneens regisseerde. De hoofdrollen in deze film worden gespeeld door vier personen, mannen op middelbare leeftijd die werkzaam zijn als docent in het voortgezet onderwijs, en die verzadigd zijn van het leven, of liever, door de dood in de vorm van gewenning, verveling, desinteresse en monotonie. In de film testen ze op een systematische manier de theorie van de Noorse psychiater Finn Skårderud, die claimt dat mensen vanaf de geboorte een tekort van 0,5 promille alcohol in hun bloed hebben. Een promille van 0,5 alcohol in het bloed zou mensen door gematigd controleverlies creatiever, ruimdenkender, meer interactief en professioneel succesvoller maken. In de film worden Winston Churchill, Franklin D. Roosevelt en Ernest Hemingway als voorbeelden genoemd van personen die onder invloed van alcohol succesvol waren: de eerste twee door een wereldoorlog te winnen en laatstgenoemde door literatuur te produceren. De vier docenten voeren groepsexperimenten uit door de sociale effecten te onderzoeken van gecontroleerde alcoholconsumptie. Terwijl alcohol in de negentiende eeuw in Denemarken een middel was voor mensen uit de arbeidersklasse om de slechte arbeidsomstandigheden te verdragen, vertegenwoordigen de acteurs in Druk de middenklasse in de eenentwintigste eeuw die er via alcoholconsumptie voor kiest zich te onthechten van de eigen routines met als doel zich weer levend te voelen. En wellicht speelt de protestantse achtergrond van Denemarken déze rol, dat in een cultuur waar alcohol een uitzondering vormt, deze tot excessieve consumptie kan leiden, terwijl in een land met een katholieke achtergrond, zoals Frankrijk, waar men veel bourgondischer met alcohol omgaat door alcohol meer te integreren in het dagelijks leven, minder reden is tot excessieve alcoholconsumptie.

In een interview geeft de scenarioschrijver en regisseur Thomas Vinterberg aan, dat de film niet primair over alcohol handelt. De film gaat vooral over levend zijn, gewekt worden of ontwaken, specifieker, over zelfpresentie en de revitalisering van het eigen leven na stagnatie. Die stagnatie kan optreden door het opbouwen van routines, gewoontevorming waarbij gewoonten na herhaling gedachteloos kunnen worden uitgevoerd, alsof je er zelf niet meer bij bent of in meedoet. De acten hebben dan de controle van de actor, de agent overgenomen en dit resulteert in geautomatiseerd gedrag. Een vraag die dan kan ontstaan is: wie ben ik of waar blijf ik in dat gedrag? Herhaaldelijk uitgevoerde gewoonten kunnen bovendien tot het ervaren van een egalisering van de werkelijkheid leiden. De werkelijkheid die niet gegeven is en waar je je niet tegenover bevindt, maar die je zelf mede vormgeeft, die telkens weer anders gepercipieerd kan worden en waarin je je bevindt, wordt onder de invloed van herhaling gestandaardiseerd, genormaliseerd.

De hoofdrolspelers in de film Druk stellen zich bloot aan risico’s en wakkeren het leven in hen daardoor aan. Ze zijn op zoek naar controleverlies, de bevrijding van een karakter, de rollen die zij in hun leven spelen nu zij zichzelf in hun werk hebben gerobotiseerd en zich in hun relaties door imitatie conventioneel hebben leren gedragen. Dagelijks ervaren zij de macht van de sleur als een vorm van doodsheid. In het geven van hun lessen waren ze te repetitief, voorspelbaar en veilig geworden, in hun gezinsleven te algemeen gangbaar, rolvast, geijkt. De morele verplichtingen die zij in die verbanden nakwamen waren in lijn met de maatschappelijke opvattingen over wat gepast is, betamelijk, maar het conformisme aan die sociale normen stelde hen niet in staat creatief te zijn. En dus wilden zij zichzelf verliezen, herwinnen, verdrinken en vernieuwen door zich te intoxiceren met een middel dat enerzijds vreugde brengt, het loskomen van patronen en anderzijds tegelijkertijd een gevaar vormt, de afhankelijkheid van een gif dat tot destructie kan leiden.

Noach zat al ruim een maand in zijn eigenhandig gebouwde ark in quarantaine en heeft het gevoel langzaam dood te gaan. Dagen hadden zich aaneen geregen, een grijze mist had Noach het zicht op zichzelf en de buitenwereld ontnomen. Het water had niet langer gegolfd, maar murmelde tegen zijn slapen. Het leste zijn dorst niet langer, maar deed hem verdrinken. Ook Noach was niet langer present in zijn eigen leven. In zijn ark, doos van eentonigheid, werd hij het object van verstrooiing, hij verzoop en vergat. Nu zet hij voet aan wal en staat voor de uitdaging zichzelf in een onbekend land opnieuw uit te vinden. Hij wordt landbouwer, wijnhandelaar, de eerste slijter van het Oude Testament. De aard van Noachs vernieuwing is echter tweeledig. Het leven dat ontspringt aan zijn nieuwe bron van bestaan, is ook datgene waarvan hij zo in vervoering raakt, dat het hem benevelt. Uit zijn beperkte leefomgeving en opnieuw in de wijde wereld confronteert Noachs nieuwe bestaanswijze hem ook met grenzen.

Het voorafgaande zou ons kunnen bepalen bij het belang van het ervaren van een verlies aan creativiteit, opgevat als het uitblijven van het bruisende, niet langer geprikkeld of uitgedaagd worden en geen vreugde meer beleven. Mensen kunnen als gevolg van herhaling een dermate grote afname van betekenis ondervinden, dat ze zich niet langer levend voelen. En u, bezigt u graf-gewoontes? Waardoor voelt u zich levend, wordt u tot leven gewekt? Door wie wordt u uitgenodigd te drinken uit bronnen van leven? Wat is er voor u voor nodig om creatief te worden of, onder welke omstandigheden bent u het meest creatief? Hoe wordt u verliefd, creëert u extase – ook in groepsverband –, wanneer voelt u zich euforisch, gewichtloos? Waardoor raakt u geïnspireerd? Waar krijgt u ideeën van? Als uw handelingen eerder dode werken zijn dan dat zij uzelf en anderen inspireren, waarom zou u ze dan blijven uitvoeren?

Een mens kan zich in het leven door veel invloeden laten bedwelmen, maar wellicht is uitgerekend de soberheid van de werkelijkheid het stimulerende middel waardoor je bij uitstek kunt voelen dat je echt leeft, doordat je die werkelijkheid in hypernuchtere toestand als ongewoon en waardevol kunt zien.

Amen 

 

Gereformeerde kerk Waarder, 18 juni 2017 en Marktpleinkerk Hoofddorp, 25 juni 2017

Preek naar aanleiding van Jesaja 55:6-13 en Romeinen 7:14-25a uit de Naardense Bijbel
voor de viering op de eerste zondag na Trinitatis op 18 juni 2017 om 18.30 uur in de Gereformeerde kerk te Waarder en op de eerste zondag van de zomer op 25 juni 2017 om 09.30 uur in de Marktpleinkerk te Hoofddorp

Gemeente,

Een mens kan in haar of zijn leven meerdere aspiraties koesteren die onderling onverzoenbaar zijn. Het haken naar de verwezenlijking van verschillende verlangens kan een bron van conflict zijn. Als een dergelijk conflict op de lange termijn onopgelost blijft, kan het tot chronische stress lijden. Een mentale strategie om een dilemma op te lossen, is te discrimineren met behulp van een toegevoegd criterium. In dat geval wordt niet langer gekeken naar de inhouden, het object van naast elkaar staande en even hevige verlangens, maar vormt bijvoorbeeld tijdsduur de doorslaggevende standaard voor het maken van een keuze voor een van beide innerlijke behoeften.

Op die wijze kun je Jesaja vijfenvijftig vers zes tot dertien lezen, namelijk als een conflicthanteringsdocument. Sion is gedwongen uit Jeruzalem vertrokken, als balling weggevoerd naar een ander land. Ze ging er vanuit dat haar verblijf tijdelijk was, een soort lange logeerpartij, maar naarmate de jaren verstreken, leek een terugkeer naar Jeruzalem haar steeds onwaarschijnlijker. Ze zocht toenadering tot mensen in haar nieuwe woonomgeving, bouwde netwerken op, had een baan gevonden, een partner versierd en was actief op het gebied van cultuur en religie. Ze was geïntegreerd, voelde zich thuis op haar huidige adres en had haar oude leefstijl inclusief godsdienst achter zich gelaten.

Op een dag ontving Sion een oproep of ze zich niet verkiesbaar wilde stellen voor het Israëlische parlement. Ze had daar wel oren naar, al was het maar omdat de feminisering van de Joodse politiek wat haar betreft een volgende stap mocht zetten. Ze wist ook direct dat ze werkgelegenheid als speerpunt op het politieke programma zou zetten. Sion voelde zich heen en weer geslingerd tussen een oude wereld waarvan ze dacht dat die ‘niet meer was’ en haar recentelijk opgebouwde leven in Europa. Ze had ruggespraak gehouden met een vriendin die in het verleden naar Afrika was geëmigreerd, daar een koffieplantage was gestart, een mede door de Afrikaanse orale vertelcultuur gevierd auteur van verhalenbundels was en zitting had genomen in de gemeenteraad van haar geboortestad. Hoewel die vriendin de nadruk legde op haar eigen, singuliere ervaringen die niet als uitgangspunt konden fungeren voor een advies aan Sion, klonk in haar betoog wel door dat ze terughoudend was in haar enthousiasme voor een terugkeer naar oude geloofswortels en de oprichting van een liberaal jodendom dat integratie met een seculiere maatschappij voorstond.

Sion hinkte op twee gedachten, maar helde na dit gesprek toch over naar de optie vooral te blijven zitten waar ze zat. Totdat er een brief, Jesaja’s epiloog, bij haar op de deurmat viel, er opnieuw tweespalt werd gezaaid en Sion weer terug bij af was. In zijn openingsvers had Jesaja de kreet van een straatventer nagebootst en in z’n gehele nawoord zou hij dat karakter van een marktkoopman die zijn waar probeert te verkopen, blijven behouden.

Sion kende Jesaja nog uit haar jeugd en herinnerde zich hem als een figuur die nogal profetisch uit de hoek kon komen en overliep van originele gedachten en invalshoeken. Veel van zijn stijl en betoogtrant was onveranderd gebleven.

Jesaja had vernomen dat op Sion een beroep was uitgebracht deel te nemen in de lokale politiek en was in jubel uitgebarsten. Hij had z’n mantel omgegord, was naar buiten gerend en had in het wilde weg Eureka! geroepen. Hij zag het helemaal voor zich: Sion in de regering, dat zou de wederopbouw van een land en een gouden eeuw voor het joods-zijn betekenen. In zijn hallelujastemming leken de bewegende boomtakken op in elkaar klappende handen. De doorns, obstakels die hij eerder zag, leken nu op groeiende cipressen. De distels, ingediende bezwaren van menigeen tegen Sions benoeming, Jesaja deed ze in al z’n lyriek van de hand. Er groeide een mirtenboom voor in de plaats. Hij had Sion leren kennen als een zelfstandige vrouw die overwegend autonoom opereerde. Ook in deze kwestie zou ze mans genoeg zijn haar eigen beslissingen te nemen.

Jesaja handelde soms een beetje dwangmatig en schreef, door hartstocht gedreven, een onwetenschappelijk naschrift waarin hij als een traditionele godsdienstwijsgeer sprak en Sion ongevraagde adviezen meegaf. Hij zou het document later als slothoofdstuk in zijn boek opnemen. Jesaja kon zich het dilemma waarin Sion mogelijk verkeerde, een dubbele onzekerheid, goed voorstellen en hoopte dat ze geen overhaaste besluiten zou nemen. Het woord dat Jesaja tot Sion richt, vormt een ongehoorde oproep dat hij met veel uitroeptekens lardeert. Hij vat er nog eens zijn kerngedachte samen en beseft hoe sterk die afwijkt van de teneur van de Umwelt dat wil zeggen het milieu waarin Sion zich beweegt. Dat milieu roept Sion in supermarkttaal op vooral haar leven in eigen hand te nemen, in balans te zijn en grip op haar eigen leven te hebben.

Jesaja heeft een wat roekelozer, heteronomer mensbeeld dan naar voren komt in die slogans en rebelleert tegen levensvisies waarin de mens wordt voorgesteld als de regisseur van het eigen leven. Hij acht die antropologie te contextloos en te optimistisch. Het zou de mens loszingen van haar of zijn relationaliteit en de grenzen die meekomen met haar of zijn eindigheid, miskennen. Jesaja had zich ook afgevraagd of zelfcontrole volstond voor zelfwording en had die vraag negatief beantwoord. Jesaja belichaamt een theïstische positie die ertoe moet leiden dat het vinden van een oplossing voor tweestrijd niet voortkomt uit de eigen inschattingen en oordelen en die ‘de menselijke logica’ voorbijstreeft. Hij ziet in dat de mens in tegenspraak met zichzelf, zichzelf kan overstijgen. Hij roept die tegenspraak in het leven door als alternatief voor zelfmanagementtaal reclame te maken voor een maatstaf die anders is dan het zelf en die door die alteriteit een eis aan Sions leven stelt die ze er zelf niet aan kan stellen. Die eis van datgene dat boven Sion uitwijst, dringt haar terug binnen haar grenzen en zou haar op een punt brengen waarop ze uit de moeilijkheid komt twee conflicterende wensen te willen verenigen.

Hoe komt Jesaja op dit welhaast bovenaardse idee? Wel, door om zich heen te kijken op zoek naar algemene inzichten over menselijk gedrag in de hoop dat hij die langs de weg van deductie zou kunnen reduceren tot steekhoudende uitspraken over de mens. Jesaja had de vraag ‘Wat is de mens?’ uiteindelijk beantwoord vanuit de observatie dat de mens een strevend wezen is. Zij of hij beweegt zich permanent naar een plaats met mogelijk andere personen waar zij of hij een bepaalde activiteit ontwikkelt. Dat strevende karakter van de mens leek hem nu juist de aanleiding te zijn dat een mens niet uit zichzelf in balans kan komen.

De mens, zo zag hij om zich heen, die zichzelf zelfstandig, van God los in het bestaan handhaafde en louter op eigen kracht het meervoud in haar of zijn bestaan probeerde op te heffen, die slaagde er niet in rust te vinden en kon voor de ander een brokkenpiloot worden. Het laatste fundament voor besluitvorming had hij dan ook niet gezocht in de mens zelf, maar in het andere buiten haar of hem. Hoofdstuk na hoofdstuk zou hij zijn lezer(es) oproepen zichzelf met die goddelijke grond te verbinden. In de relatie met een transcendente partner, dat criterium van boven, leunt de mens in de schommelstoel van haar of zijn ideaal achterover. Kortom, Jesaja huldigt het standpunt dat de mens zich God voor ogen dient te stellen, zichzelf ten overstaan van God dient te plaatsen zodat zij of hij een eigen standaard ontdekt en een vaste grond vindt voor een persoonlijk, ondubbelzinnig besluit.

En toen verscheen Paulus op het wereldtoneel. Wie dacht met Jesaja’s theologische antropologie een richtsnoer voor menselijk handelen en in het bijzonder voor besluitvormingsprocessen in handen te hebben, ontmoet in Paulus een criticus van de bewering van het jodendom dat de verhouding van de mens tot God een voldoende voorwaarde is voor de bevrijding van de mens uit haar of zijn innerlijke verdeeldheid. Voor Paulus is de reflectie op de oorsprong van de wil die in zichzelf verdeeld is en daardoor niet langer vrij en de oplossing die Jesaja voor dit probleem voorstelt, onbevredigend. Daarbij zij opgemerkt dat de vertreksituaties voor beide figuren verschilt. Voor Jesaja is de vraag “Hoe kan ik kiezen uit twee mogelijkheden waarin de een geen voorrang heeft op de ander?” terwijl voor Paulus twee vragen fundamenteler zijn, namelijk “Wie is het subject van mijn handelen?” en “Wat kan ik doen als ik mij volstrekt machteloos voel?”

Wat zijn nu Paulus’ argumenten? En, wat zijn de vooronderstellingen in dit brieffragment uit de apostolische periode? God is voor Paulus een bron van problemen, een vat vol tegenstrijdigheden. Zit de mens eenmaal op het terras van de oneindigheid, die schommelstoel waarin zij of hij zo heerlijk achterover kan leunen, dan wordt een mens in de ogen van Paulus een tamme gans of een mak schaap. Paulus vindt Jesaja’s voorstel op twee punten problematisch. Jesaja komt tot algemene uitspraken over de mens en tot een principe dat geen oog heeft voor de actualiteit van gebeurtenissen. Paulus is een verschildenker die let op het specifieke van elke unieke situatie die, als het aan hem ligt, om een bijzondere benadering vraagt. Hij zal zijn voorbeelden uit de gedachtenwereld van heidense denkers kiezen om te laten zien dat Jesaja’s voorstel tot een situatie van geestelijke dood leidt.

Bij Paulus betekent leven passie, onrust. De ethische vraag “Wat zal ik doen?” kan volgens hem niet worden beantwoord met een algemene uitspraak die voor eens en voor al staat als een huis. Dit is Paulus veel te wettisch! Het tweede bezwaar is dat het heden van de mens, het nu, de tegenwoordige tijd waarin zij of hij leeft, met Jesaja’s ‘eis van godswege’ telkens door het verleden wordt ingehaald. Dat heden mag door een doop heen waarin een mens telkens weer een houding van geloof wordt aangezegd. Dat kan betekenen dat die ene mens met wie ik spreek mij zo aanspreekt, dat ik er een vorm van herkenning in vind waarvoor ik buig.

Amen