Tag Archives: Jesaja

Zondag 27 oktober 2019, Protestantse Kerk Castricum

Preek naar aanleiding van Jesaja 63:7-14 en Marcus 6:45-52 uit de Naardense Bijbel voor de viering Over de vraag ‘Wie ben ik?’ Dementie in bijbel en neuropsychologie op zondag 27 oktober 2019 om 10.00 uur in de Dorpskerk te Castricum

Zeer gewaardeerde gemeente,

In de liedbundel Als daar muziek voor is is het gelijknamige gedicht van M. Vasalis, dat door Tom Löwenthal op muziek is gezet, opgenomen. Het gedicht gaat als volgt:

Als daar muziek voor is, wil ik het horen:  

ik wil muziek voor oude mensen, die nog krachtig zijn

en omgeploegd met lange, diepe voren en ongelovig.

Die de wellust en de pijn nog kennen.

Die bezaten en verloren.

En als er wijsheid is, die geen vermoeidheid is,

en helderheid, die geen versterving is,

wil ik die zien, wil ik die horen.

En anders wil ik zot en troebel zijn.

Het gedicht kun je lezen als een protest tegen dementie bij ouderen. Dementie wordt gekenmerkt door een vermindering van cognitieve, intellectuele en emotionele vermogens. Met dit gedicht wil ik het verschil illustreren tussen de bijbelse taal, die zich veelal bedient van metaforische beschrijvingen en hedendaags, professioneel jargon dat bijvoorbeeld vanuit de neuropsychologie veel meer gemodelleerd over een fenomeen als dementie spreekt. Een voorbeeld van metaforisch taalgebruik uit Marcus zes vers vijfenveertig tot tweeënvijftig is de uitdrukking ‘de verharding van het hart’. Wat betekent die bijbelse zegswijze?

Als wij anno nu het onvermogen om een persoon te herkennen willen verwoorden, dan drukken we ons bijvoorbeeld uit in termen van ‘een gebrek aan empathische perceptie’. Aan de hand van diverse benaderingen kunnen we door te refereren aan eigenschappen en functies van bijvoorbeeld de hersenen en omgevingsfactoren vervolgens proberen te verklaren waarom een persoon dementeert of niet langer in staat is een persoon te herkennen. Iemand die lineair denkt en gelooft in progressie kan erop wijzen dat ontwikkelingen in de wereld van de geneeskunde en psychologie nog op zich lieten wachten ten tijde van het schrijven van de tekst uit Marcus. Een ander zou het kunnen opnemen voor de beeldtaal die karakteristiek is voor de perikoop. Ik denk dat we beide begrippenapparaten nodig hebben om uit te leggen hoe een fenomeen functioneert en kan worden verstaan.

Een bekend voorbeeld is dat neurocognitivisten naaste familie en vrienden van een dementerende weinig verheldering bieden, wanneer zij verwijzen naar neurale activiteit waarin een patroon zichtbaar is. Hoewel deskundigen met behulp van empirische data op een beschrijvend niveau meetbare uitspraken doen en gedeeltelijk een verklaring kunnen bieden waarom een persoon dementeert, ontbeert zo’n verklaring belevingsuitleg, juist omdat de verklaring enkel biologische processen beschrijft. De verklaring creëert geen begrip voor de psychologische conditie van een dementerende geliefde. De taal van de bijbel erkent beeldspraak als een bron van informatie en interpretatie, waarin figuurlijke betekenissen vaak visualisaties en emoties met zich meebrengen, die tegemoet komen aan het belevingsniveau van de naasten.

We richten ons nu op de tekst uit Jesaja en houden daarbij het verband met dementie in gedachten. Jesaja is de naam van een profeet uit de achtste eeuw, waarachter een auteursgroep schuilgaat die reflecteert op het zelfbeeld van een groep mensen voor wie het niet langer vanzelfsprekend is een eigen collectief verhaal te vertellen. Deze groep had aanslagen van buren overleeft, gezien hoe bevolkingsgroepen waren gedeporteerd en, terwijl het op de vlucht was, grenzen verlegd. Voor deze ervaringen wisten deze mensen wie zij waren.

Ze hadden een duidelijk profiel, een gezamenlijke identiteit waaraan je ze kon herkennen. In een periode van ballingschap vroegen ze zich af wie ze waren, waar ze vandaan kamen en of ze nog van gedeelde visies en vormen konden uitgaan. Jaren gingen voorbij en herinneringen aan gebeurtenissen van voor het ‘buitenlandverblijf’ gingen verloren of liever, ze lagen nog ergens opgeslagen, maar werden niet meer aangesproken. De autobiografie van velen verbrokkelde, zonder dat zij die verbrokkeling zelf in een betekenisvol perspectief konden plaatsen.

Documentatiemateriaal waaraan men zich kon oriënteren was niet voorhanden. De mensen die het betrof wisten niet meer waar voor hun zelfbesef op te steunen. De loop van hun geschiedenis was voor hen een groot raadsel geworden. Zij raakten gedesoriënteerd, verdwaalden, verloren hun notie van tijd, konden gezichten van dierbaren steeds moeilijker ophalen, de leercapaciteit holde achteruit, het laatste oordeel kwam vaak te vroeg, besluiten werden niet genomen, initiatieven niet ontwikkeld en in het ergste geval gedroeg een volwassene zich weer als een kind. Men keek naar zichzelf in een spiegel, maar zag niet. Er werd geluisterd, maar niet gehoord en men liep als op een afdeling onrustig rond, zonder iets van de eigen context te begrijpen.

De situatie waarin mensen voor hun zelfbeeld niet meer kunnen teruggrijpen op het verleden en van hun gedragingen en levensgebeurtenissen geen geschiedenis meer kunnen fabriceren, zouden we als een staat van verblinding en onbegrip kunnen duiden. De blik is verduisterd, de ruit beslagen, troebele ogen verrieden dat mensen niet meer helder over zichzelf en de wereld konden denken. Een religieus gelovige zou zeggen dat God haar of hem in de steek had gelaten, die was in geen velden of wegen te bekennen. Als grote gemene deler was God nog ergens vaag, in de verte te ontwaren, een hersenschim. Hij liet zich in de eerste jaren nog kennen als een vorm van afwezigheid, daarna vloeide ook het laatste restje godsbegrip weg.

Enkele auteurs hadden in zo’n situatie aanleiding gezien nieuwe teksten te schrijven, die tegemoet kwamen aan de behoefte van een gedeeld en coherent levensverhaal. Diverse dichters schreven vanuit de verwachting dat hun lezerspubliek steeds meer grip zou krijgen op de wereld, doordat zij hen handvatten aanreikten. In die teksten, waarvan wij in Jesaja drieënzestig vers zeven tot veertien een fragment lezen, cultiveert een schrijversclub de visie dat het uit elkaar vallen van de eigen geschiedenis deel uitmaakt van een grotere beweging. Zij proberen de onthutsende gebeurtenissen, die bij velen hebben geleid tot een staat van hulpeloze verbijstering, te integreren in een geheel. De schrijvers zijn dus eerder profeten dan historici, doordat zij niet zozeer een geschiedenis beschrijven, maar, terugblikkend op gebeurtenissen, tot een hele specifieke reflectie komen op wat er is voorgevallen. Zij kijken terug om een eenheid te smeden in een veelheid aan gebeurtenissen die elkaar in rap tempo opvolgden. De rode draad of lijn die zij schetsen biedt continuïteit waaraan een groep ‘dementerenden’ houvast ontleend. De auteurs bieden een structuur aan waar mensen die in verstrooiing leven eventueel mee uit de voeten kunnen. Zij proberen al schrijvend allerlei strategieën uit: ze brengen bijeen, genezen waar nodig, laten zich teder dan weer vermanend uit, bieden troost en stemmen mild in de hoop op enige wijze door te dringen in het historisch bewustzijn van individuen met het oog op het scheppen van een open toekomst. En het is een groot drama wanneer het begripsvermogen van de lezer(es) zo nihil is, deze hersenfunctie zozeer is aangetast, dat die structuur zelf niet wordt begrepen en aanvaard.

Vragen zoals ‘Waar ben ik?’ en ‘Wie ben ik?’ komen we opvallend vaak in de evangeliën tegen. De evangeliën willen, in onderscheid van de groep ‘Jesaja’, aan de lezer(es) zelf een antwoord ontlokken: wie ben je volgens jezelf?

De identiteitsvraag wordt opvallend vaak gesteld door mensen die hun ouders of verzorgers niet kennen, vaste grond tijdens de opvoeding misten, niet geworteld zijn in een groter verhaal of in de loop van hun leven ontheemd zijn geraakt. In het verhaal in Marcus zes vers vijfenveertig tot tweeënvijftig dat zich afspeelt op het meer herkennen de opvarenden de figuur die op hen afkomt niet, terwijl hij voor hen ‘een oude bekende’ is. Gezichts- en stemherkenning ten spijt, blijft hij voor hen een mysterieuze gast. Ook een etentje, een sociale gelegenheid, had er niet toe geleid dat de bemanningsleden tot inzicht waren gekomen.

Niet voor niets laat de evangelist het verhaal zich afspelen op plaatsen zoals het meer, de bergen en de woestijn, die een mengeling van dreiging en goddelijke presentie oproepen. Het kan lang onbeslist blijven hoe wij de ander die op ons toekomt beschouwen: als een naderend gevaar, een onheilspellend vooruitzicht of als een ‘heilige’, die ons met een eeuwigheidswoord weer herinnert aan een oorspronkelijke vrijheid die we nodig hebben om in ons element te zijn. Een helder inzicht dat duidelijkheid zou moeten scheppen over de verhouding tot de ander kan uitblijven. Het zien dat zou moeten leiden tot herkenning van wie de ander voor jou is, zet niet door, maar blijft in het ongewisse.

Op een vergelijkbare manier kun je als mens ergens naar kijken zonder het te zien, wellicht omdat je je aandacht op iets anders hebt gefocust, ‘met je gedachten elders bent’. De perikoop uit Marcus gaat over hoe het mogelijk is dat je iemand ziet staan en dat een reden dat de ander toch niet oplicht gelegen kan zijn in een gebrek aan welwillendheid. In geval van een gebrek aan welwillendheid, vertrouwen of een laatste criterium dat je nodig hebt om een bepaalde visie te ontwikkelen, kan het helpen om een onzekere factor voor iemand zo gunstig mogelijk te laten meetellen. We geven iemand dan ‘het voordeel van de twijfel’. Een religieus gelovige noemt die act vroom: de bereidheid tot bekering. Wellicht is dat het laatste zetje dat ook Jezus nodig had om van dat schip – zijn kansel – af te komen en de vraag: “Wie ben ik?” te beantwoorden. Want wie door een ander bewust wordt gezien en herkend, kan zich uitgenodigd voelen om met de ander in gesprek te gaan en in de dialoog kan een persoon, ook een dementerende, er (weer) achter komen wie zij of hij is.

Amen

Maandag 5 augustus 2019, ‘Vredeskerkje’ Bergen aan Zee

Predigt im Zusammenhang mit Jesaja 11:1-9 aus Die Schrift. Verdeutscht von Martin Buber gemeinsam mit Franz Rosenzweig und Matthäus 3:13-17 aus Die Bibel. Nach der Übersetzung Martin Luthers für die Tauffeier von Joscha Valentin Gaedicke am Montag, den 5ten August 2019 um 11.00 Uhr in der Friedenskirche in Bergen aan Zee

Gemeinde,

Jesaja ist ein Mann in gesetztem Alter und findet sich im Moment des Schreibens in einem Krieg. Er hat in den vergangenen Jahren viel Drohung, Verhärtung, politische Streiterei und Angst in der lokalen Bevölkerung mitgemacht. Es klangen keine Kinderstimmen mehr auf der Straße. Die Kinder kletterten nicht länger über die Gerüste auf den Plätzen. Jesaja sah keine Bälle über holprige Wege rollen. Die Kinder kamen nicht mehr zu ihm mit ihren Rotznasen, mit einer zerrissenen Hose oder einen leeren Magen. Was aber doch viel Staub aufwirbelte, war die militante Zurschaustellung ausländischer Kriegsleute. Der Syro-Epfraimitischer Soldat schrie seinen jüdisch-gläubige Altersgenosse an und war so im Aufmarsch, dass der Jude sich fragte, wie lange noch der heutige gottesfürchtige Fürst auf den Tron sitzen würde.

Jesaja scheute sich Partei zu ergreifen, glaubte das Gewalt nachlassen könnte, wenn man nicht eingriffe, aber fühlte sich doch unbequem bei seiner “Nachlässigkeit”. In der aktuellen Situation, in einer Welt in Flammen, konnte er nicht neutral bleiben. Was er von seiner Position aus in Kapitel 11, Vers 1 bis 9 tut, ist eine Prophezeiung schreiben, worin er die Geburt eines Kindes am königlichen Hofe vorhersagt. Am Ende des “Immanuel-Büchleins” das er schreibt, ist ein Baby die Perspektive die er malt. Es ist ein äußerst fruchtbarer Versuch das regierende Fürstenhaus aufs Neue Vertrauen zu schenken und eine Population von Gläubige zu befreien von einem Krampf. Die Prophetie war Jesaja auf dem Leibe geschrieben. Sie ist sein Stilmittel und das Medium womit er sich engagierte mit der Lokalpolitik. Gibt es vielleicht noch mehr zu sagen über die Prophezeiung außer sie als “Gattung” zu denken? Was unterscheidet die Weise worauf Jesaja als Propheten sich verhält zur Zukunft von der Weise von Figuren aus anderen Kulturen als die des alten Nahen Ostens?

Bisher haben wir Jesajas persönliches Engagement näher herangeholt und seine Verbundenheit erklärt gegen den Hintergrund der historisch-politischen Situation in der Zeit des Autors. Wenn man die Prophetie in eine breitere kulturelle Perspektive betrachtet, dann kann man sehen, dass die Prophetie eine Äußerung ist von einem “Stadium” worin die Kultur sucht nach einer ersten Form von systematischer Erwerbung von Erkenntnisse. Die Prophetie ist ein Erraten, das Teil ausmacht von einer “Phase” von Entdeckung, Ausprobieren und Entwickeln. Denn dass eine junge Frau, die Königin, ein Kind gebären würde, wie Jesaja prophezeite, war eine große Nachricht in einer Periode worin die Erhaltung des “Fürstentums” und damit der Staatsregierung unsicher ist, aber worauf basierte Jesaja diese Aussage? Er stand nicht als Medikus und auch nicht als Freund in einem vertraulichen Verhältnis zur Königin und er verfügte nicht über moderne Messinstrumente womit er die Schwangerschaft hätte erweisen und errechnen können. Woher kam die Prophetie?

Die Vorhersage die Jesaja tut, ist vergleichbar mit der Formulierung einer Hypothese in der Wissenschaft. Eine Hypothese is eine unbewiesene Aussage, die helfen kann eine Untersuchungsfrage zu beantworten. Es ist oft schwierig eine solche These “zu erhärten”, weil sie des Öfteren in allgemeine und theoretische Bezeichnungen erfasst worden ist. Wohl kann eine Wissenschaftler nach Anlass einer Hypothese spezifische Folgen und Erwartungen aufstellen von Daten die man sehen, nachgehen und prüfen kann. Die Funktion von einer Prophetie war es eine Geschichte zu dokumentieren, aktuelle Ereignisse zu loten und auf eine ganz spezifische Weise, nämlich eine religiöse, den Lauf der Ereignisse zu betrachten. Ein Prophet ist kein Historiker der Bausteine sammelt und diese auf seine oder ihre Weise zusammenfügt. Ein Historiker wählt Komponente und ordnet sie auf eine eigene Weise. Er nimmt Entschlüsse über seine Daten, aber immer im Nachhinein. Jesaja aber tut einen Wurf in die Zukunft hinein. Er macht einen Schritt nach vorn. Er verfügt nicht über Modelle wovon er Gebrauch macht. Um eine Einschätzung der Zukunft seines Landes zu machen, konnte er sich nicht verlassen auf Regeln und Standards.

Eine zweite Rolle die Jesaja auch nicht erfüllt, ist, wie im griechischen Altertum, die eines Orakels das als eine Durchreiche der Götter eine Aussage tut über das Los eines Volkes. Die Vorhersage Jesajas ist ein Wagnis das nicht auf Erkenntnis fundiert ist. Das ist ja gerade der Crux. Wenn Jesaja eine Vorhersage machen würde, auf Grund dessen was er zeigen könnte, demonstrieren und also wissen, dann würde damit keinen Glauben geschürt. Was Jesaja tut, ist etwas im Voraussicht stellen, eine Hoffnung bieten, womit er den Streit zweier Bevölkerungsgruppen schlichten möchte.

Sowohl im Alten wie im Neuen Testament wird eine Geburt angekündigt zum Zeichen einer neuen Zeit. Der Neugeborene wurde wohl gesehen als ein “Zeuge” der Nähe Gottes, denn wo er auch krähte, kroch oder lief, wurden Menschen gerührt oder überrumpelt. Mit einem Kind in der Nähe erblühte das Leben, legten Rivale ihre Waffen nieder, wurden Zusammenarbeitsvereinbarungen eingegangen, Kulturen geteilt, die Lebenslust bekam einen Impuls, Menschen zeigten Unternehmergeist, Umstehende von Wiege, Buggy oder Maxi-Cosi brüllten manchmal vor Lachen. Sah ein gläubiger Israelit ein Kind laufen, dann wusste er: Sehe, Gott ist mit Uns, Immanuel.

In dieser Umgebung von Anmut setze Jesaja Wolf und Schaf – man lese: Anhänger der verschiedenen Religionen, mit einer anderen Ethnizität oder aus einem verschiedenen Haushalt – bei einander ohne dass Einer den Andern auffraß. Kind und Natter können in diesem Blickfeld in Anwesenheit des Anderen verweilen ohne dass der Eine in den Andern eine Beute sieht.

Auch der Autor des Evangeliums auf Namen von Matthäus hat in seiner Zeit zu tun mit einer Form von Repression. Sowohl “Bürger” als Tempelbesucher zahlten solch hohe Steuern dass der Spaß der Religion und die Freude Teil einer Gesellschaft zu sein, schon bald erloschen waren.

Matthäus hat in einen Zeitgenossen, Jesus, eine politische Figur gesehen, der eine religiöse Lösung für politische Probleme vertrat. Er stellte Johannes der Täufer so dar, das der Täufer ein Vorgefühl gehabt hat des prophetischen Charakters von Jesus, angesehen Johannes ihn mit Scheu “einholt”. Die Asymmetrie in zwischenmenschlichen Verhältnisse worauf “Scheu” durch Achtung für einen Anderen deutet, wird mit der Taufe zunichte gemacht. Dass Johannes Jesus tauft, statt andersrum, egalisiert die Verhältnisse. In beiden Figuren kann man einen gleichen Geist gewahr werden, nämlich einen der unzufrieden ist über der politischen, kulturellen und religiösen Unterdrückung von Minderheiten. Die Taufe sorgt dafür dass beide nun als Kameraden, als Kollegen, in einem gemeinsamen religiösen Geist gegen die Praktiken der Unterdrückung sich erheben.

Die Erwachsenentaufe hat im Vergleich mit der Kindertaufe eine abenteuerliche Seite. Während ein getauftes Kind einen Namen bekommt und aufgenommen wird in einer sicheren Gemeinschaft, wird der Erwachsene gerade von der sicheren Welt womit er oder sie vertraut war, geschieden. Der Mutterschoß wird verlassen: das Mädchen ist eine Frau geworden, der Junge ein Mann.

Wer im Geiste getauft wird, initiiert einen Plan und setzt eine Unterschrift unter ein Abkommen womit der Neugeborene bricht mit einer “alten Natur” und, sehr gewagt, aufs Neue tanzen lernt. Für den Neugeborenen der ins Wasserbad des Geistes tritt, verwischen sich gerade (wieder) deutliche Grenzen – sie oder er steht in einem Nebel von Dampf und Undurchsichtigkeit. Es gibt die Eingebung, ein Blick auf was kommt, aber keine Sicht auf Ergebnisse oder “Endresultate”. In diesem “Durchzug” findet der Gläubige keinen Halt in die empirische Wirklichkeit, es gibt nur eine starke Intuition dass man etwas tun soll. Ein Gläubige nennt diesen Grund “Gott” und es ist dieser Platz wo das Verhältnis zwischen Mensch und “das was den Menschen übersteigt” kultiviert wird.

In dieser Region ändern sich biologische Verhältnisse in religiöse Verhältnisse, weil ein Mensch hier zum Kind, zum Auserwählten oder Geliebter Gottes getauft wird. Ob man als befreit, emanzipiert, wiedergeboren und neu erschaffen wieder aus der Taufe kommt, keine Ahnung. Der Neugeborene verkehrt in einem Zustand worin die Erwartung herrscht, dass die Taufe ihm oder ihr Reichtum erbringen wird. Ein Erwachsener der in Verzückung gerät und die Wanderung “zu Gott” angetreten hat, darf wünschen, dass die Reise “auf die er oder sie in unbekannte Häfen einfahren wird” lange dauern wird, darf sich in keinem Falle überhasten. “Im Geist” bleibt ein Gläubige als wäre er oder sie ein Leser, lieber Stundenlang mitten im Buch, als schnell weiter zu lesen oder gar die letzte Seite schon gelesen zu haben. Die Prüfung des Glaubens ist dass man die Spannung des Unergründlichen und des Unvorhersehbaren auszuhalten weiß.

Amen

Zondag 17 februari 2019, ‘Gereformeerde kerk Zaandijk’ & zondag 24 februari 2019, Hervormde Gemeente Zevenbergen

Preek naar aanleiding van Jesaja 56:1-7 en Matteüs 15:21-28 uit de Naardense Bijbel voor de viering op zondag 17 februari 2019 om 10.00 uur in de ‘Gereformeerde kerk’ te Zaandijk en uit de Willibrordvertaling voor de viering op zondag 24 februari 2019 om 10.00 uur in de Hervormde Gemeente Zevenbergen

Gemeente,

Daar zit hij dan, Jesaja, tussen de brokstukken van zijn geloof. Om zich heen liggen flarden tekst als puzzelstukken op de grond: perkament met historische beschrijvingen, een bundeltje geloofslessen, pamfletten met beloftes, delen van een roman, waarin de auteur gewag maakt van zijn visionaire gedachten, een huwelijksakte, een paar belijdenissen en vellen met redactionele correcties. Jesaja zoekt naar een manier waarop hij deze verzameling van uiteenlopende en uit elkaar gevallen documenten zal rangschikken. Hij had op een tweesprong gestaan: of ieder residu apart behandelen en reconstrueren of alle overblijfselen tot een eenheid te smeden. Hij koos voor de laatste optie en gaat verschillende schriftelijke informatiebronnen met hun eigen patronen, kleur en motieven aan elkaar naaien als tot een lappendeken. Op die manier zorgt hij voor theologische continuïteit in de verbrokkelde teksten van de joodse religiegeschiedenis.

Van de beloften die door zijn voorgangers waren gedaan, was weinig terecht gekomen. Het leven in een metropool met zoveel mensen en functies was weerbarstig en kon de plaats van belofte en haar vervulling niet moeiteloos overbruggen. Uit eerbied en collegialiteit had Jesaja ze als een appendix aan zijn tekst toegevoegd. Hij zet ze achteraan, laat ze niet achterwege, maar moffelt ze wel een beetje weg. Jeruzalem, de stad die symbool staat voor het welslagen van ieders levensproject, ligt namelijk in puin. Het is nu niet de tijd voor formele toezeggingen.

Jesaja zal een prominente plaats toekennen aan de ethiek, de enige aangewezen weg om de miljoenenstad weer op te bouwen en de godsdienst nieuw leven in te blazen. De verwoesting van de tempel in Jeruzalem had haar stedelingen opgeschrikt. Mensen waren in rep en roer. U kunt de impact van die gebeurtenis vergelijken met de watersnood van 1953, waarbij de dijken in het deltagebied braken en grote delen van de provincie Zeeland, West-Brabant en de Zuid-Hollandse eilanden onder water liepen, de cafébrand in Volendam of de terroristische aanslag op de Twin Towers in New York in 2001. Dan ligt het leven in een stad overhoop, chaos alom, buitenstaanders zitten aan de buis gekluisterd en een land houdt zijn adem in. Het zijn van die schaarse momenten waarop ‘de loop der dingen’ wordt verstoord, er een knik komt in de flow van het menselijk leven zelf.

Jesaja had verwacht dat de ruïne waarin de tempel – lees het godsdienstige leven – verkeerde in het leven van mensen zo’n breuk tot gevolg zou hebben, dat het leven na die tijd niet meer zou zijn wat het voor die tijd was geweest. Alsof de wrakstukken van de tempel zo tot godsvereerders zou spreken, dat zij zouden stilstaan, zich verbijsterd afvragen wat de oorzaken van deze historische gebeurtenis waren en tot de conclusie komen dat het roer van het eigen leven om moest.

Dit proces van bezinning, berouw en verandering van levenswijze noemen we met een religieuze term ‘bekering’. Jesaja’s hoop op het tot stand komen van om- en inkeer bleek ijdel. De gebeurtenis leek eerder aanleiding te geven tot praktijken in een toestand van buiten de orde. Het stedelijk en religieus verval ging gepaard met een morele crisis. Het handjevol mensen dat een beschaving probeert te redden, voelt zich ontmoedigd door de aanhoudende stroom van berichten over plunderingen en rooftochten door de stad. En op de plaats waar ooit hun gebedshuis stond, zijn een paar totempalen neergezet.

Jesaja had in boekrollen gelezen hoe velen voor hem op een vergelijkbare situatie reageerden. Dan werd er in crisistijd of achteraf een profetie geschreven, waarin de ondergang van een tempel deel uitmaakte van een plan, waarin de dingen op een einde liepen en een nieuwe schepping aanstaande was. Of men voorspelde een duizendjarig vrederijk of een paradijs op aarde. In een derde geval zag een auteur kans een messiaanse tekst te produceren: het verdwijnen van de tempel en de periode van destructie die erop volgde had betrekking op de komst van een bevrijdingsfiguur.

Voor Jesaja werken die strategieën niet meer: hij had ze doorzien, ontmaskerd als wanhopige reddingspogingen of als toekomstvisies na periodes van vergane glorie. Bij Jesaja was het stil geworden, hij had in een impasse verkeerd en verlangde terug te gaan naar het begin, waarin God nog door niemand werd herkend en, ooit eenzaam en onzichtbaar, door Hebreeërs via richtlijnen in stukjes werd geknipt.

Na verloop van tijd had Jesaja besloten terug te gaan naar oude, tijdloze teksten. In een paar weken tijd had hij de hele klassieke Wereldbibliotheek herlezen en de religieuze teksten onder het stof vandaan gehaald, apart gelegd en opnieuw ingedronken. Tijdens het herlezen van die oude teksten viel het Jesaja op dat de zwaartepunten van Israëls vroomheid bij het recht en de ethiek lagen. Beide disciplines leken voorwaarden te formuleren en bouwstenen aan te dragen voor de religie.

Die volgorde zou vandaag kunnen betekenen dat je, ik noem maar een paar voorbeelden, eerst met een menswaardig vreemdelingenbeleid voor de dag komt, voldoende arbeidsplaatsen creëert en duurzame contracten aanbiedt, sleutelt aan wetten en wetswijzigingen doorvoert die het niet langer mogelijk maken docenten op grond van hun seksuele oriëntatie te ontslaan en op die wijze geloofwaardigheid schept, en dan kunnen we het daarna over de vormgeving en nadere invulling van religieus leven hebben. Jesaja had die oude teksten bijgeschaafd en herschreven: de wet voorop, met in zijn kielzog de profetie.

En toen ontmoette Jesaja ‘de Kananese vrouw’, die zijn wettisch denken buiten spel zet. Ze waardeerde het ordenende effect van die wet en begreep hoezeer Jesaja de wet als middel nodig had om bakens op te richten in zijn leven dat in duigen lag. Ze had er ook een kanttekening bij geplaatst: ze vond de herhaling die doorklonk in de wet en het universele karakter ervan getuigen van een gebrek aan geloof. Die wet waarin Israëls leefregels stonden geformuleerd, spreidde hij als een koepeldak uit over het hele mensdom, terwijl die ene, concrete andere mens daar wellicht helemaal geen boodschap aan had. Jesaja had van Israëls kruimels levensgrote broden gebakken en die goed geconserveerd, terwijl het leven zelf en de eigen existentie daarin telkens opnieuw vanuit actuele termen om doordenking en aanpassing vroeg.

Matteüs laat ‘de Kananese vrouw’ de rol spelen van het grote contrast. Waar Jesaja houvast ontleent aan twee stenen tafelen die hij eigenhandig heeft gerenoveerd, houdt de Kananese vrouw de fakkel van het geloof in haar handen. De term ‘Kananees’ is een scheldwoord, waarmee een Jood zijn verachting uitdrukt voor de Griekse handelaar die er, volgens de morele schema’s van de Jood, onethische handelspraktijken op nahield. De Griek leefde in een hele andere denk- en belevingswereld, namelijk in die van weemoedige, erotische vrolijkheid, die zich niet via bijvoorbeeld een wet laat verwerven. Hij is een zakenman, leeft in een snelle wereld, heeft handigheid verworven in het sluiten van deals, waarin een regel de praktijk volgt en niet andersom.

Matteüs zet die laatdunkende term ‘Kananees’ in om de tegenstelling tussen religieuze leiders die zich vastklampen aan de wet en deze buitenlandse vrouw te vergroten. Met haar belijdenis, die het product vormde van haar passie, zou ze inbreuk maken op de gevestigde orde van religieuze machtsbolwerken – en, niet te vergeten, op Jesaja’s denkkaders.

Jesaja is een profeet, bevindt zich vaak in afzondering in de woestijn, leest veel, studeert graag en is overwegend melancholisch gestemd. Indien hij vandaag de dag zou leven, dan zou hij te vinden zijn in een minimalistisch ingericht kamertje van een contemplatieve kloosterorde waar hij een ora et labora, bid en werk, -leven leidt. In tijden van depressie kijkt hij met een droevige blik om zich heen, naar het verleden en al wat daarin onvervuld is. Het zijn die momenten waarop Jesaja’s hart niet meer gelooft, en de bronnen van zijn hoop zijn opgedroogd, dat hij zich op wetten verlaat, en het is de vrolijkheid van de Kananese of liever Griekse vrouw die zijn ongeloof te hulp komt. Zij is opgeruimd, onstuimig, enthousiast en heeft gevoel voor drama en het zijn uitgerekend deze kwaliteiten die Jesaja’s neigingen op de proef stellen.

Jesaja is het verloren schaap van het huis van Israël, waar Matteüs haar als een messiaanse naartoe stuurt. Deze Griekse gaat Jesaja, die het idee van een huwelijk voor zichzelf nooit serieus heeft overwogen, verleiden tot een verbond, waarin zij zo met hem samenleeft, dat het licht in zijn ogen nooit meer dooft. Zij zou spreken, hij luisteren. Zij zou bij hem intrekken en een dochter die ziekelijk was uit een eerder huwelijk meenemen. De zorg die zij samen voor dat zieke kind op zich zouden nemen, zou Jesaja voorgoed van zijn Weltschmerz genezen. Hij zou zijn handen vol hebben haar zijn aandacht te schenken en had niet verwacht dat hij zoveel voldoening uit het ouderschap zou halen. Dit is de handreiking die Matteüs vanuit zijn joodse milieu en christelijk denken aan de Griekse wereld doet. ‘De Kananese vrouw’ doet alle stigma’s, vooroordelen, vijandbeelden, wij-zij-cultuurindelingen en smetvrees teniet. Zij is de messias en marathonloper die met de toorts van het geloof de afstand tussen Athene en Jeruzalem aflegt en Jesaja’s wereld alsnog binnenstebuiten keert.

Amen

Zondag 23 december 2018, ‘Ontmoetingskerk’ Kamerik

Preek naar aanleiding van Jesaja 2:1-5 en Matteüs 24:32-44 uit de Naardense Bijbel voor de viering op zondag 23 december 2018 om 10.00 uur in de Ontmoetingskerk te Kamerik

Gemeente,

Wat een drama! Tijdens een gemeentevergadering is Jesaja hoogst verontwaardigd weggelopen. Zijn stropdas had hij losgeknoopt en in een hoekje van de zaal gesmeten, een gebalde vuist op de vergadertafel geplaatst, met stemverheffing gesproken, de deur achter zich dichtgetrokken, en nu zit hij op een bankje in een smoezelig steegje stoom af te blazen.

Collegae van ‘niet nader te noemen partijen’ hadden elkaar een beetje beteuterd aangekeken. Jesaja is dan wel geen ‘die hard’ stadsbestuurder, hij maakt wel deel uit van de coalitie. Ze willen hem er graag bij hebben. In besluitvormingsprocessen vormt hij de stem van het geweten. Als maatregelen ongunstig voor minderheidsgroepen of individuen dreigen uit te pakken, dan probeert hij oplossingen aan te dragen, mee te denken, constructieve voorstellen te doen, waar iedereen mee kan leven.

Jesaja had er de vorige nacht wakker van gelegen. De volgende ochtend zou er een herbestemmingsplan op tafel liggen voor een verpauperde volksbuurt in wijk Zuidoost; een buurt met veel antikraak door studenten met kleine beursjes en leegstand waar mensen zonder een vaste verblijfplaats de nacht doorbrengen. Voor die mensen was geen alternatieve opvang geregeld en het zag er niet naar uit dat dat nog zou gaan gebeuren. Desalniettemin had Jesaja zijn gloednieuwe pak aangetrokken en was vol goede moed naar het stadhuis gefietst. Als was hij dan een profeet van het geloof, zijn strategie had hij bepaald: hij zou zich voordoen als een staatkundige, de taal spreken van bewindsvrouwen en staatsmannen en zich gedragen naar de geldende mores binnen die bedrijfscultuur.

De gemeente beschikt over psychologische faciliteiten voor dit soort situaties: conflicthantering, mediation, een cursus agressiebeheersing; het had Jesaja en zijn politieke collega’s echter achteraf niet nader tot elkaar gebracht.

Jesaja heeft één vertrouwenspersoon die hij vierentwintig uur per dag kan raadplegen en die hij ook anderen van harte aanbeveelt. Het adviesbureau van deze vertrouwenspersoon is noch te vinden in de telefoongids, noch in het adressenbestand van een navigatiesysteem en lijkt vooral consult te houden ‘wanneer je het niet meer ziet zitten’.

Jesaja heeft inmiddels een dummy bij de HEMA gekocht en is teruggelopen naar z’n bankje. Hij sluit z’n ogen, mijmert wat, luistert naar de leefgeluiden in de stad, hoort de wind suizen, gaat verzitten en maakt aantekeningen.

Hij heeft de hoop laten varen veranderingen in de huidige realiteit aan te brengen. Hij kan als kameleon optreden, de kleur van zijn omgeving aannemen, voor politicus spelen, maar Jesaja is een Godsman en geen staatsman.

En in die ‘noodtoestand’ gebeurt het dat Jesaja, als profetisch politicus kansloos, zijn fantasie de vrije loop laat en daarin zichzelf is. Hij heeft zijn frustratiedrempel bereikt, zit aan zijn taks ‘onrecht’ nog langer te verdragen, en ziet in hedendaagse bestaansvormen geen uitweg meer. Zijn ‘escape’ of liever coachingsmiddel is de droom.

Jesaja ontvangt een visioen. In zijn geest manifesteert zich een wereld, waarin hij een toekomst visualiseert, waarin vormen van destructiviteit worden omgezet in opbouwwerk. “Zwaarden”, met andere woorden: conflicterende belangen, botsende waarden, contradicties die je niet empirisch kunt oplossen, worden “ploegscharen”. “Speerpunten” dat wil zeggen, hoofdpunten die er in de vorming van beleid ‘koste wat kost’ doorgedrukt worden, transformeren in “sikkels”. De woordkeuze van Jesaja voorspelt in innerlijke vergezichten de verandering van een krijgshaftige cultuur naar een vreedzame of agrarische levenswijze.

Op dat bankje schreef Jesaja een samenraapsel van orakels en poëtische passages. Flarden verbeelding van wat hij voor zich zag, mogen in een volgend katern concreet gestalte krijgen. En dus krabbelt hij preventieve maatregelen neer, spreekt zijn lezer(es)s(en) moed in, en geeft troostadviezen aan hen wier belangen ondergeschikt gemaakt worden aan ‘de dictatuur van de meerderheid’, de doorslaggevende stem van macht en geld. “Kom, laat ons optrekken (…)”, “Kom, laat ons wandelen in het licht (…)”.

Het beschrijven van die denkbeeldige wereld had hem uitgeput en zo zielsgelukkig gemaakt, dat hij in slaap was gevallen. Toen hij ontwaakte, was de nacht gevallen, hij zette het op een lopen en verloor aan de Mijzijde zijn dummy.

Die dummy werd de volgende ochtend gevonden door een brugklasser die aan het eerste deel, dat bonte patchwork, geen touw kon vastknopen. Het tweede deel leek haar afkomstig van een lokale voetbalcoach die zijn team met het oog op de aanstaande bekercompetitie tot goede prestaties probeert te brengen. Zij besloot de dummy naar de afdeling ‘Gevonden voorwerpen’ van het politiebureau te brengen. Daar heeft het decennialang gelegen, totdat een historicus  met een expertise op het gebied van de paleografie – dat is een hulpwetenschap van de geschiedschrijving die oude handschriften bestudeert – het profetische boekje vond.

De tekst uit Matteüs had ik graag genomineerd voor ‘de maand van het spannende boek’. Wat een thriller! ‘Zenuwslopend’. Wie de tekst wil wegpsychologiseren, kan zeggen dat hier een auteur aan het woord is die, als Jesaja, zijn buik vol heeft van een ‘orde’, waarin bepaalde mensen in de verdrukking komen en als copingmechanisme een dualistisch maatschappijbeeld poneert. “Dan zullen er twee op het land zijn: de een wordt meegenomen en de ander wordt achtergelaten.” Een kind zegt soms iets vergelijkbaars: “X mag wel op m’n verjaardagspartijtje komen, maar Y niet.” En dan verzint Y een soort superman, een ‘heldhaftige’ figuur die Y op een onverwacht moment alsnog ‘in het gelijk stelt’.

Gerard Reve schreef in het boek Nader tot U: “Dat Koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat?” Aan de auteur van de tekst uit Matteüs valt eenzelfde vraag te stellen: de verschijning van het mensenkind, komt er nog wat van?

Waakzaam zijn, voorbereidingen treffen, rekening houden met de komst van onverwacht bezoek, dat zijn de instructies die de auteur aan een groep religieus gelovigen meegeeft die in onmin met andere gelovigen leeft. Of hij er op die manier ook in slaagt de kloof tussen verschillende geloofsmodaliteiten te dichten, waag ik te betwijfelen.

Immers, de verschijning van het mensenkind, komt er nog wat van, vijf, zes, zeven wij verwachten al zo lang, acht, negen, tien wij hebben nog niets gezien, elf, twaalf het is gewoon schandalig.

Amen

Zondag 27 mei 2018, Oudshoornse Kerk Alphen aan den Rijn

Preek naar aanleiding van Jesaja 61:10-11 en Galaten 3:23-4:7 uit de Naardense Bijbel voor de viering van Trinitatis op zondag 27 mei 2018 om 10.00 uur in de Oudshoornsekerk te Alphen aan den Rijn

Gemeente,

Welke literaire kruimels van de profeet Jesaja je ook leest, welke ingang in zijn tekstuele labyrint je ook kiest, ben je eenmaal in een karretje gestapt, dan wordt je onmiddellijk in een achtbaan meegenomen. De schrik van de ene looping nog niet bekomen of de volgende over de kop gaande acrobatische lus kondigt zich aan. Jesaja’s neerslag van profetieën en biografische nota’s is een roetsjbaan, waarin hij heel hard een zeer bochtige en steile baan aflegt. Het corpus van Jesaja is een religieuze soap, een lange serie over een groep mensen die met veel emotionele toestanden gepaard gaat.

Wat in brede zin door de brokstukken van de Jeruzalem-cyclus in chapiter eenenzestig heen kiert, is een gemeente in de diaspora die op zoek is naar een nieuwe identiteit en een vaste verblijfplaats. De joodse gemeenschap heeft een kibboets nodig, een dorp om in te wonen, een collectieve nederzetting die werk om handen geeft en door de samenwerking met de ander de jood in staat stelt opnieuw verhalen over zichzelf te construeren. In interactie met de wereld, de samenleving en het eigen ‘buurtschap’ doet een mens zelfkennis op. Zelfkennis is niet direct voor handen, die volgt veelal op het menselijk handelen, nadat mensen ten opzichte van elkaar actief zijn opgetreden.

In het bijzonder verhaalt de tekst uit Jesaja van een gedaantewisseling. Jesaja was ooit een koninklijke figuur – u kunt het teruglezen in veel van de woorden, beelden en metaforen die hij gebruikt –, maar heeft zijn triomfantelijke majesteitelijkheid verloren. De hofjonker heeft het paleis verruild voor een tempel en is een lijdende profetische figuur geworden.

In de religiegeschiedenis doet menig mens Jesaja dit na: prins Siddharta verlaat zijn beschermde, luxe leven in India, kiest voor een ascetisch leven en ontwikkelt een ‘methode’ hoe het lijden te beperken, de wiskundige Pascal die ontdekkingen en uitvindingen doet, zet een punt achter zijn wetenschappelijke loopbaan en verwedt als apologeet de wereld van berekeningen voor geloofszekerheid, de gevierde zangeres keert het podium de rug toe en doet intrede in het klooster.

Wie de perikoop uit Jesaja van achteren naar voren leest, haar met een christelijk religieuze blik interpreteert, kan de tekst als een ‘bekeringsverhaal’ duiden. Dit is een fragment uit de confessiones van Jesaja, een belijdenis met een ‘ervoor’ en een ‘erna’. Eer iemand het waagt dit authentieke joodse ‘testament’ in de christelijke sfeer te trekken, zou ik een andere, zogezegd ‘humanistische’ uitleg van Jesaja’s CV willen geven, namelijk dat een mens ‘kanten’ heeft die zij of hij zelf niet ziet, en waar een ander mens haar of hem op attent maakt. Ook Jesaja wist niet ‘dat hij het in zich had’ behalve hofjonker ook de rol van jeremiërende, aanklagende en lyrische profeet te spelen. En die ‘jas’ zit hem als gegoten – kijk eens hoe hij uitpakt! Wat een ontdekkingsvreugde, hij is er vol van en raakt er niet over uitgepraat en op uitgekeken.

Als je je als jongere flink wilt uitdossen voor een feestje en jezelf al draaiend voor de spiegel in de paskamer bekijkt, kun je de gewaarwording opdoen dat je de persoon die je weerspiegelt ziet nauwelijks herkent. In een fractie van een seconde is het perspectief een aantal graden gedraaid, je ziet jezelf met andere ogen. Het is niet zo dat je jezelf niet bent, er een volstrekt ander persoon vanachter de gordijnen verschijnt, het is eerder zo dat je op deze manier ook nog voor de dag kunt komen. Een nieuw tenue draagt dan bij aan het besef dat de actieradius van je zelfbeeld verder reikt dan je tot dusver voor mogelijk hield.

De vraag die Jesaja oproept is waarom je zou vasthouden aan het beeld dat je tot nu toe van jezelf hebt. Wat maakt dat je als mens een bepaald rollenpatroon blijft volgen? Op basis waarvan zou je gehoor geven aan de status quo, ongeschreven regels gehoorzamen en gedragsprotocollen volgen? Je kunt er ook nog op een andere manier zijn! Waarom zou je jezelf niet eens een andere stijl aanmeten, andere gedragingen uitproberen, experimenteren met je images?

Het grote verschil tussen ‘lifestye-proefjes’ en de metamorfose van een figuur als Jesaja is dat – hoe gek het ook moge klinken – Jesaja die omslag in zijn bestaanswijze niet zelf heeft gezocht. Hij had geen reden zijn heil elders te zoeken, een warme mantel om te ruilen voor een Spartaans, jeukend habijt. Bovendien zijn de kaders aan het hof helder omschreven, terwijl je als profeet nimmer zeker van je zaak kunt zijn.

Wat je als profeet zegt, zeg je naar verluidt niet in eigen naam en van wie de woorden die je uitspreekt wel zijn, blijft hachelijk. Ook met de voorspellingen die een profeet doet, kan hij er goed naast zitten, en kloppen je prognoses, dan kun je die niet op eigen conto schrijven. Als er vandaag de dag een vacature was geplaatst voor de functie van profeet, dan zou Jesaja niet hebben gesolliciteerd. In Jesaja’s religieuze beleving is het een ander die ‘buiten hem om’ zijn stuk op het bord heeft verplaatst en in die ongedachte, niet zelfverkozen positie is het, getuige Jesaja’s loflied, goed toeven. Het stramien waar Jesaja aan het hof in leefde – het had veel weg van een gouden kooi – daar was hij van bevrijd, en met die ‘losmaking’ voelt Jesaja zich in al zijn vezels meer mens dan ooit. De Jesaja die wij vandaag in de tekst ontmoeten is springlevend!

De ijzeren regel, daar weet Paulus alles van. Hij heeft zo intens over de verhouding tussen wet en geloof, onvrijheid en vrijheid nagedacht dat je hem op dat gebied een deskundige kunt noemen. Op het terrein van ‘de Vader’, de wereld van het Oude Testament, vinden we een pedagogische stijl die mensen met straffe hand discipline probeert bij te brengen. Beelden van macht, geweld en religieus gemotiveerde terreur zouden dan bijdragen aan het conditioneren van mensen tot ‘brave burgers’. Het is de opvoedingstechniek om van ‘een wilde’ een edel mens te maken.

Op het moment dat een mens in haar of zijn denken, doen en laten volwassen is geworden, heeft zij of hij zich bepaalde inzichten eigen gemaakt. Zij of hij heeft geen sturing ‘van bovenaf’ nodig om zich als een beschaafd mens te gedragen. In het tijdperk van ‘de Zoon’ staat de mens boven de regel. De mens heeft niet langer als een paard het bit in de mond waar de ruiter rukjes aan geeft, zij of hij zit nu zelf op de bok. En nu ‘de fase van de Zoon’ voorbij is, is de mens zo vrij dat zij of hij ook niet samenvalt met een van haar of zijn onderscheidingen: vrouw, academica, partner, voetballer, moeder, bestuurder, huisgenoot, auteur, werknemer, collega, huurder, musicus, verkeersdeelnemer, consument, vakantieganger.

De samensmelting waar Paulus op lijkt te doelen is niet van mystieke aard. Het egaliseren van een groep mensen door hen allen onder een term te classificeren, heeft de functie discriminatie tegen te gaan. Met de ‘functieomschrijvingen’ die hij aanhaalt op het gebied van etniciteit, gender en klasse ontstaan vooroordelen en machtsverschillen, die veelal tot uiting komen in de hoeveelheid spreektijd die een mens krijgt en de mate waarin iemands zegje meeweegt in besluitvormingsprocessen.

Paulus’ betoog is een vurig pleidooi tegen discriminatie. De ‘volheid van de tijd’ bestaat er niet alleen uit dat elk mens waar ook ter wereld mondig wordt en recht van spreken heeft – elke stem telt en heeft hetzelfde gewicht. Het rijk van ‘de Geest’ zal niet aanbreken eer ieder mens in huis, op de werkvloer en in het publieke domein dezelfde rechten heeft als ieder ander. Het Nederlandse protestantisme heeft vier eeuwen na de Verlichting nog een slag te maken – als ze hem al gaat maken.

Amen

Alrijne ziekenhuis Leiderdorp, 31 december 2017

Preek naar aanleiding van Jesaja 11:1-9 en Matteüs 3:13-17 uit de Naardense Bijbel voor de viering van Oudjaar op zondag 31 december 2017 om 10.00 uur in het Alrijne ziekenhuis te Leiderdorp

Gemeente,

Jesaja is een man op leeftijd en bevindt zich op het moment van schrijven in een oorlog. Hij heeft de afgelopen jaren veel dreiging, verharding, politiek gesteggel en angst onder de lokale bevolking meegemaakt. Er klonken geen kinderstemmen meer in de straat. Ze klauterden niet langer over de rekken op de pleinen. Jesaja zag geen ballen over hobbelige wegen rollen. Ze kwamen niet meer bij hem met hun snottebellen, een gescheurde broek of lege maag. Wat wel veel stof deed opwaaien, was het militante vertoon van buitenlandse krijgslieden. De Syro-Efraïmitische soldaat schreeuwde naar zijn joodse gelovige leeftijdgenoot in burger en rukte zozeer op, dat de jood zich afvroeg hoe lang de huidige, godvrezende vorst nog op zijn troon zou zitten.

Jesaja schroomde partij te kiezen, geloofde dat geweld kon afnemen, uitwoeden als je niet ingreep, maar voelde zich toch ook ongemakkelijk bij ‘nalatigheid’. In de actuele situatie, die van een wereld die in de fik stond, kon hij niet neutraal blijven. Wat hij vanuit zijn positie in hoofdstuk elf vers een tot negen doet, is een profetie schrijven, waarin hij de geboorte van een kind aan het koninklijke hof voorspelt.

Aan het einde van het ‘Immanuëlboekje’ dat hij schrijft, is een baby het perspectief dat hij schetst. Het is een uiterst vruchtbare poging het regerende vorstenhuis opnieuw vertrouwen te schenken en een populatie van gelovigen uit een kramp te halen. De profetie was Jesaja op het lijf geschreven. Het is zijn stijlmiddel en het medium waarmee hij zich engageerde met de lokale politiek. Valt er wellicht nog meer te zeggen over de profetie, behalve dan haar te duiden als ‘genre’? Wat onderscheidt Jesaja als profeet van wijzen waarop figuren in andere culturen dan het Oude Nabije Oosten zich verhouden tot de toekomst?

We hebben tot dusver ingezoomd op Jesaja’s persoonlijk engagement en zijn betrokkenheid uitgelegd tegen de achtergrond van voor de tijd van de auteurs een historisch-politieke situatie. Als je de profetie breder trekt dan kun je zien dat de profetie een uiting is van een stadium waarin een cultuur zoekt naar een eerste vorm van systematische kennisverwerving. De profetie is een gok die deel uitmaakt van een fase van ontdekking, raden, uitproberen en ontwikkelen. Want dat een jonge vrouw, de koningin, een kind gaat baren, zoals Jesaja profeteerde, was groot nieuws in een periode waarin de instandhouding van het vorstendom en daarmee het landsbestuur onzeker is, maar waar baseerde Jesaja die uitspraak op? Hij stond niet als medicus en ook niet als vriend op vertrouwde voet met de koningin, en beschikte niet over moderne meetinstrumenten waarmee hij een zwangerschap had kunnen berekenen en aantonen. Waar kwam die profetie vandaan?

De voorspelling die Jesaja doet, is vergelijkbaar met het formuleren van een hypothese in de wetenschap. Een hypothese is een onbewezen stelling die kan helpen een onderzoeksvraag te beantwoorden. Het is vaak lastig een dergelijke stelling hard te maken, omdat ze vaak is algemene en theoretische termen is vervat. Wel kan een wetenschapper naar aanleiding van een hypothese specifieke gevolgen en verwachtingen opstellen van data die je kunt zien, nagaan en testen. De functie van een profetie was een geschiedenis te documenteren, actuele gebeurtenissen te peilen en op een heel specifieke manier, namelijk een religieuze, naar het verloop van gebeurtenissen te kijken. Een profeet is geen historicus die bouwstenen verzamelt en die op haar of zijn manier in elkaar zet. Een historicus selecteert componenten en rangschikt die op een eigen manier. Zij of hij neemt besluiten over haar of zijn gegevens, maar altijd achteraf. Jesaja echter doet een gooi naar de toekomst. Hij zet een stap vooruit. Hij beschikte niet over modellen waar hij gebruik van maakt. Voor het maken van een inschatting van de toekomst van zijn land kon hij zich niet verlaten op regels en standaarden.

Een tweede rol die Jesaja ook niet vervuld, is, zoals in de Griekse oudheid, een orakel dat als doorgeefluik van de goden een uitspraak doet over het lot van een volk. De voorspelling van Jesaja is een waagstuk dat niet op kennis is gebaseerd. Daar zit nou net de crux. Indien Jesaja een voorspelling zou doen op grond van wat hij kon aanwijzen, demonstreren en dus weten, dan werd daarmee geen geloof aangewakkerd. Wat Jesaja doet, is een hoop in het vooruitzicht stellen, waarmee hij de strijd tussen twee bevolkingsgroepen wil beslechten.

Zowel in het Oude Testament als in het Nieuwe Testament wordt een geboorte aangekondigd ten teken van een nieuwe tijd. De boreling werd wel gezien als een ‘getuige’ van Gods nabijheid, want waar het ook kraaide, kroop of liep, mensen raakten vertederd of werden overrompeld. Met een kind in de buurt kwam het leven tot bloei: rivalen legden hun wapens neer, samenwerkingsrelaties werden aangegaan, culturen gedeeld, de levenslust kreeg een impuls, mensen toonden ondernemingszin, omstanders van wieg, box, buggy of maxi-cosi gierden het soms uit van de lach. Zag een gelovige Israëliet een kind lopen, dan wist zij of hij: kijk, God is met ons.

In die entourage van bevalligheid zette Jesaja wolf en schaap – lees aanhangers van verschillende religies, mensen met een andere etniciteit of uit een verschillend huishouden – bij elkaar zonder dat ze elkaar opvraten. Kind en adder kunnen in die gezichtskring in elkaars aanwezigheid vertoeven, zonder dat de één in de ander een prooi ziet.

Ook de auteur van het evangelie op naam van Matteüs heeft in zijn tijd te maken met een vorm van repressie. Zowel ‘burger’ als tempelganger betaalden zulke hoge belastingen dat de gein van de religie en de vreugde deel uit te maken van een samenleving er al gauw af was. Matteüs heeft in een tijdgenoot, Jezus, een politieke figuur gezien die een religieuze oplossing voorstond voor politieke problemen. Hij zet Johannes de Doper zo neer dat de Doper een voorgevoel heeft gehad van de profetische inborst van Jezus, aangezien Johannes hem met schroom binnenhaalt. Die asymmetrie in intermenselijke verhoudingen waar ‘verlegenheid’ door achting voor een ander op duidt, wordt met de doop teniet gedaan. Dat Johannes Jezus doopt in plaats van andersom egaliseert de verhoudingen. In beide figuren kun je een vergelijkbare geest ontwaren, namelijk een die ontevreden is over de culturele en religieuze onderdrukking van minderheden. De doop zorgt ervoor dat beiden nu als kameraden, zeg collegae in een gezamenlijke religieuze geest tegen die praktijken van onderdrukking in opstand komen.

De volwassendoop heeft in vergelijking met een kinderdoop een avontuurlijke kant. Terwijl een gedoopt kind een naam krijgt en wordt opgenomen in een veilige gemeenschap, wordt de volwassene juist gescheiden van de beschermde wereld waarmee zij of hij vertrouwd is. De moederschoot wordt verlaten: het meisje is een vrouw geworden, de jongen een man. Wie in de geest wordt gedoopt, initieert een plan en zet een handtekening onder een akkoord, waarmee de dopeling breekt met een ‘oude natuur’ en, heel gewaagd, opnieuw leert dansen.

Voor de dopeling die in het waterbad van de geest stapt, vervagen duidelijke grenzen juist (weer) – zij of hij staat in een nevel van damp en ondoorzichtigheid. Er is de ingeving, een blik op wat komen gaat, maar geen zicht op uitkomsten of ‘eindresultaten’. In die ‘doortocht’ vindt een gelovige geen grip in de empirische werkelijkheid, er is enkel een sterke intuïtie, een innerlijke overtuiging dat je iets te doen staat. Een gelovige noemt die grond ‘God’ en het is deze plaats waar de relatie tussen een mens en ‘dat wat de mens overstijgt’, wordt gecultiveerd.

In dat gewest veranderen de biologische verhoudingen in religieuze relaties, omdat een mens hier tot kind, uitverkorene of geliefde van God wordt gedoopt. Of je als bevrijd, geëmancipeerd, herboren en nieuw geschapen weer uit die doop komt, geen idee. De dopeling verkeert in een staat waarin er niet de verwachting heerst dat de doop haar of hem rijkdom zal opleveren. Een volwassene die in geestvervoering raakt en de tocht naar God heeft aanvaard, mag wensen dat die reis “waarop zij of hij onbekende havens binnenvaart” lang duurt en zal zich in geen geval overhaasten. In de geest blijft een gelovige, als was zij of hij een lezer(es), liever urenlang in het midden van een boek hangen, dan vlot door te lezen of de laatste pagina alvast gelezen te hebben. De test van het geloof is dat je die spanning van het onpeilbare en het onvoorziene weet uit te houden.

Amen

De Korenaar Hazerswoude-Dorp, 1 oktober 2017

Preek naar aanleiding van Jesaja 5:1-7 en Matteüs 21:33-43 uit de Naardense bijbel voor de viering op de tweede zondag van de herfst op 1 oktober 2017 om 09.30 uur in De Korenaar van de Protestantse Gemeente Hazerswoude-Dorp

Gemeente,

Als je het lied van de wijngaard uit Jesaja vijf vers een tot zeven leest, dan kun je je aan de hand van de metaforen die de auteur gebruikt, afvragen welk zelfbeeld de auteur erop na hield, en welke verwachtingen hij ontleende aan zijn godsbeeld.

De auteur staat middenin de joodse gemeenschap en ontleent zijn religieuze identiteit aan het wel en wee van die gemeenschap. Hij had in dat collectief een voortrekkersrol en ontplooide veel initiatieven, waarvan hij hoopte dat die bijdroegen aan de ontwikkeling van de leden, en ten langen leste aan de geestelijke groei van de gemeenschap. Vanuit een priesterlijke achtergrond zag hij die gemeenschap als een geschenk dat je ‘aanbiedt’ aan God vanuit het verlangen dat die er zijn intrek in wil nemen. Hij deed er alles aan om die gemeenschap dynamisch, vitaal en bekoorlijk te laten zijn, zoals je een woning voor potentiële kopers piekfijn in orde maakt en er het aroma van versgebakken appeltaart doorheen laat waaien om de kans op verkoop te vergroten.

De joodse gemeenschap rekende vooruitstrevende denkers onder haar hoede, tal van leden waren politiek actief, kunstenaars bevonden zich in haar midden en de liefde voor studie zat er bij allen goed in. Israël zou fungeren als het presenteerblaadje, het visitekaartje van Adonai en haar particulariteit en bijzonderheid zou afstralen op de gehele mensheid.

De auteur was in hoge mate verliefd op God, was zo vol van zijn manier van doen, dat hij God in de oudste lagen van zijn ziel liet groeien als een ideaalbeeld. God had soms veel weg van zijn betere, uitvergrote ik. De auteur kon zich niet van God bevrijden, die twee waren als een Siamese tweeling. Er bloeide niets in de ziel van de auteur dan ‘de grote Gij’. Oude werelden mochten voorbijgaan, hij en God waren onafscheidelijk. Overal zag je ze samen: op het land, in de kassen temidden van uitspruitende bloembollen en druiven, in het semiticum, bij de Klaagmuur, in de synagoge en toonaangevende scholen. Als een kersvers stel waarvan de auteur alleen nog maar aandacht heeft voor God en God voor de auteur, gingen zij in elkaar op.

En toen was het zover: de auteur zou ‘de Ene’ introduceren aan de gemeenschap. Terwijl ‘de wijngaard’ – lees de gemeenschap – op z’n vruchtbaarst was en klaar voor de ontvangst van God, liet God op zich wachten. Die zat nog achter de kaptafel, te rommelen in laatjes met toiletbenodigdheden en bereidde zich voor op zijn date met de gemeenschap. Zou het klikken? En toen bleek na verloop van tijd dat er geen match was tussen de betrokkenen. God bleek radicaal te verschillen van wat de gemeenschap zich van God had voorgesteld. De lijnen die na lange vergaderingen via beleid en profielen, missiestatements en de beschrijvingen van visies en perspectieven waren uitgezet, keerde ‘de Ene’ om. In die documenten werd de taal van de politiek, economie en ‘de actualiteit’ gebezigd, terwijl de grondtoon die God aansloeg die van geloof was en de uitdrukkingsvormen waarvan hij zich bediende scheppend van aard waren. God opereerde in vrijheid, was onbeheersbaar, je wist niet wanneer ‘de Ene’ kwam en weer ging, was onvoorspelbaar in zijn doen en laten. God vergat vaak wat men over hem schreef en wat mensen hem voorschreven. God leefde van de vergetelheid.

De auteur was zich een hoedje geschrokken van deze uitkomst en gaat nu bij Jesaja te rade om te voorkomen dat het tussen Israël en ‘de Ene’ een ongelukkig huwelijk gaat worden, en zij vroegtijdig besluiten tot een echtscheiding.

Jesaja is een figuur die bekend is met de voorliefdes van ‘de Ene’ en tegelijkertijd bekend is met de joodse gemeenschap. Zijn kast staat vol met joodse literatuur. Jesaja schrijft zijn tekst in een periode van conflict, en om de verbondstrouw tussen beide partijen te bezegelen, verwerkt hij tradities en laat die op beeldende wijze doorklinken in zijn eigen tijd. De hoop op het voortbrengen van druiven wordt geen realiteit en produceert in plaats daarvan “stinkbessen”. De verschillen van inzicht en onenigheid geven stem aan het gevoel van een joodse gemeenschap dat een belofte niet in vervulling gaat. Wat Jesaja doet is reflecteren op tragedie en verlies. Israël had als in een roulettespel al haar kaarten gezet op ‘dat ene winnende nummer’: God, en nu de bal met wind door de ronde roulette van het spel wordt geblazen, komt het balletje niet terecht op dat ene, felbegeerde nummer waarop ze had gegokt. De joodse gemeenschap voelt zich bedrogen. Ze had zich God voorgesteld als de teler van de wijngaard en die brengt ondanks inzet van weerskanten wilde druiven voort. De gemeenschap die wij in Jesaja vijf aantreffen, heeft liefdesverdriet en waakt, bid en wacht gespannen af tot haar verwachting alsnog in vervulling gaat.

De joodse gemeenschap had inmiddels een geestelijk erfgoed, maar haar geestelijke groei kwam tot stilstand. Er werden geen stappen gezet om tot een nieuw stadium te geraken. De jood bleef met een gebroken hart doorlopen, voelde zich wanhopig en kon niet rekenen op iemand die zijn last verlichtte. Bezwaard bleef hij op de uitkijk staan. Zou ‘de Ene’ vandaag komen?

Die situatie is voor de evangelist het vertrekpunt om te filosoferen over de geest van het joods-zijn en ‘de redding’ van zijn gedachtestelsel en religie. Hij gaat op een religieuze wijze invulling geven aan een roep die onze tijd in de vorm van de vraag naar visie en perspectief te beluisteren is.

Hij doet dat door in literaire vorm de joodse gemeenschap te helpen met nieuwe ogen naar zichzelf te kijken. Op treffende wijze verhaalt hij wat de dieperliggende structuur is van het sociaal-religieuze ongenoegen waarmee ‘de wijngaard’ worstelt. Na analyse haalt hij de angel van het ongenoegen weg door aan de mismatch zelf een messiaanse betekenis toe te kennen. De woorden van Matteüs en zijn visie kunnen een verandering teweegbrengen, waar ‘beleid’ geen oplossing bood. Als een leider daagt hij de teleurgestelde joodse gemeenschap uit zichzelf te overtreffen door het lied van de wijngaard uit Jesaja vijf vers een tot zeven te hervertellen in de vorm van de gelijkenis van de pachters van de wijngaard. Daar is enige durf, de bereidheid tot grensoverschrijding en enthousiasme voor nodig. Matteüs herschrijft Jesaja’s versie van een deel van de geschiedenis van de joodse gemeenschap. Hij daagt de joden van de gemeenschap uit een risico te nemen.

De eerste scheurtjes in het godsbeeld die zijn ontstaan, laat Matteüs voor wat ze zijn. Hij zal hier geen lijmpogingen ondernemen. Wat hij wel doet, is de pachters in de gelijkenis, die symbool staan voor de religieuze leiders, op hun verantwoordelijkheid wijzen voor de geestelijke groei van de gemeenschap. Zij zijn aansprakelijk voor de conditie en de opbrengst van de wijngaard. Het lied van de wijngaard is in gereviseerde vorm dus ook een oordeel en een berisping over ‘de slechte wijngaard’ waarin leden van de joodse gemeenschap volgens Matteüs, ‘de Ene’, in de zorgzame betrokkenheid van Israëls leiders, zachtjes uitgedrukt, niet omhelzen. Geestelijke groei is te herkennen aan de vruchten die de knechten van de eigenaren komen inzamelen. De leden van de gemeenschap dienen zich wel open te stellen voor die ‘functionarissen’. Matteüs moedigt aan over het liefdesverdriet heen te groeien en met de voortgebrachte vruchten te beleggen en te investeren in de toekomst van de gemeenschap. En, wellicht is de attitude van volharding wat joods- en christelijk geloof bindt: de jood geeft zijn hartenwens niet op en de christen houdt haar hartenwens vast. Vanuit die opstelling ontmoet Rivlin Franciscus en zijn zij in staat in de Vaticaanse tuinen, waar de wingerd slingert, klimt en in de herfst zijn rode bladeren toont, samen te bidden om vrede in het Midden-Oosten.

Amen

De Ark Amsterdam, 23 april 2017

Preek naar aanleiding van Jesaja 51:1-6 en Matteüs 16:21-27 uit de Naardense Bijbel voor de viering van de tweede zondag van Pasen op zondag 23 april 2017 om 10.00 uur in De Ark van de Protestantse gemeente te Amsterdam

Gemeente,

Sion is de hipster van Israël en Jesaja is met Sion in gesprek. De hipster is volgens Jesaja oké, maar loopt het gevaar van een algeheel en langdurig relativisme. Jesaja treedt op als Sions correctief.

Het is markt in Amsterdam-West. Op de Local Goods Weekend Market stallen mondiale Nederlanders in alle vroegte hun kraampjes uit. Er lopen mensen rond die je ook kunt treffen bij biologische markten zoals in Park Frankendael in stadsdeel Oost. Het zijn linksgeoriënteerde idealisten, jonge mensen van tussen de twintig en vijfenveertig jaar die in ieder geval één gemene deler hebben: een duurzame levensstijl. Vrouwen naaien hun eigen kleding van soms gerecyclede stoffen. Mannen hebben verzorgde baarden, puntbaardjes, knotjes in het haar en dragen een muts, pofbroek en sandalen. Veel van de producten die te koop worden aangeboden komen uit eigen moestuin of zijn eigenhandig verbouwd, geoogst, gebrouwen, gebakken of geperst.

Het is de nadruk op het ‘zelf’ dat bijdraagt aan een alternatieve sfeer van authenticiteit en menswaardigheid. De maker heeft op eigen initiatief iets in het leven geroepen, is van A tot Z bij het totstandkomingsproces betrokken en biedt haar of zijn product zo belangeloos mogelijk aan. Aardbeien, vegetarische hapjes, biologische wijn worden aangeboden in voorwerpen die van natuurlijke materialen zijn gemaakt. Veel hout, draad en linnen, liever geen kunststof, laat staan plastic. Mannen zitten achter mobiele naaimachines en verstellen oude jeans of lappen schoudertassen op. De kinderen die hier rondlopen zijn zo vrij als vogels. Ze zingen, rennen op blote voeten rond of werken aan creatieve opdrachten.

Ook hipsters bezoeken de markt in Amsterdam-West. Hipsters zijn tieners tot dertigers die deel uitmaken van een internationale subcultuur, zogenaamde ‘Millenials’ die leven in stedelijke gebieden. Het zijn bohemiens uit de middenklasse die in de betere buurten socializen. Ze zijn hoogopgeleid, goed thuis in de wereld van wiskunde, natuurwetenschap, vrije of grafische kunst, eten graag fruit, kunnen goed koken, houden van filosofie, obscure bandjes en lezen veel boeken en gedichten. De cultuur van de hipster is er één van verandering, een trans-Atlantische smeltkroes van stijlen, smaken en gedrag. Onafhankelijke muziek, dat wil zeggen zelf geproduceerd en gepubliceerd, een gevarieerde modegevoeligheid met een voorkeur voor vintage, dat is tweedehands kleding, progressieve politieke opvattingen en organisch voedsel kenmerkt de hipster.

Ze dragen skinny jeans en een T-shirt of cowboy blouse, een oversizede bril, hoofdbanden, nagellak, piercings en een koerierstas voor de IPhone. De kledingstijl van de hipster is een combinatie van diverse invloeden. In de levensstijl van de hipster is soberheid verweven, een terugkeer van elementen uit het verleden die zij of hij kan waarderen en een selectieve keur van nieuwe technologische gadgets. De hipster heeft weet van ‘tegenstellingen’ en kan die als zodanig accepteren. Zij of hij is niet opgegroeid en gelooft niet in een eenduidig mens- en wereldbeeld, maakt wat oud is weer nieuw, heeft een afkeer van blind consumentisme en maakt autonome keuzes.

Sion is de hipster van Israël. Ze heeft al heel wat levensbeschouwingen, programma’s en partijen zien komen en gaan. Zodra een publieke figuur moord en brand begint te schreeuwen, haalt ze haar schouders op. De lancering van ‘nieuwe ideeën’ bekijkt ze met argusogen. Ze ziet veel herhaling, oude wijn in nieuwe zakken en houdt noch van volgen noch van leiden. Jesaja, een profetisch taalkundige uit Sions vriendenkring, had haar tijdens een neerslachtige, prozaïsche bui bedolven onder een lawine van spirituele termen en imperativi. Hij sprak haar toe vanuit een wereld die zij al lang achter zich had gelaten.

Jesaja was veel rechtser in zijn manier van denken dan Sion: hij dacht contextueel, benadrukte het belang van familierelaties en opeenvolgende generaties, zag in het verleden een spoor van welzijn, geloofde in de ontwikkeling van de mens – een links trekje –, drukte zich poëtisch uit en nam grote termen in de mond als ‘gerechtigheid’ en ‘heil’.

Jesaja duidt vanuit zijn Joodse denken de levenshouding van Sion als onverschillig, onbepaald, gefragmentariseerd, een syncretistische melange, een wanhopige strategie om sympathiek te staan tegenover diverse levensovertuigingen. Sions attitude zou een leven representeren dat ‘in puin’ lag en Jesaja probeert uit alle macht van haar weer een vrouw uit één stuk te maken. Jesaja is een nostalgicus die een herstel van vervlogen betekenissen voorstaat.

De situatie echter waarop Sion met haar gelatenheid, terughoudendheid en geconstrueerde hipster-leefstijl op reageert is het verliezen van een geloof in het realiteitsgehalte van abstracte termen, grote, coherente verhalen en de nadruk op een uitgesproken voorkeur voor één traditie, tekst of religie. Zou Sion in de jaren tachtig van de twintigste eeuw hebben geleefd dan had je haar een postmodernist kunnen noemen. Sion dacht ruim, circulair, mild en had weinig op met lineaire constructies. Haar hipster-stijl vormde een modus waarin ze openstond voor verandering en uit was op menselijk begrip.

Het kiezen voor slechts één type gedachtegoed vond ze een soort almachtsfantasie, een poging om de werkelijkheid te beheersen, een product van totaliteitsdenken waarvan ze vaak had gezien hoe het kon domineren en zich tussen intersubjectieve relaties en samenlevingen wrong. Ze had ervoor gekozen dat centrale, harde denken af te zwakken en los te leven. Want wie haar ziel wil redden, zal haar verliezen en vice versa. Maar Sion wilde haar ziel verliezen vanwege de medemenselijkheid, en, zo merkte ze in de praktijk, vond die ook. Noem die keuze de manier waarop ze zichzelf prijsgeeft, haar offer, het geschenk van iets waardevols dat ze weggeeft in de hoop op een herschepping van bestaansstructuren.

De reactie van Petrus vertoont veel van ‘stelligheidsdenken’, ergens heilig van overtuigd zijn en doen voorkomen alsof dat het enige perspectief is van waaruit je naar een mens, kwestie of ding kunt kijken. Hij verzet zich tegen andermans visie en probeert een ander te verleiden, over te halen tot ‘zijn gelijk’. En dan is Petrus niet langer een rotsblok waar je een gemeente op kunt bouwen, maar een struikelblok. Die mens krijgt van de evangelist een reprimande. Petrus staat symbool voor de mens die niet begrijpt wat het betekent een offer te brengen om een persoonlijke onderneming te laten slagen.

Matteüs was een Joods christen die in zijn polemiek tegen exponenten van het Jodendom – de oudsten, hogepriesters en schriftgeleerden in de tekst – de christelijke identiteit steeds verder laat uitkristalliseren. Je zou zijn tekst kunnen lezen als de neerslag van een midlifecrisis waarin hij, Matteüs, een mens op middelbare leeftijd zich geconfronteerd weet met zingevingsvraagstukken. Hij beseft dat zijn leven voor een groot deel voorbij is en die gewaarwording leidt tot bezinning en zelfreflectie over de wijze waarop hij tot dusver zijn leven heeft ingericht. Gevoelens van verveling, afstomping en geroutineerdheid zijn hem niet vreemd. Hij start een zoektocht naar een niet nader bepaald levensdoel en voelt de drang ingrijpende wijzigingen aan te brengen op zijn religieuze levensgebied. Matteüs lost die existentiële onrust niet op met een sportwagen of een verjongingskuur en gaat ook niet op de versiertoer, maar hij lost die op door in grote mate afstand te nemen van het Joodse erfgoed en wil doorstoten naar een nieuw stadium. Daarvoor zet Matteüs veel op het spel. Zijn vertrouwde Joodse omgeving, zijn baan als tollenaar en vrienden onder wie de persoon Petrus.

Als religieuze gelovige kun je je afvragen: waar hangt de messias uit? Op welke plaatsen gebeurt ‘het nieuwe denken’? Dat ‘rijk’ waar menig evangelist over schrijft, wat is daarvan terechtgekomen en hoe krijgt het, indien al, vandaag de dag gestalte?

De ongeorganiseerde, internationale Occupybeweging die in 2011 protesteerde tegen economische en sociale ongelijkheid is te duiden als zo’n nieuwe denkwijze. Ook de hipster, de Sion van vandaag, vertegenwoordigt een levensstijl die buiten de gebaande paden loopt en oude manieren van denken opgeeft. Het is niet gemakkelijk als hipster alle ballen tegelijk de lucht in te houden. Je versterft aan het idee van één project.

Op het moment dat je een keuze maakt voor bijvoorbeeld één vorm van denken of leven, dan selecteer je uit een variëteit aan mogelijkheden, discrimineert en houdt een paar of één optie over waar je je dan aan kunt committeren. De hipster in de huidige derde generatie doet iets waarvan ik vermoed dat haar of zijn voorgangers er nauwelijks toe in staat waren. De hipster stelt zich permanent in op verandering en gaat telkens heel flexibel en diplomatiek om met een groot scala aan zienswijzen.

De hipster heeft met eenheidsdenken gebroken, neemt ‘het kruis’ van caleidoscopisch leven op zich en is op die manier zichzelf. Het is de remedie voor veel gewelddadige structuren die via generaties in geschiedenissen terug te lezen is. De schaduwzijde van de taak van een hipster is dat zij door menig hedendaagse Jesaja en Jezus wordt berispt en de vervulling van de opstanding die zij heeft geïnitieerd mogelijk niet gaat meemaken. Het hart van de hipster is een huis met veel woningen. Op die wijze gunt ze anderen leefruimte.

Amen                                             

De Hoeksteen Zwijndrecht en Het Kruispunt Voorschoten, 2 april 2017

Preek naar aanleiding van Jesaja 42:1-9 en Handelingen 10:34-38 uit de Willibrordvertaling voor de viering van zondag Judica op 2 april 2017 om 10.00 uur in de hervormde wijkgemeente De Hoeksteen te Zwijndrecht en voor de Vesper om 19.00 uur in Het Kruispunt van de protestantse gemeente te Voorschoten

Gemeente,

Het is wellicht het meest onvolprezen beroepsperspectief: dat van profeet. Een kenmerk van menig oudtestamentisch profeet is ‘onwil’. De aanstaande profeet kiest, als het aan hem of haar ligt, liever het ruime sop – denk aan Jona – of hult zich in zwijgen, dan af te reizen naar een uithoek van de wereld of op een kist op het marktplein te gaan staan om er zijn of haar overtuiging rond te bazuinen of er een boodschap te verkondigen. Het zijn vaak derden die ‘de profeet’ die functie toebedelen, een tijdgenoot die iets gezien heeft in die figuur, namelijk dat hij of zij een inzicht met zich meedraagt dat de profeet de mensheid niet mag onthouden.

Zoals een eenentwintigste-eeuwse West-Europeaan wellicht een sms’je of appje zou sturen na lange tijd niet van een vriendin of kennis gehoord te hebben en op die wijze de sociale dynamiek op peil houdt, zo zou een gelovige Jood uit de Oriënt in achthonderd voor Christus een profeet ertoe bewegen ‘het zwijgen Gods’ te verbreken door haar of zijn woord te spreken. De figuur van de profeet kreeg de ‘status’ toebedeeld van tussenpersoon, een schakel tussen ‘de goddelijke voorzienigheid’ en de levenskwaliteit van een samenleving.

Ook in geval van Jesaja is er een fundamenteel verschil, een discrepantie tussen zijn zelfbeeld en de manier waarop hij door zijn omgeving wordt waargenomen. De ‘rol’ die hij voor zichzelf ziet weggelegd, is een heel andere dan die van profeet: vandaar dat hij als een berg opziet tegen het betreden van het podium en tegen heug en meug gehoor geeft aan ‘zijn onvrijwillige roeping’. Dienstknecht? Uitverkorene? De geestelijke uithangen? Het recht roepen van de daken? Mij niet gezien!

Jesaja was de kleuter aan wie zijn moeder ‘geen kind had’. Hij gaf geen kick! Jesaja is de stille, ijverige jongen in de klas die na schooltijd naar huis fietst en er ‘braaf’ zijn huiswerk maakt. Hij is er om zo te zeggen ‘het type niet naar’ de kwajongen uit te hangen en rottigheid uit te halen met vriendjes uit de buurt. Jesaja is de jongen die vanwege zijn ernst, verantwoordelijkheid en ‘onpartijdigheid’ tot klassenvertegenwoordiger werd verkozen. Jesaja is de puber die pulkend aan de mond van een bierflesje tegen de muur aan geleund staat en moed moet verzamelen de dansvloer op te gaan. Eerlijk gezegd heeft hij het land aan feestjes.

Scheikunde, natuurkunde, biologie, godsdienst en drama zijn Jesaja’s meest geliefde vakken. In het weekend verzamelt hij z’n tent, slaapzak, butaanhouder, telescoop en fotocamera om in een niemandsland de natuur en de sterrenhemel te bestuderen. Hij maakt aantekeningen, schetsen, berekeningen, grafieken, doet experimenten en bootst in het klein na wat hij in het groot heeft gezien.

Jesaja is de zachtaardige jongen met veel vriendinnen die begrip kon opbrengen voor hun angsten en complexen en belangstelling toonde in hun wereld van hockey, mode, nagellak, popmuziek en romans. Jesaja is de student die geen pogingen zal doen in het middelpunt van de belangstelling te staan. Hij volgt trouw de colleges, kan zich goed concentreren, knoopt hier en daar een gesprek aan en gaat z’n eigen gang. Dat hij in zijn vrije tijd aan een boek werkte over het ontstaan van de wereld, God, de voltooiing van de dingen, de oorzaken van het kwaad in de wereld, een analyse van de vrije wil, het begrijpen van de betekenis van ‘het begrip’ zonde en de structuur van de menselijke geest, wist geen mens, behalve de uitgever.

Jesaja had er het liefst nog langer aan gewerkt, was niet helemaal tevreden over de opbouw van zijn verhandeling en had het geheel graag postuum gepubliceerd. De uitgever had erop gestaan: de dromen en de ideeën van Jesaja – liep hij niet permanent met zijn hoofd in de wolken? – daar had de mensheid recht op. Het was de hoogste tijd dat zijn jongste talent in de schrijversclub uit de kast kwam.

Jesaja was geen ooggetuige, maar een getuige die ‘heldere inzichten’ had waar een vastgelopen geloofsgemeenschap mee verder kon. Dat een aantal invloedrijke figuren uit die geloofsgemeenschap hem vervolgens naar voren hadden geschoven als ‘lichtende figuur die voor de troepen uitloopt’, hem als ‘boodschapper van heil’ de geschiedenis in hadden doen gaan, dat nam hij voor lief. Hij had er z’n schouders bij opgehaald: de hoofdthemata van zijn theologisch-filosofisch traktaat betroffen de dingen waar zijn hoofd vol van was.

Eeuwen na het verschijnen van Jesaja’s grondslagen van het joodse denken, zal er een boekje verschijnen onder de naam ‘Handelingen van de apostelen’. De getuigenissen staan er opgetekend van ‘nieuwe Zuiderlingen’ die hun joodse klassiekers kenden. De auteur die een medische opleiding had gevolgd, schreef het in zijn beste Grieks.

Dag aan dag stond de auteur aan het bed van vrouwen die een kind ter wereld brachten, liep hij als arts over de afdeling van ziekenhuizen, holde naar de intensive care, schreef medicijnen voor, bezocht verpleegtehuizen en vergaderde met collega’s en andere vakspecialisten over de ethische en levensbeschouwelijke aspecten van zijn vak. Kortom, hij was bekend met genezingsverhalen, barensnood, wist wat het betekende een mens van haar of zijn pijn te verlossen en wat voor gemoedsgolf aan vreugde dat teweeg bracht. Nog weer vele tijdvakken later zul je zien dat er jonge personen uit de charismatische beweging opstaan om aan hun persoonlijk getuigenis lucht te geven. Gevoelens van bevrijding, die moeten eruit!

De titel van het geschrift doet vermoeden dat we hier van doen hebben met een meervoud aan representanten uit ‘de vroege kerk’. Het zijn echter twee apostelen wiens getuigenissen met name worden belicht. Paulus die de draad van ‘de Jezusbeweging’ oppakt en Petrus. Deze Petrus zal na zijn ‘bekeringsverhaal’ een concilie bijwonen – op de voorzijde van de liturgie ziet u een afbeelding van een concilie. Consilium, dat is een Latijns woord voor een mondiale vergadering waar kerkleiders theologische en kerkelijke onderwerpen bespreken.

De rol die Petrus in dit concilie zal gaan spelen is die van een ‘geloofsgetuige’ die van mening is dat de bespreking van die thema’s weinig uit het leven gegrepen is. De stem van de leek, de ‘gewone gelovige’ die hij juist heel hoog acht, komt er nauwelijks aan bod. Om die onevenwichtigheid te compenseren zal hij er ‘op eigen naam’ een getuigenis in de vorm van fragmenten uit zijn autobiografie uitspreken waar de bisschoppen en andere kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders stil van worden. Met zijn persoonlijke ‘statements’ zal hij roet gooien in het eten van de kerkelijke agenda’s. En hij gaat nog een stap verder, want wat de kerkleiders in Jeruzalem zijn vergeten, is het geluid van ‘de atheïst’ in hun gefixeerde standpunten en binnenkerkelijke betogen te verdisconteren. Petrus doet die gewaagde stap niet op basis van ‘rationele gronden’, alhoewel hij wel inziet dat ‘de heiden’, de zogenaamde buitenstaander – een plaatsbekleder in deze algemene vergadering nodig heeft om coöperatieve relaties tussen mensen van verschillende levensoriëntaties in de polis aan te gaan. Petrus stemt zijn gedrag af op twee ‘intuïties’ die hij nauwelijks kan weerstaan.

De eerste is de vrees dat het hoogkerkelijke gezelschap een eenzijdige religieuze groepering wordt met een paar of, erger nog, één dominante leider. De tweede intuïtie is dat de ongelovige, de atheïst, de heiden of het seculum verhalen hebben in te brengen die een eigen, nieuwe lijn opzetten naast de boektradities van hellenisme en bijbel. Op ‘de heiden’ rust geest. Petrus’ ingreep staat ten dienste van het wekken van de interesse naar andere levensbeschouwingen en het vergroten van de onderlinge verdraagzaamheid.

Voor Petrus’ optreden is binnen de pauze ruimte ingelast. Hij zou aanvankelijk acht minuten spreektijd krijgen, het zullen er achtenvijftig worden. Na de lange zit veren ingedutte kerkelijk leiders op. Petrus is geen systematicus, hij spreekt niet van het papier, maar wat hem ter plekke en puttend uit zijn beroeps- en levenservaring ‘theologisch’ invalt. De echtheid van zijn relaas en de hybris die in de standpunten van het concilie doorschemert en die Petrus zo pastoraal aankaart, daar worden zijn luisteraars stil van. En ook hier het aloude liedje: de profeet, de apostel is geen vrouw van het woord. Nadat Petrus z’n zegje heeft gedaan, was hij met z’n verbanddoos in z’n koffer weer verder gereisd. Hij is en blijft ‘een apostel’, iemand die al rondtrekkend graag zijn handen uit de mouwen steekt.

Amen