Tag Archives: Ideologie

Zondag 5 juli 2020, Houtrustkerk Den Haag, zondag 12 juli, Scheppingskerk Leiderdorp, zondag 26 juli 2020, Julianakerk Sassenheim, zondag 2 augustus 2020, Dorpskerk Castricum, zondag 9 augustus 2020, Ontmoetingskerk Nieuwveen, zondag 16 augustus 2020, St. Pieterskerk Beesd, zondag 30 augustus 2020, Grote Kerk Oostzaan & zondag 6 september 2020, Emmaüs Ede

Overdenking naar aanleiding van Numeri 21:25-22:1 en Handelingen 8:26-40 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op zondag 5 juli 2020 om 10.30 uur in de Houtrustkerk te Den Haag, op zondag 12 juli om 10.00 uur in de Scheppingskerk te Leiderdorp, op zondag 26 juli 2020 om 10.00 uur in de Julianakerk te Sassenheim en op zondag 30 augustus 2020 om 10.00 uur in de Grote Kerk te Oostzaan, en uit de Nieuwe Bijbelvertaling op zondag 2 augustus 2020 om 10.00 uur in de Dorpskerk te Castricum, op zondag 9 augustus 2020 om 9.30 uur in de Ontmoetingskerk te Nieuwveen, op zondag 16 augustus 2020 om 10.00 uur in de St. Pieterskerk te Beesd en op zondag 6 september 2020 om 11.00 uur in kerkelijk centrum Emmaüs te Ede

Gemeente,

De Onafhankelijkheidsverklaring, het oprichtingsdocument van de Verenigde Staten, claimt dat alle mensen gelijk geschapen zijn en de onvervreemdbare rechten van leven, vrijheid en het streven naar geluk hebben. Dit statement, ondertekend door Thomas Jefferson, die leefde van 1743-1826, drukt wellicht meer dan enig ander document de zogeheten Amerikaanse droom, de Amerikaanse geloofsbelijdenis uit, en, als er zoiets is dat we de Amerikaanse ideologie kunnen noemen, dan maakt deze droom of geloofsbelijdenis er zeker deel van uit. Aan dit statement werd daarom op sleutelmomenten in de Amerikaanse politieke geschiedenis keer op keer gerefereerd: door Abraham Lincoln, in zijn Gettysburg Address gedurende de burgeroorlog in 1863, door Jefferson binnen de burgerrechtenbeweging van de jaren vijftig en zestig, het meest beroemd door de belangrijkste woordvoerder van deze beweging, Martin Luther King, in zijn speech gedurende de mars naar Washington in 1963. De twee sleutelmomenten van de Amerikaanse politieke geschiedenis waarin deze twee speeches werden gegeven waren beide omwentelingen, veroorzaakt door de ene belangrijke kwestie in de Amerikaanse geschiedenis en cultuur: de relatie tussen de Amerikaanse geloofsbelijdenis en ras, dat is: op ras-gebaseerde slavernij en de nasleep daarvan. Jeffersons Notities over de staat Virginia, gepubliceerd in 1787, elf jaar na het opstellen van de Onafhankelijkheidsverklaring, geeft inzicht in het problematische, ambigue karakter van deze relatie.

Jefferson was, van jongs af aan, een felle tegenstander van slavernij. Hij noemde slavernij “een abominabele misdaad” en veroordeelde het in de kladversie van de Onafhankelijkheidsverklaring, maar zijn anti-slavernij-uitspraken zijn uit de uiteindelijke versie verwijderd. In de Notities over de staat Virginia worstelt Jefferson met het probleem van slavernij en ras, een probleem, waarin hij gedurende zijn hele leven op verschillende manieren verwikkeld was: als revolutionair en politicus, als een van de grootste land- en slaveneigenaren in Virginia, als man, als minnaar, als ouder en meester van tot slaaf gemaakte kinderen en, als filosoof. Jefferson’s argument in de Notities over de staat Virginia is dat slavernij onrechtvaardig is en daarom moet worden afgeschaft, maar ook, omdat rechtvaardigheid in de natuur is ingebed, zal slavernij op de lange termijn onhoudbaar zijn en daarom worden afgeschaft; slavernij heeft op zwarte mensen het effect van het aanwakkeren van een blijvende haat jegens witte mensen, en daarom zal het samenwonen van de zwart-witte bevolking tot een rassenoorlog leiden, tot de mogelijke uitroeiing van de witte bevolking, die daarom, voor haar zelfbehoud, de zwarte bevolking moet deporteren. Dit is volgens Jefferson het politieke bezwaar tegen het samenleven van de zwarte en witte bevolking. Hij voegt daar nog wat hij noemt “fysieke en morele bezwaren” aan toe die een biologisch bezwaar tegen de samenleving van zwarte en witte mensen vormt, of, beter, tegen de vermenging van zwarte en witte mensen door geslachtsgemeenschap.

Aan de ene kant was Jefferson, lijkt het, diep overtuigd van de gelijkheid van mensen, de gelijkheid van zwarte en witte mensen, een gelijkheid die inhield dat ze allemaal een moreel gevoel hebben. Aan de andere kant lijkt hij ook diep overtuigd te zijn van de inferioriteit van zwarte mensen, een inferioriteit van lichaam en intellect, dat hij zeer weinig overtuigend probeert te rechtvaardigen als iets van de natuur, niet van conditie. Hij lijkt helemaal niet zeker dat zwarte en witte mensen van dezelfde soort zijn, dezelfde rang in de natuur hebben, en vreest hun vermenging. Kortom, Jefferson lijkt nogal verdeeld over de gelijkheid van zwarte en witte mensen.

Volgens sommigen is slavernij gebaseerd op ras, op racisme, met betrekking tot de oorsprong en de innerlijke werking van het Amerikaanse politieke systeem, de Amerikaanse democratie, niet een ongerelateerd, contingent historisch feit, maar een fundamenteel feit en, volgens sommigen is op ras-gebaseerde slavernij binnen de hedendaagse Amerikaanse samenleving niet enigerlei historisch, verleden feit, maar een nog steeds zeer actueel feit en moet, volgens sommigen, het centrale feit zijn in elke uitleg van de belangrijkste kenmerken van huidig sociaal, politiek en cultureel leven in de Verenigde Staten.

De centraliteit van het probleem van op ras-gebaseerde slavernij voor de toekomstige ontwikkeling van de Verenigde Staten werd heel scherp gezien, voorzien, door Thomas Jefferson, omdat hij, ten eerste, voorzag dat het probleem van slavernij onvermijdelijk zou leiden tot een breuk van de Verenigde Staten, een burgeroorlog, die inderdaad heeft plaatsgevonden in de jaren 1861 tot 1865 en, ten tweede, hij voorzag, in de Notities over de staat Virginia, dat de afschaffing van de slavernij in combinatie met de voortdurende aanwezigheid van de zwarte bevolking binnen het grondgebied van de Verenigde Staten, onvermijdelijk zou leiden tot een rassenoorlog, die, volgens sommigen, inderdaad heeft plaatsgevonden en vandaag nog steeds plaatsvindt, omdat de afschaffing van de slavernij in 1865 en de daaropvolgende mislukking van de zogeheten Reconstructie in de zuidelijke staten in de jaren 1865 tot 1877, werd gevolgd door gelegaliseerde rassenscheiding in de jaren 1877 tot 1965. Deze rassenscheiding werd gelegaliseerd door de zogeheten Jim Crow wetten, en door het terrorisme van lynchen, en werd in de jaren 1916 tot 1970 gevolgd door de zogeheten Grote migratie van zes miljoen zwarte Amerikanen van de zuidelijke naar de noordelijke staten, en werd vanaf 1970 en verder gevolgd door de massale opsluiting van zwarte Amerikanen, om slechts enkele van de belangrijkste evenementen te noemen van deze ontwikkeling, die, zoals gezegd, volgens sommigen, inderdaad de rassenoorlog is die Thomas Jefferson voorzag.

Jefferson, klaarblijkelijk een racist, leek verdeeld, maar kon zich, lijkt me, niet zo goed bewust zijn geweest van de diepgeworteldheid van de vooroordelen van zijn landgenoten met betrekking tot zwarte mensen, hun voortdurend racisme, en zo vooruitziend de rassenoorlog te voorzien, de hete en de koude oorlog, die zo diep de geschiedenis van de Verenigde Staten hebben bepaald en bepalen, als hij het niet zelf onmogelijk achtte zwarte mensen in alle opzichten als gelijken te beschouwen.

Het diepgewortelde racisme van de Amerikaanse cultuur lijkt verbonden te zijn met een meer algemeen diepgeworteld geweld in de Amerikaanse cultuur. De Verenigde Staten heeft een geschiedenis van huiselijk geweld: een geschiedenis, omdat geweld frequent is, omvangrijk, bijna alledaags in de Amerikaanse geschiedenis, vanaf het begin (de gewelddadige verovering van het land en uitroeiing van de indiaanse volkeren) tot vandaag (het aantal wapens in het land, het aantal schietpartijen), maar geen traditie, omdat het te divers, diffuus en spontaan is geweest en omdat de Verenigde Staten een opmerkelijk gebrek aan geheugen heeft wat geweld betreft.

Het geweld van de eerste Europese verovering en bezetting, en van de volgende Amerikaanse verovering van het westen in de negentiende eeuw is gerechtvaardigd door het geloof in Amerika’s zogeheten Manifeste bestemming. Naast de Amerikaanse droom of geloofsbelijdenis, lijkt dit geloof in een missie, een Manifeste bestemming een ander essentieel element te zijn van de Amerikaanse ideologie. Racisme, de overtuiging van de inferioriteit van andere mensen, de in de loop van deze Amerikaanse missie onderworpen mensen – Indianen, Afro-Amerikanen, Mexicanen en Haïtianen – was, en is nog steeds, onlosmakelijk deel van deze Amerikaanse ideologie.

In de twintigste eeuw, in de nasleep van de interventie van de Verenigde Staten in beide wereldoorlogen, is een bepaald type imperialisme deel geworden van de Amerikaanse ideologie. De Amerikaanse missie werd geglobaliseerd in een missie om de wereld te beschermen en te bevrijden voor democratie, maar ook deze twintigste-eeuwse en eenentwintigste-eeuwse versie van de Amerikaanse ideologie is gebaseerd op de overtuiging van de inferioriteit van de mensen die het object zijn van deze missie van bescherming en bevrijding.

De Amerikaanse ideologie is een specifieke vorm van de ideologie die de westerse koloniale expansie en imperialisme, de ideologie van de moderniteit rechtvaardigen. De moderniteit die, zoals Descartes zegt, streeft naar de beheersing van de natuur door het gebruik van de rede; een beheersing van de wereld en alles wat zich daarin bevindt door degenen die claimen de representanten te zijn van de rede, van beschaving, van progressie, van geschiedenis. De koloniale expansie was vanaf het begin gerechtvaardigd door een ideologie die het recht van de superieur claimde, want meer beschaafd, meer menselijke, westerse, witte christenen om de rest van de wereld te onderwerpen en te regeren, en zichzelf te verrijken.

De Amerikaanse ideologie is een vorm van de algemene, westerse ideologie van de moderniteit, maar zijn eigenaardigheden worden bepaald door de zeer bijzondere Amerikaanse situatie, die door sommigen wordt gekarakteriseerd als ‘intern kolonialisme’. Terwijl andere westerse bevoegdheden gedurende de koloniale en imperialistische periode hun koloniën hadden en anderen gebieden en mensen op een afstand onderwierpen, meestal heel ver weg, onderwierp de Verenigde Staten, als een kolonistenkolonie, mensen – autochtoon en geïmporteerd – en koloniale, plantage landbouw binnen zijn eigen grootstedelijk gebied; en terwijl voor alle andere westerse landen het proces van dekolonisatie een buitenlandse zaak was, was en is het voor de Verenigde Staten een binnenlandse aangelegenheid: de nog steeds gaande rassenoorlog die zich in de twintigste eeuw manifesteerde in de Grote migratie, de burgerrechtenbeweging en de massale gevangenschap van Afrikaanse Amerikanen. Dus, hoewel het geweld van de Amerikaanse cultuur en geschiedenis tot op zekere hoogte typisch is, is het ook nauw verbonden met het geweld van de westerse cultuur en geschiedenis in de moderniteit.

Deze westerse ideologie van de moderniteit zelf kan worden teruggeleid naar de Griekse, joodse en christelijke wortels van de westerse cultuur. In de Griekse cultuur – in de Historiën van Herodotus en in Aristoteles’ Politika bijvoorbeeld – en in joodse en christelijke cultuur – in Numeri 21:25-22:1 en Handelingen 8:26-40 bijvoorbeeld – vindt men dit sterke gevoel van de superioriteit en van de missie van de eigen cultuur.

Begrijpelijkerwijs kunnen deze gevoelens van superioriteit van de eigen groep, mensen, ras, beschaving, en deze vijandigheid en dit geweld ten aanzien van andere groepen, mensen, rassen en beschavingen een algemeen kenmerk zijn van alle menselijke groepen, mensen, rassen, beschavingen en hun ideologieën, maar dit kan ons niet ontslaan van de taak om de bijzonderheden te bestuderen van de ideologieën die op dit moment in de tijd proberen, redelijk succesvol, de wereld te regeren, ons te regeren.

Amen

Zondag 11 november 2018, ‘Adventskerk’ Alphen aan den Rijn

Preek naar aanleiding van Marcus 5:22-43 uit Een tijding van vreugde. Het evangelie verhaald door Markus van dr. Marie H. van der Zeyde voor de Cantateviering op zondag 11 november 2018 om 18.30 uur in de Adventskerk te Alphen aan den Rijn

Gemeente,

Marcus vijf vers tweeëntwintig tot drieënveertig leest als de opeenvolging van twee opstandingsverhalen. In deze verhalen heeft de term ‘opstanding’ niet de betekenis dat een mens die in de bij ons gangbare betekenis is gestorven, uit de dood herrijst of een patiënt die ‘klinisch dood’ is weer waarneembare tekenen van leven vertoont. De thematiek die Marcus via deze ‘spiegelverhalen’ wil aankaarten, is dat gemeenteleden begrippen die betrekking hebben op de menselijke geest ook als zodanig mogen gebruiken. Marcus kwam in zijn gemeente mensen tegen die geestelijke begrippen letterlijk opvatten, waardoor er begripsverwarring en discussies ontstonden, waarin hij verheldering gaat scheppen.

De term ‘opstanding’ heeft in het verhaal over de twaalfjarige Talitha de betekenis van fysieke, sociale en emotionele repressie te worden bevrijd. In het eerste opstandingsverhaal gaat Marcus het opnemen voor de puber in zijn gemeente. Hij heeft gezien dat menig puber vrijheid nodig heeft om haar of zijn eigen gang te gaan, maar die ruimte in de thuissituatie vaak niet krijgt. Talitha, de jonge, naamloze vrouw, die wordt gepresenteerd als “het dochtertje van Jaïrus”, is twaalf jaar. Op die leeftijd zijn veel jongeren met het eigen lichaam, relaties, identiteit en levenskeuzes bezig. Er gebeurt nogal wat met het lijf als een jongere de overstap maakt van basisschool naar brugklas.

Lichamelijke veranderingen vormen een puber richting de volwassenheid, en ook deze jonge vrouw beseft dat ze geen kind meer is. De vader van Talitha is hoofd van de synagoge. Hij is de bestuurder van de joodse gemeenschap, een leidinggevende die beslissingen neemt in besluitvorming over beleid, verantwoordelijkheden op zich neemt en evenementen organiseert. Wellicht heeft hij de ontwikkelingen die Talitha innerlijk en uiterlijk doormaakte niet op de voet gevolgd. Hij noemt haar nog altijd liefkozend met een verkleinwoord “mijn dochtertje”. Maar deze jonge vrouw wier anatomie een groeispurt heeft gemaakt, die biologische rijpingsprocessen ondergaat en wellicht net haar eerste menstruatie heeft gehad, voelt zich allang geen dochtertje meer, en is meer dan ‘een domineesdochter’. Ze maakt een periode door, waarin ze zich van haar ouders gaat losmaken. Als ik inzichten uit de psychoanalyse mag geloven, dan kost het een meisje doorgaans twee keer zoveel moeite te slagen in die onthechting als een jongen. Om zich te kunnen ontwikkelen tot een zelfstandig persoon, die voor zichzelf leert spreken en wier identiteit niet wordt bepaald door de sociale relaties waarin ze is geboren, is voor Talitha van belang dat ze bij haar voornaam wordt aangesproken. Ze zou graag zien dat haar vader haar voor vol aanzag en verlangt ernaar dat hij haar serieus neemt. Dat doet hij niet door haar als een kleuter te behandelen en in de huiselijke sfeer vooral gesprekken over werkgerelateerde zaken te voeren. Jaïrus is hoofd van het joodse gebedshuis, terwijl deze puberende vrouw naar ruimte zoekt voor haar gevoelswereld. Om aandacht te vragen voor haar leefwereld en haar fysieke gestel waarbinnen zich van alles afspeelt, is ze een hongerstaking begonnen.

De pubertijd is voor jonge vrouwen een periode van overgangen, waaraan je binnen de pastorale sfeer aandacht kunt besteden door ze te markeren met seculiere of religieuze rituelen. Zo’n ritueel stelt de werkelijkheid die gaande is present, en verleent structuur aan een tijd die mogelijk als verwarrend, emotioneel en overweldigend wordt ervaren. De periode waarin een mens seksueel volwassen en mondig wordt, kan ook uitmonden in het ontwikkelen van eetproblematiek. In ons opstandingsverhaal valt te denken aan anorexia nervosa: deze vrouw wordt door een patriarchale ouder in haar persoonlijke groei belemmerd en krijgt geen hap meer door haar keel.

Het is een strategie die een jonge vrouw kan aanwenden om lichamelijk gezien op een jongen te gaan lijken. Wie voor een lange tijd geen suikers, eiwitten en vetten tot zich neemt, raakt niet alleen lichaamsgewicht kwijt, maar ook energie. Op den duur treedt haaruitval op, de glans verdwijnt uit iemands ogen, pupillen krijgen een doffe, wazige uitstraling, lichaamsrondingen krijgen geen vorm, je verliest je spraakvermogen, smaakzin en slaapt dagen achtereen. Die comateuze toestand van schijndood is waar Marcus op doelt met het woord ‘slaap’. Achter het hekwerk dat Talitha voor haar mond heeft geplaatst, staan die mensen in de gemeente die een zwijggebod is opgelegd en die de weeklagers ‘dood wensen’. De mensen die Talitha’s dood betreuren, zijn mensen die een ideologie in stand houden. Zij vertegenwoordigen de religieuze en politieke status quo, die wordt ondermijnd zodra minderheden mondig worden en gaan spreken. Marcus neemt daar geen genoegen mee. Hun misbaar is voor hem een misplaatst gebaar, en hij heeft Jezus van Nazareth als revolutionair nodig om die situatie op te heffen.

In het tweede opstandingsverhaal thematiseert Marcus de emancipatie van de vrouw. In de joodse cultuur waarin Marcus schrijft, wordt bloed als een substantie beschouwd, die een mens onrein maakt. De vrouw die al twaalf jaar aan bloedvloeiingen lijdt, heeft om die reden geen toegang tot het joodse gebedshuis. Stadsbreed hebben ‘medegelovigen’ haar vanuit een smetvrees-optiek bejegend. Met wie je in aanraking kwam, daar werd je mee besmet en als gevolg van die zienswijze leeft deze vrouw in een sociaal isolement. Je kunt zeggen dat die zuiverheidscultus haar ziek en verbeten maakte. Het gedokter, bezoek aan specialisten, kuren, pillen en de kosten die ermee gepaard gingen, hebben haar uitgeput. In die tijd bestonden er nog geen ziektekostenverzekeraars die haar consulten en ‘apotheken’ vergoedden. Lichamelijk en financieel was ze enorm verarmd.

Zoals in onze tijd mensen soms naast of in plaats van de reguliere gezondheidszorg een beroep doen op alternatieve geneeswijzen, zo oefent Jezus van Nazareth als representant van de geestelijke verzorging een bijzondere aantrekkingskracht op haar uit. Die geest denkt niet in termen van rein en onrein, overstijgt psychologische categorieën en is erop uit de mens op te richten tot een leefwereld waarin zij vrij kunnen denken, spreken en zich bewegen. Hij is ‘de trekpleister’ in de omgeving van wie ook zij hoge verwachtingen heeft. Ze heeft nog weinig te verliezen, het is nu of nooit! Dat ze hem ‘aan zijn jasje trekt’, is cultureel gezien grensoverschrijdend gedrag, omdat ‘een onreine’ geacht werd de handen thuis te houden. Noli me tangere (Raak me niet aan!) is een uitspraak die ze in de afgelopen twaalf jaren vaak te horen kreeg.

Met het oog op haar heil dat wil zeggen, dat wat haar goed doet, zijn niet de culturele codes normerend, maar het object van haar geloof, dat is genezing van het juk dat door de denkwijze van Marcus’ samenleving in stand wordt gehouden. Voor Marcus hangt ‘evangelie’ nauw samen met grensoverschrijding, het openbreken van begrippenparen en structuren die voor individuen onderdrukkend en levensverstikkend werken. Tegenover het medisch establishment laat Marcus een timmerman uit Nazareth komen, iemand die hout bewerkt, omdat Marcus in zijn gemeente gevallen kent die voor de medische wetenschap ongeneeslijk zijn, maar waarvan hij weet dat ze met eenvoud en basale menselijke warmte in de vorm van een aanraking geholpen zijn.

Amen

Het Kruispunt Voorschoten, 16 april 2017

Preek naar aanleiding van Psalm 119:9-16 uit 150 psalmen vrij (vert. Huub Oosterhuis) en Marcus 5:22-43 uit Een tijding van vreugde. Het evangelie verhaald door Markus (vert. dr. Marie H. van der Zeyde) voor de viering van Pasen op zondag 16 april 2017 om 10.00 uur in Het Kruispunt van de Protestantse gemeente te Voorschoten

Gemeente,

De psalmist in de lange wijsheidspsalm 119 maakt gebruik van herhaling en het is de monotonie die eruit volgt waardoor de lezer(es) die de psalm reciteert het eigen leven erdoor kan verdiepen. In een vertrouwd basispatroon leer je nieuwe aspecten van eenzelfde ‘wereld’ te ontdekken. De psalmist heeft een parcours uitgetekend, zet een paar lijnen uit om je als lezer(es) een grondstructuur te geven. Daarbinnen krijg je de vrijheid het avontuur te zoeken, opgravingen te doen en je eigen leven meer perspectief te geven.

Het met regelmaat lezen van Psalm 119 is te vergelijken met hetzelfde rondje hardlopen waarin je zo gewend bent geraakt aan de route dat je de tijd hebt te mediteren en te observeren, of met een stuk tekst dat je zo dierbaar is dat je het by heart kent en er los van de context je eigen interpretatie van kunt geven. Kortom, als je het stadium van ‘beginner’ bent ontstegen kun je je aandacht verplaatsen naar ‘andere zaken’.

We lopen nu een paar ‘technische’ kanten van de psalm langs om te begrijpen hoe dit loflied is opgebouwd. Wie de elementen van de psalm krijgt aangereikt, ze herkent en weet toe te passen heeft voldoende kennis verder in de psalm eigen wegen te gaan.

Psalm 119 is een poëtisch gebed dat binnen het vroege jodendom een heel meditatieve functie had. Joodse godsdienstige mensen leerden de psalmen uit het hoofd en droegen die in allerlei verbanden voor. De psalm leest in z’n geheel als een acrostichon, dat wil zeggen dat elk couplet begint met een letter uit het Hebreeuwse alfabet. De verssectie negen tot zestien begint met de tweede Hebreeuwse letter Beth. De beth wil bijsturen, kleine correcties aanbrengen. Psalm 119 is bij de poëtische geschriften ingedeeld en maakt binnen de poëtische geschriften deel uit van een wijsheidstraditie. De term ‘wijsheid’ verwijst niet naar academische filosofie zoals je dat vandaag de dag als geesteswetenschap aan de universiteit kunt studeren. Zoals er nu een levensbeschouwelijke doelgroep bestaat van zinzoekers, spirituelen en mensen die belangstelling hebben voor levenskunst, zo formuleert de psalmist een ‘joodse levenskunst’ voor de ballingen. Elk couplet uit Psalm 119 bevat een term waarmee ‘gelovige levenskunst’ wordt beschreven en die de psalmist in het geheel ‘het woord van God’ zal noemen.

De psalmist richt zich in vers negen tot zestien in het bijzonder tot de jongere die in een veelvormige wereld leeft, nog geen geschiedenis heeft opgebouwd en van wie de identiteit nog vele kanten op kan. De joodse jongere die op vreemde bodem vertoeft, is de adressant van onze psalm. De jongere is op zoek naar ‘bronnen van het zelf’, heeft vragen over herkomst, is uit op levensrichting en experimenteert om zichzelf te worden. Als je de psalm woord voor woord herleest, zul je zien dat de psalmist ‘de verstrooide jongere’ in de psalm een thuis geeft. De psalmist heeft zijn lied zo geconstrueerd dat het onder begeleiding van een snaarinstrument als een poëtisch gebed in de privéruimte te gebruiken is. In het rijmen van gedachten hanteert hij een poëtisch stijlmiddel die de jongere uitnodigt meerstemmig waar te nemen. De psalmist spoort de zoekende jongere aan te mediteren. Is hij aan het einde gekomen? Dan verwijst de spiraalvorm weer terug naar het begin. In het maken van die cirkelbewegingen ontsluiten zich niet eerder opgedane inzichten. De herhaling zorgt voor focus die ertoe kan leiden dat de lezer(es) of zanger(es) zo in de tekst of melodie verdiept raakt dat het een vernieuwing van het eigen denken tot gevolg heeft en je als herboren uit de psalm stapt.

In de verwantschap van de verzen ontspint zich een patroon van ‘hoor en wederhoor’, er ontstaat een bepaald proces waarin de verzen wederzijds op elkaar ingaan. Het is een mengvorm die het spiegelbeeld vormt van het menselijk leven zelf met haar grondlijnen en onverwachte wendingen. De psalmist heeft via zijn psalm getoond dat hij mee kan komen in het New York van de joodse jongere. En als de beweging van het pluriforme menselijke leven de jongere teveel wordt, dan loodst de psalmist haar of hem naar de prikkelarme, rustgevende omgeving van de eentonige lof aan een monotheïstische God. De psalm lijkt op een mantra.

De pastorale zorg van de psalmist reikt verder dan de leefwereld van jongeren, want telkens wanneer een mens haar of zijn geloof in zichzelf, God, medemens en wereld begint te verliezen, klaagt en smeekt, dan zet de psalmist in met lof en dank. Zinkt de moed je in de schoenen? Hoort hij een ‘valse noot’? Dan deelt hij complimentjes uit om je vertrouwen weer op te vijzelen. Psalm 119 vers negen tot zestien vormen dus niet enkel verhelderende en elegante verzen, het zijn pastoraal gezien uitstekende verzen!

Marcus vijf vers tweeëntwintig tot drieënveertig leest als de opeenvolging van twee opstandingsverhalen. In deze verhalen heeft de term ‘opstanding’ niet de betekenis dat een mens die in de bij ons gangbare betekenis is gestorven uit de dood herrijst of een patiënt die ‘klinisch dood’ is weer waarneembare tekenen van leven vertoont. De thematiek die Marcus via deze ‘spiegelverhalen’ wil aankaarten, is dat gemeenteleden begrippen die betrekking hebben op de menselijke geest ook als zodanig mogen gebruiken.

Marcus kwam in zijn gemeente mensen tegen die geestelijke begrippen letterlijk opvatten waardoor er begripsverwarring en discussies ontstonden waarin hij verheldering gaat scheppen. De term ‘opstanding’ heeft in het verhaal over de twaalfjarige Talitha de betekenis bevrijd te worden van fysieke, sociale en emotionele repressie.

In het eerste opstandingsverhaal gaat Marcus het opnemen voor de puber in zijn gemeente. Hij heeft gezien dat menig puber vrijheid nodig heeft haar of zijn eigen gang te gaan, maar die ruimte in de thuissituatie vaak niet krijgt. Talitha, de jonge, naamloze vrouw die wordt gepresenteerd als ‘het dochtertje van Jaïrus’ is twaalf jaar. Op die leeftijd zijn veel jongeren met het eigen lichaam, relaties, identiteit en levenskeuzes bezig. Er gebeurt nogal wat met het lijf als een jongere de overstap maakt van basisschool naar brugklas.

Lichamelijke veranderingen vormen een puber richting volwassenheid en ook deze jonge vrouw beseft dat ze geen kind meer is. De vader van Talitha is hoofd van de synagoge. Hij is de bestuurder van de joodse gemeenschap, een leidinggevende die beslissingen neemt in besluitvorming over beleid, verantwoordelijkheden op zich neemt en evenementen organiseert. Wellicht heeft hij de ontwikkelingen die Talitha innerlijk en uiterlijk doormaakte niet op de voet gevolgd. Hij noemt haar nog altijd liefkozend met een verkleinwoord ‘mijn dochtertje’. Maar deze jonge vrouw wier anatomie een groeispurt heeft gemaakt, die biologische rijpingsprocessen ondergaat en wellicht net haar eerste menstruatie heeft gehad, voelt zich allang geen dochtertje meer en is meer dan ‘een domineesdochter’. Ze maakt een periode door waarin ze zich van haar ouders gaat losmaken.

Als ik inzichten uit de psychoanalyse mag geloven dan kost het een meisje doorgaans twee keer zoveel moeite te slagen in die onthechting als een jongen. Om zich te kunnen ontwikkelen tot een zelfstandig persoon die voor zichzelf leert spreken en wier identiteit niet wordt bepaald door de sociale relaties waarin ze is geboren, is voor Talitha van belang dat ze bij haar voornaam wordt aangesproken. Ze zou graag zien dat haar vader haar voor vol aanzag en verlangt ernaar dat hij haar serieus neemt. Dat doet hij niet door haar als een kleuter te behandelen en in de huiselijke sfeer vooral gesprekken over werkgerelateerde zaken te voeren. Jaïrus is hoofd van het joodse gebedshuis terwijl deze puberende vrouw naar ruimte zoekt voor haar gevoelswereld. Om aandacht te vragen voor haar leefwereld en haar fysieke gestel waarbinnen zich van alles afspeelt, is ze een hongerstaking begonnen.

De pubertijd is voor jonge vrouwen een periode van overgangen waaraan je binnen de pastorale sfeer aandacht kunt besteden door ze te markeren met seculiere of religieuze rituelen. Zo’n ritueel stelt de werkelijkheid die gaande is present en verleent structuur aan een tijd die mogelijk als verwarrend, emotioneel en overweldigend wordt ervaren. De periode waarin een mens seksueel volwassen en mondig wordt, kan ook uitmonden in het ontwikkelen van eetproblematiek. In ons opstandingsverhaal valt te denken aan anorexia nervosa: deze vrouw wordt door een patriarchale ouder in haar persoonlijke groei belemmerd en krijgt geen hap meer door haar keel.

Het is een strategie die een jonge vrouw kan aanwenden om lichamelijk gezien op een jongen te gaan lijken. Wie voor lange tijd geen suikers, eiwitten en vetten tot zich neemt, raakt niet alleen lichaamsgewicht kwijt, maar ook energie. Op den duur treedt haaruitval op, de glans verdwijnt uit iemands ogen, pupillen krijgen een doffe, wazige uitstraling, lichaamsrondingen krijgen geen vorm, je verliest je spraakvermogen, smaakzin en slaapt dagen achtereen. Die comateuze ‘toestand’ van schijndood is waar Marcus op doelt met het woord slaap.

Achter het hekwerk dat Talitha voor haar mond heeft geplaatst, staan die mensen in de gemeente die een zwijggebod is opgelegd en die de weeklagers ‘dood wensen’. De mensen die Talitha’s dood betreuren, zijn mensen die een ideologie in stand houden. Zij vertegenwoordigen de religieuze en politieke status quo die wordt ondermijnd zodra minderheden mondig worden en gaan spreken. Marcus neemt daar geen genoegen mee. Hun misbaar is voor hem een misplaatst gebaar en hij heeft Jezus als revolutionair nodig die situatie op te heffen.

In het tweede opstandingsverhaal thematiseert Marcus de emancipatie van de vrouw. In de joodse cultuur waarin Marcus schrijft, wordt bloed als een substantie beschouwd die een mens onrein maakt. De vrouw die al twaalf jaar aan bloedvloeiingen lijdt, heeft om die reden geen toegang tot het joodse gebedshuis. Stadsbreed hebben ‘medegelovigen’ haar vanuit een smetvrees-optiek bejegend. Met wie je in aanraking kwam, daar werd je mee besmet en als gevolg van die zienswijze leeft deze vrouw in een sociaal isolement. Je kunt zeggen dat die zuiverheidscultus haar ziek en verbeten maakte. Het gedokter, bezoek aan specialisten, kuren, pillen en de kosten die ermee gepaard gingen, hebben haar uitgeput.

In die tijd bestonden er nog geen ziektekostenverzekeraars die haar consulten en ‘apotheken’ vergoedden. Lichamelijk en financieel was ze enorm verarmd. Zoals in onze tijd mensen soms naast of in plaats van de reguliere gezondheidszorg een beroep doen op alternatieve geneeswijzen, zo oefent Jezus van Nazareth als representant van de geestelijke verzorging een bijzondere aantrekkingskracht op haar uit. Die geest denkt niet in termen van rein en onrein, overstijgt psychologische categorieën en is erop uit de mens op te richten tot een leefwereld waarin zij vrij kunnen denken, spreken en zich bewegen. Hij is ‘de trekpleister’ in de omgeving van wie ook zij hoge verwachtingen heeft. Ze heeft nog weinig te verliezen, het is nu of nooit! Dat ze hem ‘aan zijn jasje trekt’ is cultureel gezien grensoverschrijdend gedrag omdat ‘een onreine’ geacht werd de handen thuis te houden. “Raak me niet aan!” is een uitspraak die ze in de afgelopen twaalf jaren vaak te horen kreeg.

Met het oog op haar heil, dat wil zeggen dat wat haar goed doet, zijn niet de culturele codes normerend, maar het object van haar geloof dat is genezing van het juk dat door de denkwijze van Marcus’ samenleving in stand wordt gehouden. Voor Marcus hangt evangelie nauw samen met grensoverschrijding, het openbreken van begrippenparen en structuren die voor individuen onderdrukkend en levensverstikkend werken. Tegenover het medisch establishment laat Marcus een timmerman uit Nazareth komen, iemand die hout bewerkt omdat Marcus in zijn gemeente gevallen kent die voor de medische wetenschap ongeneeslijk zijn, maar waarvan hij weet dat ze met eenvoud en basale menselijke warmte in de vorm van een aanraking geholpen zijn.

Amen