Tag Archives: Het kwaad

Zaterdag 24 augustus 2019, ‘Molentocht’ Purmerend, zondag 1 september 2019, ‘Koepelkerk’ Arkel & zondag 1 september 2019, ‘Gereformeerde kerk’ Ottoland

Preek ‘Over “witgepleisterde graven” als analogie voor geestloosheid in het Matteüsevangelie’ naar aanleiding van Matteüs 23:27-33 uit de Naardense Bijbel voor de gebedsviering op zaterdag 24 augustus 2019 om 10.15 uur in Molentocht te Purmerend, uit de Nieuwe Bijbelvertaling voor de viering van Schrift en Tafel op zondag 1 september 2019 om 10.00 uur in de Koepelkerk van de Protestantse Gemeente te Arkel en voor de voor de viering op zondag 1 september 2019 om 18.30 uur in de Gereformeerde kerk te Ottoland

Gemeente,

Er zijn in Nederland twee dorpen die ongewoon zijn, doordat daar zeer oude aardlagen aan het jonge Nederlandse aardoppervlak te bezichtigen zijn: Winterswijk in de Gelderse Achterhoek en Epen in het Zuid-Limburgse Heuvelland. In beide dorpen is calciumcarbonaat te vinden in de vorm van mergel en kalksteen. In de land- en tuinbouw wordt kalk gebruikt om zuren in de bodem te neutraliseren, zodat planten minder kans lopen op vergiftiging. Naast het verbeteren van de bodem kan kalk water absorberen en de zuurgraad van water verhogen. De eigenschappen van kalk zijn geschikt voor het weren van insecten en schimmels die bijvoorbeeld bomen aantasten. In gebluste vorm kan kalk in allerlei bouwtoepassingen worden gebruikt: plafonds kunnen met kalk worden gewit, kelders gestukadoord en muren gepleisterd.

Ook graven kunnen getuige Matteüs drieëntwintig vers zevenentwintig tot drieëndertig worden witgepleisterd. Graven werden in het Oude Nabije Oosten witgepleisterd om het lichaam van overledenen te conserveren, te beschermen tegen bodemzuren, insecten en schimmels. In onze perikoop uit het Matteüsevangelie fungeert de uitspraak “witgepleisterde graven” als een taalakt, namelijk die van schelden op basis van een analogie. Terwijl bij het schelden in bijvoorbeeld Spanje aan laaggewaardeerde beroepen wordt gerefereerd, in Nederland aan ziekten en lichaamsdelen, refereert de scheldende Matteüs aan een gebruik in het Oude Nabije Oosten: het witpleisteren van graven. We kunnen ons echter afvragen wat het “witgepleisterde” toevoegt aan “graven”, aangezien het, gelet op de grafcultuur van het Oude Nabije Oosten, de uitdrukking tot een pleonasme maakt.

Na te hebben stilgestaan bij een geologisch en taalkundig aspect van de scheldwoorden “witgepleisterde graven”, moeten we de verhouding tussen religie en ethiek thematiseren. Wie schreef de tekst en aan wie zijn de scheldwoorden “witgepleisterde graven” geadresseerd? De auteur van het Matteüsevangelie is een anarchist avant la lettre, iemand die geen enkele vorm van centraal gezag erkent en ervan uitgaat dat mensen uit zichzelf in staat zijn tot liefdedaden. Dat ideologische profiel maakt dat hij Jezus, die zijn ideeën vertolkt, veelal in een antagonistische positie tegenover schriftgeleerden en farizeeërs plaatst. Deze tekstinterpreten vertegenwoordigen de jurisdictie en ethiek van zijn tijd, vormen van reflectie die resulteren in wetgeving, handhaving en rechtspraak waar de auteur weinig mee opheeft. Uit de beschimping “witgepleisterde graven” kunnen we zijn depreciatie voor enige vorm van regelgeving afleiden. Vanuit deze depreciatie kan de auteur in de nuances van de schriftgeleerden en farizeeërs moeilijk een vorm van geestesontwikkeling zien.

De centrale vraag die in de perikoop aan de orde is, is: hoe verhoudt gedrag zich tot onze geest? Kunnen we gedrag zien als een doorvertaling van processen die in de geest plaatsvinden? Vanuit de overtuiging dat mensen op basis van een adequaat functionerende geest in staat zijn tot liefdedaden, acht de auteur wetten met uitbreidingen via groeiende lemma’s onnodig. In de overheveling van het eigen vermogen tot liefdedaden aan een centrale autoriteit, zoals overheidsorganen, en het opgeven van de zeggenschap van de eigen geest, wordt volgens de auteur een ongelovige houding ten aanzien van zichzelf en van wat van belang is bestendigd. Wie zo het geloof in zichzelf opgeeft en wetsontwerpers de liefde laat voorschrijven, die kan zich verliezen in trivia, formele afspraken en beloftes, kleinigheden, details en geen oog meer hebben voor vragen die er toe doen, hedendaagse issues, onbevraagde denkpatronen, belangrijke ontwikkelingen in mensenlevens, het belang van sfeer, genegenheid en de grote lijnen in geschiedenissen.

Volgens de auteur kenmerkten die overheveling en zijn ongewenste gevolgen het kwaad van zijn tijd: een juridisch nauwgezette, rituele reinheidscultus met zelfingenomen rechtvaardigheid, misplaatste devotie, hypocrisie en buitenkantcultuur. In naam der wet hielden tijdgenoten van de auteur, ooit gelovigen die je geen wetten hoefde op te leggen, zich bezig met uiterlijke zaken, properheid, reinigden beker en vaatwerk, terwijl de opvattingen van hun wetgevers zelf moesten worden herzien, ontdaan van heers- en controlezucht. De analogie van de “witgepleisterde graven” verwijst dus naar het verbergen met behulp van de witkalk van uiterlijkheden, dat een omkering bewerkstelligt van dat wat van levensbelang is en dat wat onbeduidend is. De enige instantie die dat onderscheid kan en moet handhaven, is volgens Matteüs onze eigen geest.

Amen           

Zondag 4 augustus 2019, ‘Vredeskerkje’ Bergen aan Zee & zondag 11 augustus 2019, ‘Het Kruispunt’ Prinsenbeek

Preek naar aanleiding van 2 Samuël 11 en Matteüs 1:1-17 uit de Naardense Bijbel voor de viering op zondag 4 augustus 2019 om 10.30 uur in het Vredeskerkje te Bergen aan Zee en voor de viering op zondag 11 augustus 2019 om 10.00 uur in Het Kruispunt te Prinsenbeek

Gemeente,

Wie zonder de achtergrond van de daden die David op zijn kerfstok had het geslachtsregister in de aanvang van het Matteüsevangelie leest, treft slechts een opsomming van opeenvolgende geboortes aan. Wie echter het patroon van het namenregister volgt, de wijze waarop generaties aan elkaar worden gekoppeld en de woordkeuzes waarmee de relaties worden benoemd, herleest, kan wellicht twee verschillen ontdekken. Tamar, Rachab, Ruth en Maria worden met naam en toenaam genoemd. Batseba echter, wordt enkel beschreven in termen van haar echtelijke en familiaire ‘functie’. En verderop vindt een omkering plaats: daar is Jozef de man van Maria uit wie Jezus is geboren.

Het geslachtsregister uit Matteüs laat zich lezen zoals je een film van Lars von Trier bekijkt. Op het eerste gezicht gaan mensen gemoedelijk, intelligent met elkaar om, familietafereeltjes spiegelen dat er binnenshuis geen vuiltje aan de lucht is. Totdat je een kijkje achter de schermen neemt, grimmige trekken idyllische plaatjes verstoren en je getuige wordt van intriges, hoogoplopende geschillen en ontzetting.

Salomo is niet geboren uit een ‘onbevlekte ontvangenis’. De kribbe waarin Salomo het levenslicht ziet, staat in het huis waarin zijn vader David zijn moeder Batseba heeft verkracht, Batseba’s eerste liefde omkocht en met voorbedachte rade om zeep heeft gebracht. En wellicht is dat de reden dat de apostel Matteüs zo uitzag naar de komst van een figuur die niet de zoveelste verwekking uit een bezoedelde familiegeschiedenis was, maar die met een schone lei begint en de voorgaande trend van ‘kamertjeszonde’ en fysiek geweld zou afsluiten.

Een strafrechtadvocaat zou wellicht zoeken naar motieven en verzachtende omstandigheden om Davids zaak te bepleiten. De auteur van het boek Samuël echter is een religieus leider, een pastor die de zaak vanuit vrouwelijk perspectief benadert en instaat voor Batseba. In die positie is hij van mening dat Davids handelingen noch onder de mantel van juridische wetgeving, noch onder het fenomeen religie goed te praten vallen. De auteur gaat het principieel niet opnemen voor het recht van de sterkste, maar voor de zwakste, die geruisloos in Matteüs’ stamboek dreigt te verdwijnen.

Hoe kwam David tot zijn crime passionel? Door de verdingelijking van een mens. Terwijl de oorlog woedt en andere mannen vooraan in een strijd hun leven op het spel zetten en hij dit bloedvergieten van een afstand bestuurt als waren deze mannen pionnen op een bordspel, ijsbeert David op zijn dakterras. David geeuwt, rekt zich uit, verveelt zich te pletter. De atmosfeer is broeierig, zwoel, de wind van de Middellandse Zee voert hete lucht aan. Batseba is ongesteld en op de laatste dag van haar menstruatie baadt ze zich om zich te ontdoen van de laatste resten van haar maandstonde. Wat voor Batseba een noodzakelijk, hygiënisch en verkwikkend bad is, vormt voor David aanleiding dit schouwspel erotisch te bekijken.

Hij had zich niet beschaamd gevoeld, zijn gezicht afgewend en zich gerealiseerd in wat voor oncomfortabele positie Batseba, behept met de ongemakken van de menstruatie, zich bevond. Hij had haar niet gezien als mens in een voor haar wezenlijke, concrete situatie, hij had haar bekeken als een begerenswaardig ding, het object van zijn lust, waarin zij van al haar menselijke eigenschappen was onttroond. Hij had zijn blik zo op Batseba afgesteld, dat hij zich erdoor had laten bekoren. Hij had zijn oog te lang op Batseba laten rusten, was naar haar gaan staren en voelde een drang, letterlijk, in haar schoonheid iets te verwekken.

Zou Batseba zich bespied hebben gevoeld, Davids ogen in haar rug voelen prikken? David heeft zichzelf als koning rust gegund. En met het ontbreken van een persoonlijke actieve betrokkenheid bij wat er met zijn bodyguards in de vuurlinie en manschappen in de loopgraven gebeurt, is het juist deze ledigheid aan dynamiek waardoor hij alle tijd heeft voor een escapade buiten werktijd.

De hormonen hadden door Davids lijf gegierd en hij had niet de bravoure zich te vermannen. Het was het moment geweest waarop hij zich, gealarmeerd door zijn geweten, zijn God in herinnering had moeten brengen. David echter was gepromoveerd van eenvoudige schaapherdersjongen tot koning over een land. Hij was de vedette, de primadonna van Israël en hooggeplaatst en zadelvast had hij de teugels van zijn ethisch en religieus besef laten vieren. En dan volgen de gebeurtenissen zich in rap tempo op: David doet navraag naar de onbekende vrouw naar wie hij verlekkerd heeft staan kijken, laat haar op commando ophalen en heeft een onenightstand met Batseba.

Had Batseba zich kunnen verweren, nee kunnen zeggen? Had ze rechten in haar omgeving, in de eerste plaats het recht op haar eigen lichaam en de veiligheid onbekommerd een bad te nemen? Was ze Davids trawanten zwijgzaam gevolgd, had ze het uitgegild onder zoveel machtsvertoon en dwang? Waren er getuigen die hadden begrepen in wat voor parket zij zich bevond?

David had geen versiertrucs aangewend, er geen werk van gemaakt Batseba te verleiden. Het seksueel contact tussen David en Batseba was snel en oppervlakkig geweest. Onder deze omstandigheden was er geen sprake van een uitgebreid, liefkozend voorspel en een naspel had David achterwege gelaten. David had Batseba in zijn scharrelpartijtje niet ontmoet. Batseba was niet geïnteresseerd in vluggertjes en had zich afgesloten, onttrokken aan de man die zich van haar meester maakte.

In de joodse traditie worden vrouwen die de stilte omtrent ‘het plegen van een strafbaar feit’ doorbreken vaak als heldin geportretteerd. Zo ook Batseba als zij assertief bij David op de stoep staat om melding te maken van haar zwangerschap. Koning David staat schaak, want met de geboorte van een voor Batseba buitenechtelijk kind, waarvan David de biologische vader is, staat zijn regering op het spel. En het typeert David dat op het moment dat hij zichzelf in de nesten heeft gewerkt, hij slagvaardig, geslepen een ander de kastanjes voor hem uit het vuur laat halen. Die ander is Joab.

In de tweede helft van de twintigste eeuw schreef Hannah Arendt haar rapport over het proces van de Duitse nazileider Adolf Eichmann en gaf het de titel Eichmann in Jeruzalem mee, met als ondertitel Een rapport over de banaliteit van het kwaad. Dat kwaad zat hem vooral in de alledaagsheid, in gestandaardiseerde taal, zoals in clichés tot uitdrukking komt en in het blindelings gehoorzamen van ‘bevelen van hogerhand’. In het boek wordt Eichmann geschetst als een figuur die de categorische imperatief uit de filosofie van Kant verkeerd heeft begrepen. Eichmann lijkt zonder oog voor context en de actualiteit van gebeurtenissen algemene regels en uitgangspunten toe te passen. Zelfstandig nadenken over de implicaties van zijn beslissingen en over het vermogen af te wijken van ‘universele wetten’ lijkt hij, afgaande op Arendts journalistieke verslaggeving, niet te beschikken. Hetzelfde boek had eeuwen eerder geschreven kunnen zijn. Joab in Jeruzalem. Een rapport over de banaliteit van het kwaad. In Batseba’s geval zou je wensen dat een ‘beveiligingsambtenaar’ wat minder gehoorzaam was aan de orders die een ‘bovenbaas’ hem opdraagt.

Hoezeer zijn de rollen omgedraaid bij Matteüs. Schoorvoetend en met pijn in het hart besluit Jozef de verloving met Maria te verbreken als hij te horen krijgt dat zij zwanger is. Hij hoeft geen moord te plegen, een eventuele rivaal uit de weg te ruimen. Uit consideratie met Maria’s bestaanspositie is hij van plan Maria in stilte te verlaten. Maria, die geen baas in eigen buik was, is zwanger van inzicht. Ze gaat een geesteskind baren, dat in zijn doen en laten laat zien wanneer en in welke mate hij aan wie ‘horig’ is. Het is de vervulling van een aloude droom, antwoord op een hedendaagse vraag, verschijning en stemgeluid van zij die roepen in de nacht. Het is de klokkenluider in Davids organisatie die David een groot gevoel van onrust zou hebben bezorgd. Het is degene die Batseba een eerlijk proces zou hebben gegeven, haar voeten met zijn tranen zou hebben gewassen en ze hebben afgedroogd met zijn engelachtige lokken.

Amen

Oranjekerk Rotterdam en Oude Kerk Voorburg, 12 februari 2017

Preek naar aanleiding van Jesaja 52:1-6 uit de Naardense Bijbel en Marcus 6:7-12 uit Een tijding van vreugde. Het evangelie verhaald door Markus (vert. dr. Marie H. van der Zeyde) voor de Tot je dienst-viering op zondag 12 februari 2017 om 10.00 uur in de Oranjekerk van de Protestantse wijkgemeente Oranjekerk te Rotterdam en voor de Vesper op zondag 12 februari 2017 om 19.00 uur in de Oude Kerk van de Protestantse wijkgemeente Martini te Voorburg

Gemeente,

In 2004 kwam de Zweedse film Så som i himmelen (As it is in Heaven) uit dat verhaalt over de orkestdirigent Daniël Daréus die na een hartaanval terugkeert naar het geboortedorp Norrland in het noordoosten van Zweden waar hij als jongen werd getreiterd. Als internationaal orkestdirigent gebruikte hij een artiestennaam en het is onder die ‘beroepsnaam’ dat hij weer voet op vaderlandse bodem zet. De orkestdirigent beweegt zich incognito in het dorp: de dorpsbewoners identificeren de vermaarde orkestdirigent niet met het geplaagde jongetje van vroeger.

De analogie tussen Daniël, Jesaja en Jezus bij Marcus is dat zij profeten waren die in hun eigen land niet geëerd werden. Maar er is meer dat hen bindt: alle drie gaan zij schuil achter wat ze te zeggen hebben. Voor de orkestdirigent is de muziek het medium waarmee hij met de hoorders communiceert. Aan het slot van de film zal hij als cantor voor aanvang van een uitvoering van de dorpscantorij aan een hartaanval bezwijken. Via improvisatie zullen de koorleden op eigen kracht hun gezang ten gehore brengen. De identiteit van wie de koorleden tijdens de repetities begeleidde, hen door de techniek van stemexpressie een plaats gaf en hun talent ontwikkelde, blijft voor het publiek geheim.

Jesaja of liever Deuterojesaja is het pseudoniem voor een onbekende figuur die we enkel kennen door zijn stem. Hij gaat schuil achter de profetie waarmee hij Sion vertroost en opbouwt. Sion is te vergelijken met het personage Gabriella die in de film door haar echtgenoot wordt mishandeld en uiteindelijk van hem scheidt. Sion is het slachtoffer van een groepsverkrachting en is na dat trauma het basisvertrouwen in zichzelf en de wereld verloren. Ze is aan huis gekluisterd en durft zichzelf nauwelijks nog in verband te brengen met schoonheid. Deuterojesaja kan niet langer aanzien dat Sion wegkwijnt en schrijft, anoniem, aan haar een heilsprofetie die je als een ‘coachingsdocument’ kunt lezen.

Het leed dat Sion was aangedaan en de geestelijke ballingschap waarin ze verkeerde, had bij Deuterojesaja een bezinning teweeg gebracht over het kwaad. Hij bestudeerde het kwaad niet als een ongecontroleerd, onmenselijk, metafysisch construct, maar juist als een typisch menselijk fenomeen dat al in hele ogenschijnlijk banale alledaagsheden kon optreden. Sion was voor Deuterojesaja niet ‘de zoveelste casestudy’. Haar verhaal vormde de laatste aanzet om, als de orkestdirigent, zijn werk stil te leggen en na te denken over het driftleven, de ontwikkeling van beschavingen en de rol die religie hierin kon spelen.

Hij stapte als het ware uit de stroom van de geschiedenis, de continuïteit en kwam tot de slotsom dat als hij Sion in haar situatie wilde benaderen, hij daar een nieuw discours voor nodig had. De antwoorden en interpretaties die in het verleden op ‘de vele gezichten van het kwaad’ waren gegeven, volstonden niet langer. Sion was de anomalie die buiten elke grafische of statistische weergave viel en die hij niet kon incorporeren in bestaande schema’s. In Sion’s leven kwam een buitensporigheid naar voren die hij onder geen enkele theorie of abstractie kon plaatsen. De theologie van Deuterojesaja zal dan ook inzetten met een nieuwe manier van spreken waarbij hij zijn peptalk heel specifiek toesnijdt op de wijze waarop Sion haar situatie ziet. Hij zal het drama dat Sion is overkomen antropologisch analyseren en haar toekomst eschatologisch veiligstellen. Hij zal haar toespreken op haar veerkracht en het religieuze vermogen zichzelf weer te verzamelen. Sion zal de geest krijgen, zichzelf ‘opdelven’, weer mooi maken en een nieuw leven gaan leiden.

Ook Marcus zet Jezus neer als de jongen die niet welkom was in de steden waarin hij opgroeide. Terwijl zijn sociale en religieuze gesprekspartners zich aanpassen aan de gegeven wereld en op die wijze redelijk zijn, komt Jezus, de onredelijkheid zelve, met het establishment in conflict omdat hij de wereld naar zijn ideaalbeeld probeert te vormen. Hij vertegenwoordigt een andere dan de bestaande orde en verlaat zijn geërgerde vaderstad. Als een forens pendelt hij heen en weer tussen de dorpen en steden waar hij onderwijs geeft. In de uitzending van de twaalf echter wijzigt hij zijn techniek. Er vindt een kentering plaats van de directe naar de indirecte rede. De rondreizende prediker is niet langer zelf aan het woord maar verdwijnt achter zijn spreekbuizen, de aangestelde apostelen, die op hun manier het conflict aangaan met het kwaad en de dood. Die wijze van doceren via anderen, hen roepen en uitzenden is in lijn met de rabbijnse traditie van de sjaliach die eruit bestond dat de gezondene de zender representeerde. U kunt die strategie vergelijken met een situatie van machtiging waarbij je in een ondertekend document je fiat geeft dat een persoon namens jou een handeling mag verrichten.

De orkestdirigent, Deuterojesaja en de auteur van het Marcus-evangelie hullen zich in onkenbaarheid. Ze zijn niet zelf wie ze in wezen zijn en in die zin een tegenstrijdig teken. Je krijgt ze niet direct te spreken, omdat ze de kant van hun God zijn opgereisd. Ze antwoorden niet rechtstreeks, als je ze een vraag stelt, omdat ze geloof van je eisen. Terwijl ze absent zijn, leer je ze kennen door de wijze waarop anderen hen present stellen in wat ze te berde brengen: de compositie, de koorzang en een solopartij, de evangelische profetie en de leerlingen die een gedachtegoed en levensstijl voortzetten. En dat is precies het punt, namelijk dat de oorsprong van een incognito enkel transparant wordt door geloof. Nu zou je kunnen zeggen dat iemand die niet direct gekend wil worden, undercover gaat, zijn identiteit verhult. Wellicht is dit de strategie van de musicus, de profeet en de evangelist omdat zij huiverig waren voor de verwisseling van de boodschap met de boodschapper. In dat geval staat niet de inhoud van het gezegde centraal en de werking die het kan hebben op de hoorder, maar verspert de boodschapper het licht door via de bewondering en de beschouwing van de hoorder zelf in de schijnwerpers komen te staan.

Die omkering is aan de kant van de spreker een voedingsbodem voor afgoderij en idolatrie en aan de kant van de toegesprokene een kweekvijver voor statisch gelovigen. Wilden orkestdirigent, profeet en evangelist tot de geadresseerde spreken, dan diende de afstand te worden vergroot. Was de compositie gereed, de tekst geschreven of de liberale leer geformuleerd, dan zonderde de artiest of grondlegger zich af, trok zich terug in dorp, bergen of boot en liet de ander aan zichzelf over. ‘De dood van de auteur’ die sterft nadat hij zijn creatie heeft afgerond, stelt de hoorder en de lezer(es) in staat zich bij zichzelf te bepalen. In die toe-eigening en plaatsbepaling komen de concertbezoeker, Sion en de bewoners van de huizen die de apostelen gastvrij onthalen, tot een nieuwe vorm van zelfverstaan die hen niet door de initiatiefnemer zelf kan worden aangezegd.  Voor het medium, de opwekking wordt gezorgd. Wat het voorts openbaart in de hoorder of lezer(es), welke reflecties het teweeg brengt en geloof het prikkelt, is voor eigen rekening.

Amen