Tag Archives: Genesis

Zondag 10 november 2019, Protestantse Kerk Castricum, zondag 17 november 2019, Gereformeerde kerk ‘De Ontmoeting’ Koog-Zaandijk, zondag 24 november 2019, Kerkelijk Centrum ‘Emmaüs’ Ede & woensdag 1 januari 2020, ‘Ontmoetingskerk’ Kamerik

Preek naar aanleiding van Genesis 2 en Marcus 10:35-40 uit de Naardense Bijbel voor de viering van Schrift en Tafel op zondag 10 november 2019 om 10.00 uur in de Dorpskerk te Castricum, uit de Groene Bijbel voor de viering op zondag 17 november 2019 om 10.00 uur in De Ontmoeting te Koog-Zaandijk, uit de Naardense Bijbel voor de viering op zondag 24 november 2019 om 10.30 uur in Kerkelijk Centrum Emmaüs te Ede en voor de viering op woensdag 1 januari 2020 om 10.30 uur in de Ontmoetingskerk te Kamerik

Zeer gewaardeerde gemeente,

Heeft u ooit nagedacht over de verhouding tussen kunst, een relatiebreuk en het begin van een ander leven dan u tot nu toe heeft geleid? Is het mogelijk dat een mens in een voortgaand creatief proces zichzelf ontwerpt, bijschaaft en uitvindt zonder een voorgeschiedenis? Heeft het enigma van aanvangen of oorsprongen bij u ooit gezorgd voor perplexiteit, angst of een queeste naar kennis? Hoe kunnen wij als erfgenamen van de fysica van Galilei en Newton, Descartes’ mathematisering van de fysische realiteit, de Darwiniaanse evolutietheorie en onderzoek op het gebied van genetica vandaag de dag het bijbelse scheppingsverhaal uit Genesis 2 lezen? Heeft het begrip ‘schepping’ in Genesis 2 betrekking op realiteit? Is er een andere duiding mogelijk dan het tweede scheppingsverhaal te lezen als een mythe en haar af te grenzen van een historisch en wetenschappelijk gezichtspunt?

In de wereld van de kunsten worden werken geproduceerd waarbij wordt uitgegaan van één gelijksoortige tijd. Ook kosmologisch, biologisch en antropologisch onderzoek wordt verricht binnen tijdspannes die terugverwijzen naar een begin. De bijbelschrijvers in het scheppingsverhaal getuigen van de manier waarop discontinuïteit in het bestaan van een mens haar of hem herinnert aan de eigen existentiële naaktheid en op welke wijze dat moment de potentie heeft het eigen zelf anders vorm te geven.

Genesis 2 bevat een universele visie op de menselijke conditie. Als wij ons ontdoen van eigenschappen die binnen een beschaving een functie hebben dan stuiten we op het fundament van ons mens-zijn met al zijn ambiguïteiten. Zodra mensen een functie neerleggen, ontstaat er een openheid, een creatieve ruimte waarin je de ander kunt ontvangen. De gedeelde naaktheid is een bron van vreugde, een liefdevolle omhelzing waarin je elkaar wel de hele dag wilt verenigen. Een mens, zo is het beeld dat de auteurs schetsen, staat of valt niet met een functie-inhoud die haar of zijn wezen vastlegt. Het vermogen een afstand in te bouwen ten opzichte van de functies die wij bekleden, kan nieuwe ervaringen creëren.

Adam bevindt zich in de weidsheid van Eden waar hij zijn botanische en zoölogische buitenwereld ordent. Dat hij als een voorloper van Linnaeus in staat is de externe wereld te plaatsen door te categoriseren en zo een encyclopedische kennis op te bouwen, verheft hem al enigszins in de adelstand. De planten en de dieren doorbreken hun routines niet tenzij de omgeving hen hiertoe dwingt. Adam distantieert zich van zijn directe leefomgeving door via een systeem van klassen en het taxeren van eigenschappen flora en fauna thuis te brengen. De verschillen ten opzichte van de levende wezens in zijn omgeving stellen hem vooral in staat aan te geven wat hij niet is. Adam komt niet op een positieve formule voor het vinden van een persoonsnaam.

Nu kan iemand die zichzelf serieus neemt geheel opgaan in haar of zijn rol. Geabsorbeerd door verwachtingen en taken die met een functie meekomen, kan een mens samenvallen met hetgeen zij of hij aan het doen is, zoals een kind kan opgaan in de eigen bezigheden. Alsof er geen reflectie en relativeringsvermogen meer zit tussen jou en je performance. Adam, daarentegen, heeft nog niet een sterk ontwikkeld zelfbesef. Zijn taalontwikkeling staat nog in de kinderschoenen en hij is nog geen relatie aangegaan met een soortgenoot. Die ander stelt hem in staat een van de meest fundamentele condities voor de taal te scheppen, namelijk een vertrouwensrelatie. Zolang Adam niet door een partner wordt aangesproken, komt hij niet uit zichzelf ‘naar buiten’. Zijn zelfwording komt niet uit de verf; daar heeft hij een ander bij nodig. Op basis van de roep van een ander trekt hij uit zijn binnenwereld weg en wordt hij een uiterlijk persoon. Er is een scheppingsdaad voor nodig om hem van zijn eenzelvigheid te verlossen.

Wij zijn gewend historische gebeurtenissen in kaart te brengen met behulp van een chronologie. In menig inleidend boek wordt materie voorzien van een tijdbalk die voor overzicht zorgt. Ook levensgebeurtenissen hangen we op aan een tijdlijn die ons denken over tijd als een serie lineaire handelingen heeft beïnvloedt. De wereld waarin Adam leeft is niet lineair gestructureerd en heeft dus ook niet een begin, een vertrekpunt vanwaaruit je kunt spreken en verwijzingen kunt maken. Als wij elkaar verhalen vertellen dan geschiedt dat veelal door gebeurtenissen in een bepaalde volgorde te plaatsen. In onze beleving volgen ze elkaar op. De oerstaat van Adam wordt eerder geconstitueerd door een cyclus, een kringloop, dan door een rechte lijn.

Wat nu de voorwaarde blijkt voor schepping is dat de auteurs een element misten. Ze maken dat duidelijk door Adam neer te zetten als de protagonist wiens wereld geen ritmische eenheid vormt. Het traject dat hij tot dusver heeft afgelegd is onaf. De wereld van de enkele mens is geen totaliteit. Voor de auteurs is het verhaal de vorm om te vertellen wat er toen, eens, ooit voorviel waardoor zij pas echt mens werden. Schepping gaat over het begin in een al bestaand mensenleven. Het duidt het moment aan waarop een mens eindelijk arriveert in het bestaan, doordat zij of hij een gebeurtenis heeft meegemaakt die het effect heeft van een eyeopener. Dan loop je al enige tijd op aarde rond, je gaat al een tijdje mee en toch kun je door een incident of ingreep van buiten pas zeggen: ik ben er, nu leef ik volkomen! Het bijbelse begin staat voor ingrijpende gebeurtenissen die jou vormen tot wie jij bent. Het zijn aanzetten, vaak hoogtepunten, die vragen om het vertellen van een verhaal.

Over een verandering in de levensloop die een gelovige ‘bekering’, ‘omkering’ of ‘doop’ noemt, kan een ander zich verbazen: “Wat is er met jou gebeurd?”, waarop je bij dat ene begin als een verhaal begint te vertellen. Over dat existentiële begin en niet een historische aanvang in de zin van een feitelijke gebeurtenis, handelt Genesis. Het is een begin dat niet toebehoort aan de hervertelde volgorde waarin gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. Tegelijkertijd initieert en grondvest het die loop der dingen. Begin en schepping zijn hier aan elkaar verwant, ze vormen synoniemen. Het denken over schepping is een genese: je vormt je een begrip van een nieuwe ordening.

In Genesis 2 krijgt een nieuwe vorm gestalte, doordat een mens iets fabriceert. De bijbelse betekenis van schepping wil zeggen: knutselen, fröbelen, formeren, van verschillende materialen een ding maken, uitvinden, construeren, arrangeren, demonteren en weer in elkaar zetten. Op andere plaatsen wordt er geschapen of moderner ‘ontworpen’ door het woord, het stellen van een vraag of didactisch onderricht als die tot gevolg hebben dat mensen daarmee uit hun gewone doen worden gehaald. Schepping doorbreekt routines en automatismen. Dat maakt dat schepping in een mensenleven vaak geen lolletje is. “‘Scheppen’, riep hij ‘gaat van Au! […]’” (Leo Vroman, H.U. Jessurun d’Oliveira). De geboorte van het zelf is ook in bijbels perspectief een drama, omdat soms alles van de wand wordt getrokken en je helemaal opnieuw moet beginnen, hoe je het begin ook vertelt of er verslag van doet. Het is een evenement om te vieren en tegelijkertijd een pijnlijk afscheidsproces, want aan het leven zoals je het tot dusver hebt geleefd en waaraan je gehecht was, komt een einde. Schepping lijkt op scheiden.

Als Marcus 10 vers 35 tot 40 een aanvulling kan zijn op Genesis 2, dan door het aspect van separatie te onderstrepen dat verbonden is aan de notie van het begin. Zoals de mens zich door classificatie onderscheidt van het dier, zo is er een onderscheid tussen de kunstena(a)r(es) en de kunst die zij of hij produceert. Wij mensen existeren op afstand van God als een werk waar hij afstand van heeft genomen. Er is verlies van nabijheid tussen eindige wezens en wat oneindig is. Er zijn wetten waar we ons aan houden, die ons wezen begrenzen. Kenmerkend voor God is grenzeloosheid. God stelt dat voor wat voorbij de grens ligt, het ontoegankelijke waar wij niet op eigen kracht naar binnen komen.

Ook een discipel hoeft niet te pretenderen zo gemakkelijk bij God te kunnen aanschuiven. De leerling staat niet op gelijke voet met de docent(e). Noem die distantie gevoel voor verhoudingen of een principe voor gezonde, professionele relaties. God is wat aan de mens een limiet stelt en zelf niet wordt beperkt door de inhoud van die limiet. Een mens kan proberen zelf haar of zijn tekorten te overwinnen in een poging alsmaar hoger te reiken, maar misschien is het wachten op een ingreep van buitenaf wel het startsein voor nieuwe ontwikkeling in een mensenleven. Dat is schepping in bijbelse zin ten voeten uit.

Amen

Zondag 16 juni 2019, ‘Oudshoornse kerk’ Alphen aan den Rijn, zaterdag 22 juni 2019, ‘Molentocht’ Purmerend, zondag 23 juni 2019 ‘Oude kerk’ Naaldwijk, zondag 30 juni 2019 ‘Dorpskerk’ Castricum & zondag 7 juli 2019 ‘Houtrustkerk’ Den Haag

Preek naar aanleiding van Genesis 19:1-7 en Lucas 10:25-37 uit de Naardense Bijbel voor de viering op zondag 16 juni 2019 om 10.00 uur in de Oudshoornse kerk van de Protestantse Gemeente Alphen aan den Rijn, voor de gebedsviering op zaterdag 22 juni 2019 om 10.15 uur in Molentocht te Purmerend, voor de viering op zondag 23 juni 2019 om 10.00 uur in de Oude kerk van de Hervormde Gemeente Naaldwijk, voor de viering op zondag 30 juni 2019 om 10.00 uur in de Dorpskerk van de Protestantse Gemeente Castricum en voor de viering op zondag 7 juli 2019 om 10.30 uur in de Houtrustkerk van de Vereniging van Vrijzinnige Protestanten in Den Haag

Zeer gewaardeerde gemeente,

Over het algemeen wordt over liefde gedacht als een zaak van gevoelens die zich niet laten ‘commanderen’, een natuurlijke genegenheid die vanuit de mens zelf opkomt. Wanneer je het Oude Testament gaat lezen op het punt van de liefde, dan tref je er hoofdzakelijk twee liefdesvormen in aan: de eros en de philia. Beide soorten liefde zijn preferentiële liefdes dat wil zeggen, ze zijn gebaseerd op onze eigen voorkeuren. De erotische liefde wordt gekenmerkt door lust, verlangen en lichamelijkheid. Eros begeert, raakt moeilijk verzadigd en is daardoor vaak ontevreden en rusteloos op zoek naar het volgende lustobject. In ons verhaal uit Genesis negentien vers een tot zeven beelden de mannen van Sodom de eros uit. Zij willen heersen, dringen zich aan de ander op, omsingelen desnoods en proberen iemand uit de tent te lokken. De philia kunnen we duiden als een vriendschappelijke liefde, die niet gebaseerd is op de eros, maar op de ziel. De zielsliefde is te herkennen aan wederkerigheid: ze geeft in de hoop of verwachting iets voor een liefdedaad terug te krijgen. In het tonen van gastvrijheid drukken Abraham en Lot de vriendschappelijke liefde uit.

Lot nu is de hoofdpersoon in dit oude, morele verhaal, dat vol staat met motieven die een waarschuwing willen geven aan een groep gelovigen. Gelovigen konden zich spiegelen aan het optreden van Abraham en Lot waaruit geloof of aarzeling sprak. De vraag is hoe Lot omgaat met de dwingende roep van de eros. Gaat hij het verzoek van de mannen van Sodom honoreren? Zwicht hij, maakt hij voor hen een knieval en laat hij zijn gasten aan hun lot over of stelt hij zich teweer tegen de drijvende kracht van de eros?

Wij kunnen naast de eros en de philia nog andere vormen van liefde onderscheiden. Zo is er de ouderlijke liefde, die niet een partnerschap is van zielsgelijken, maar bij voorbaat gegeven is door het kind. Er is de zelfliefde, waarbij de liefhebber zelf het voorwerp van haar of zijn liefde is. Een mens denkt in dat geval erg hoog van zichzelf. Er is niet een objectief object buiten de mens waaraan de zelfliefde zich afmeet. Vervolgens onderscheiden we twee vormen van liefde die we eveneens onder de noemer ‘voorkeursliefde’ kunnen scharen zolang we ons binnen het Oude Testament blijven bewegen: de naastenliefde en de liefde van God. De naastenliefde waarin de naaste enig iemand kan zijn die jou ‘na(bij) is’. De ander die wij liefhebben is als ons en kan veranderen. Wanneer wij de naaste liefhebben, gebeurt er iets in ons eigen zelf. Als het gaat om de liefde van God is het voorwerp van liefde niet te zien. In de liefde van God heeft een mens veel lief en is ook zelf zeer geliefd.

Aan de hand van Lucas tien vers vijfentwintig tot zevenendertig maken wij de oversteek naar het Nieuwe Testament, waar met de christelijke liefde op drie punten een nieuwe liefde wordt geïntroduceerd ten opzichte van de vormen van wederkerigheidsliefde die zojuist de revue zijn gepasseerd. Voordat we de typisch christelijke liefde uittekenen, zal ik proberen weer te geven wat er schort aan andere vormen van liefde die uitgaan van wederkerigheid. Vormen van liefde die worden geuit op basis van de verwachting er iets voor terug te krijgen, vertrekken vanuit een gebrek, een behoefte of nood waarvoor in de liefdesuiting vervulling wordt nagestreefd. Het ‘geven’ is dan, integendeel, niet belangeloos, maar vraagt om beantwoording. In geval van wederkerigheidsrelaties is er sprake van een gebrokenheid die langs de weg van de relatie geheeld wil worden. Ook liefdadigheidswerk is zo bezien geen liefdesrelatie.

Wat gebeurt er nu in de christelijke liefde? De christelijke liefde heeft drie kanten die een nieuwe weg openen. Ten eerste, de liefde wordt, christelijk gesproken of liever, gedaan, een zaak van het geweten. De christelijke liefde is een geboden liefde. De mens heeft in deze visie de plicht om lief te hebben. Een plicht om lief te hebben, bevat schijnbaar een contradictie, maar voor de christelijke liefde is de plicht het merkteken bij uitstek. Met de plicht is het hebben van een voorkeur deze of gene lief te hebben uitgesloten. Ieder mens die, zogezegd, God op mijn weg plaatst, moet ik liefhebben. In de parabel van de barmhartige Samaritaan wordt die liefde geïllustreerd aan de joodse gelovige die met een grote boog om de Samaritaan heen wenst te lopen. In het bijzonder denkt Lucas daarbij aan de godsdienstspecialist die geen vuile handen wil maken. Aan de priester die zich tijdens de tempeldienst in Jeruzalem rein wil houden, terwijl daar, wanneer hij naderhand op weg is naar Jericho, geen reden meer voor is, is de tekst gericht. De christelijke liefde is niet een ‘natuurlijke geneigdheid’, maar een passie die een fundamentele verandering heeft ondergaan teneinde een zaak van het geweten te worden. Dat betekent dat christelijke liefde bewust gebaseerd is op een relatie tot God of ‘het eeuwige’. Christelijke liefde komt nu juist níet op in het mensenhart en heeft haar oorsprong in een ‘goddelijke relatie’ die geen gebrek kent en ook geen voorkeuren heeft.

Ten tweede is karakteristiek voor de christelijke liefde, dat over de liefde niet wordt gedacht als een fenomeen, maar als een relatie. Liefde is niet iets in of op zichzelf, een gegeven zonder dat achterliggende mechanismen verklaard hoeven te worden. Liefde is relationeel, het is altijd voor een persoon en toont zichzelf. In de parabel wordt het relationele karakter van de christelijke liefde zichtbaar door de omgang van de godmens met theoretische kenvragen van de wetgeleerde over de liefde. De christelijke liefde geeft geen objectieve antwoorden op wat de liefde is, ze kan beschrijven hoe de liefde eruitziet door te wijzen op concrete handelingen van mensen ten opzichte van de ander. In het betonen en beschrijven van handelingen die getuigen van liefde is de ander geen onbekende, een vreemde meer. De ander wordt uit de anonimiteit gehaald, krijgt een gezicht en een naam. ‘De naaste’ krijgt een subjectieve betekenis. Dat is niet langer ‘iemand’, ‘een wie’, ‘een bepaald persoon’, ‘een zekere mens’, iemand op afstand die niet te identificeren is, het zijn (vul maar in) Liesbeth, Tom, Marieke en Theo.

Ten derde veronderstelt de christelijke liefde met een beroep op het wortelen in goddelijke liefde inclusiviteit. Iedere ander is in de christelijke liefde inbegrepen, niemand uitgezonderd. Dat maakt dat de liefde tot God onmogelijk een hogere vorm van liefde kan zijn dan de liefde tot de naaste.

Christelijke liefde is ten slotte ook een zelfontkennende liefde, waarmee zij het onderscheid bewaakt tussen egoïsme en zelfliefde. In christelijke zin liefhebben veronderstelt zelfliefde, dat is niet gekant tegen zelfliefde perse, maar zij wenst de zelfliefde te zuiveren van zelfzucht, met als doel ons te leren onszelf op de juiste manier lief te hebben als voorwaarde voor de verdubbeling van zichzelf in de ander. Lucas maakt die verdubbeling aanschouwelijk door de handelingen die volgen op de innerlijke bewogenheid van de Samaritaan. Het welzijn van het slachtoffer wordt zijn eerste zorg. Hij wil voor de beroofde zorgen, hem omzwachtelen, niets terughouden, iets extra’s doen, volop geven, in overvloed liefde bewijzen. Christelijke zelfontkenning kan vanuit de wereld gezien oppositie, weerstand verwachten, maar kiest die vrijwillig. Waarom? Omdat zij een ander ziet staan, begrijpt hoe die ander verwikkeld is (geraakt) in het leven zelf, ten val kan komen, in ongenade kan raken en slechts een ander nodig heeft, die dit vallen oneindig zacht in haar of zijn handen houdt.

Amen

Zondag 21 oktober 2018, ‘De Oase’ Zoetermeer

Preek naar aanleiding van Hooglied 3:1-11 uit de Naardense Bijbel en 1 Johannes 2:7 en 8 uit de Nieuwe Bijbelvertaling voor de viering op zondag 21 oktober 2018 om 10.00 uur in ‘De Oase’ te Zoetermeer

Gemeente,

Het mag een wonder heten dat het Hooglied in de canon van ‘de heilige schrift’ is opgenomen. Het lied der liederen had ook de titel ‘het meest onbijbelse boek van alle bijbelse boeken’ mee kunnen krijgen. Het Hooglied vormt een ophemeling van de eros, het spreekt van ongetemde, vrije seks. Tot op zekere hoogte zelfs van clandestiene seks tussen een vrouw en een man. De taal van de auteur is in het beschrijven ‘naturalistisch’, waarmee zij zich blootstelt aan de censuur van ‘de geklede mens’ dat wil zeggen, de beschaving. Inderdaad, een zij, een vrouwelijke auteur, omdat ten eerste in het Hooglied een vrouw aan het woord is, zij gepresenteerd wordt als degene die de initiatieven neemt, en ten tweede de beschrijving van de gevoelens van het meisje zo verfijnd en sensitief is, dat we mogen vermoeden dat de dichter van het Hooglied een vrouw was. De vrouw is in het Oude Nabije Oosten een specialist in het schrijven van liefdesliederen. Sterker nog, in het Oude Nabije Oosten wordt verwacht dat een liefdeslied door een vrouw gecomponeerd is.

Er zijn verschillende manieren waarop een mens kan spreken over de wereld die zij of hij afwijst. De Israëlitische dichteres die in Hooglied aan het woord is, drijft de spot met twee ‘werelden’. Ze keert zich tegen de vergeestelijking en de verburgerlijking van de liefde. Aan de ene kant protesteert zij tegen religiosi, die de eros, die twee mensen aan elkaar bindt vanuit een misinterpretatie hebben vervangen door de geestelijke agapè-liefde. U kunt dat zien aan de ironie en de bezwerende formuleringen die de religieuze taal voor de gek houden en parodiëren. Het bezwaar van de dichteres tegen ‘de spirituelen van haar tijd’ is dat voor hen het erotische enkel als een retorisch voertuig fungeert en de eros door hun gereserveerdheid en spiritualiteit gesanctificeerd wordt. De dichteres wil de lichamelijke liefde echter niet terugvoeren op een goddelijk archetype.

Alle instrumentalisering van de liefde, ook de religieuze, is uitgesloten. Aan de andere kant steekt zij haar tong uit naar het establishment met zijn huwelijk. De dichteres viert de sociale instemming met het huwelijk niet. Ze spot met het conventionele huwelijk en wil slechts zingen van een ongedisciplineerde liefde. Eros is niet gebonden aan een instituut. Het is zelfs een belediging de eros te reduceren tot een overeengekomen, echtelijke plicht. De wet van de eros is die van de wederzijdse gift en heeft niets met een juridische structuur te maken. Eros behoort tot de natuur van ‘het fanatieke’, het buitensporige, en is een bedreiging voor elk instituut, inclusief het huwelijk. Eros is non-institutioneel. Je zou het huwelijk theologisch gesproken zelfs als een act van ongehoorzaamheid kunnen zien, en om die zienswijze uit te leggen zullen we terugkeren naar Genesis twee en drie.

Als er in de Hebreeuwse bijbel over de rol van de natuur wordt gesproken, dan wordt natuur ondergeschikt gemaakt aan een religieuze boodschap. In het Hooglied daarentegen vinden we beschrijvingen van bomen, planten en bloemen zoals de vijgenboom, de palm- en appelboom, henna, de roos, de lelie, vruchten zoals druiven, noten, dadels en vijgen, producten zoals tarwe, honing en wijn, en dieren, bijvoorbeeld de gazelle, de tortelduif, schapen en paarden. Op het eerste gezicht lijkt het aanhalen van deze natuurseries vooral esthetisch. De natuur is in en op zichzelf mooi. De vrouw die de dichteres in Hooglied drie vers één tot elf ten tonele voert is verliefd, en de geliefde van haar ziel is eveneens helemaal op haar verkikkerd. Wie anders gebruikt koosnaampjes als “lelie”, “narcis”, “tuin”, “wijngaard” en “mirre”, dan mensen die minziek, idolaat van elkaar zijn? De natuurbeelden worden niet opgeroepen om de lof te bezingen op de vrouwelijke schoonheid die vervolgens de inzet vormt van het vervullen van een ‘heilige roeping’. De vrouw in ons verhaal is niet, zoals Suzanne, Judith, Ruth of Ester een heldin die schoonheid gebruikt voor het bereiken van een theologisch of historisch doel.

In Hooglied wordt het esthetische schaamteloos en zonder pardon gecultiveerd omwille van zichzelf. Terwijl de toon lyrisch en pastoraal is, gaat het gedicht ontwrichtend, gezagsondermijnend te werk. De lieve woordjes reflecteren een onschuldige taal van hofmakerij om onder de hoede van dat gevlei en met behulp van ironie en het contrast de gewoonte-instituten van haar tijd uit te dagen. En hoe kun je het huwelijk, een sociaal erkende en door de overheid goedgekeurde seksuele verhouding tussen twee volwassen individuen, beter uitdagen dan door die te confronteren met een ronduit erotisch universum?

De hoofdpersoon in Hooglied drie is niet eenduidig te typeren als een plattelandsmeisje, een schaapshoedster of een boerenvrouw. Ze keek graag over de schutting bij de buren, het land van de Nijl, waar een veel liberaler concept van vrouwen te vinden was en de vele gezichten van de liefde in de samenleving vertegenwoordigd waren. Het land van de Nijl stond model voor haar gedicht. Ze heeft weet van het stedelijk leven getuige het opmerken van straten en huizen. In die stad heeft ze wellicht kennisgemaakt met heel veel verschillende soorten liefde, waar ze de keurig geregelde burgerliefde uit haar milieu mee laat kennismaken. Ze refereert niet aan de burgerman als toonbeeld van de liefde, maar aan Salomo die met duizend vrouwen de Don Juan van het Oude Testament is, een verleider en expert die de trouweloze liefde in z’n pluriformiteit had leren kennen. En waar in de wijsheidsliteratuur vaak het negatieve aspect van de eros wordt benadrukt of zij in ieder geval vergezeld gaat van een morele zedenleer, demoraliseert het Hooglied de eros. Eros moet vrij, onbeheersbaar, amoureus, wild blijven, oftewel, niet aan de leiband van de beschaving komen te liggen, want anders is het met de eros gedaan.

Ik denk dat de dichteres van het Hooglied in de kenmerken van eros veel van zichzelf en haar commitment ten opzichte van ‘de Ene’ heeft gezien. In het Midden Oosten spelen broers een belangrijke rol in de verloving en het huwelijk van hun zus. Via het meisje in onze tekst echter, laat de dichteres doorschemeren dat zij een vrije vrouw is en die vrijheid bestaat eruit dat ze onwankelbaar trouw is aan ‘de Ene’ die ze hartstochtelijk liefheeft. Ze is hem trouw buiten het huwelijkscontract en sociale eisen om. Het hoogste lied is gekant tegen de bourgeois lofprijzingen van feminiene loyaliteit of tegen het beeld van een vrouw als echtgenote en moeder. In het Hooglied wordt de vrouw primair geportretteerd als minnares. De liefde, zo lijkt ze met het ongetrouwde liefdespaar te willen zeggen, kent haar eigen wetten en laat zich niet op een kunstmatige manier organiseren. Hier raken we aan het verband met Genesis.

In Genesis verliest het eerste koppel hun eenheid door ongehoorzaamheid. Als gevolg daarvan wordt het verlangen van de vrouw gedomineerd door de man. Het tweede paar, in Hooglied, verklaart elkaar door de erotiek opnieuw de liefde, waarmee de eenheid wordt hersteld. Derhalve wordt het verlangen van de man het genot van de vrouw. Het Hooglied is dus vooral een commentaar op Genesis. Het verloren paradijs transformeert via de eros in een teruggewonnen paradijs. Het lied der liederen is een viering van de vreugde om te leven en de vreugde om zonder schuldgevoel te beminnen. De schuld die het eerste paar ervoer toen zij zagen dat zij naakt waren, wordt in het Hooglied getranscendeerd door een verrukking over het verschil. Het gedicht ontmythologiseert de seksualiteit en verwijst terug naar een omsluierde, maar krachtige existentiële ervaring, namelijk die van de ‘echte(lijke)’ eenheid tussen een mens en een ander.

Amen