Tag Archives: Geest

Zaterdag 24 augustus 2019, ‘Molentocht’ Purmerend, zondag 1 september 2019, ‘Koepelkerk’ Arkel & zondag 1 september 2019, ‘Gereformeerde kerk’ Ottoland

Preek ‘Over “witgepleisterde graven” als analogie voor geestloosheid in het Matteüsevangelie’ naar aanleiding van Matteüs 23:27-33 uit de Naardense Bijbel voor de gebedsviering op zaterdag 24 augustus 2019 om 10.15 uur in Molentocht te Purmerend, uit de Nieuwe Bijbelvertaling voor de viering van Schrift en Tafel op zondag 1 september 2019 om 10.00 uur in de Koepelkerk van de Protestantse Gemeente te Arkel en voor de voor de viering op zondag 1 september 2019 om 18.30 uur in de Gereformeerde kerk te Ottoland

Gemeente,

Er zijn in Nederland twee dorpen die ongewoon zijn, doordat daar zeer oude aardlagen aan het jonge Nederlandse aardoppervlak te bezichtigen zijn: Winterswijk in de Gelderse Achterhoek en Epen in het Zuid-Limburgse Heuvelland. In beide dorpen is calciumcarbonaat te vinden in de vorm van mergel en kalksteen. In de land- en tuinbouw wordt kalk gebruikt om zuren in de bodem te neutraliseren, zodat planten minder kans lopen op vergiftiging. Naast het verbeteren van de bodem kan kalk water absorberen en de zuurgraad van water verhogen. De eigenschappen van kalk zijn geschikt voor het weren van insecten en schimmels die bijvoorbeeld bomen aantasten. In gebluste vorm kan kalk in allerlei bouwtoepassingen worden gebruikt: plafonds kunnen met kalk worden gewit, kelders gestukadoord en muren gepleisterd.

Ook graven kunnen getuige Matteüs drieëntwintig vers zevenentwintig tot drieëndertig worden witgepleisterd. Graven werden in het Oude Nabije Oosten witgepleisterd om het lichaam van overledenen te conserveren, te beschermen tegen bodemzuren, insecten en schimmels. In onze perikoop uit het Matteüsevangelie fungeert de uitspraak “witgepleisterde graven” als een taalakt, namelijk die van schelden op basis van een analogie. Terwijl bij het schelden in bijvoorbeeld Spanje aan laaggewaardeerde beroepen wordt gerefereerd, in Nederland aan ziekten en lichaamsdelen, refereert de scheldende Matteüs aan een gebruik in het Oude Nabije Oosten: het witpleisteren van graven. We kunnen ons echter afvragen wat het “witgepleisterde” toevoegt aan “graven”, aangezien het, gelet op de grafcultuur van het Oude Nabije Oosten, de uitdrukking tot een pleonasme maakt.

Na te hebben stilgestaan bij een geologisch en taalkundig aspect van de scheldwoorden “witgepleisterde graven”, moeten we de verhouding tussen religie en ethiek thematiseren. Wie schreef de tekst en aan wie zijn de scheldwoorden “witgepleisterde graven” geadresseerd? De auteur van het Matteüsevangelie is een anarchist avant la lettre, iemand die geen enkele vorm van centraal gezag erkent en ervan uitgaat dat mensen uit zichzelf in staat zijn tot liefdedaden. Dat ideologische profiel maakt dat hij Jezus, die zijn ideeën vertolkt, veelal in een antagonistische positie tegenover schriftgeleerden en farizeeërs plaatst. Deze tekstinterpreten vertegenwoordigen de jurisdictie en ethiek van zijn tijd, vormen van reflectie die resulteren in wetgeving, handhaving en rechtspraak waar de auteur weinig mee opheeft. Uit de beschimping “witgepleisterde graven” kunnen we zijn depreciatie voor enige vorm van regelgeving afleiden. Vanuit deze depreciatie kan de auteur in de nuances van de schriftgeleerden en farizeeërs moeilijk een vorm van geestesontwikkeling zien.

De centrale vraag die in de perikoop aan de orde is, is: hoe verhoudt gedrag zich tot onze geest? Kunnen we gedrag zien als een doorvertaling van processen die in de geest plaatsvinden? Vanuit de overtuiging dat mensen op basis van een adequaat functionerende geest in staat zijn tot liefdedaden, acht de auteur wetten met uitbreidingen via groeiende lemma’s onnodig. In de overheveling van het eigen vermogen tot liefdedaden aan een centrale autoriteit, zoals overheidsorganen, en het opgeven van de zeggenschap van de eigen geest, wordt volgens de auteur een ongelovige houding ten aanzien van zichzelf en van wat van belang is bestendigd. Wie zo het geloof in zichzelf opgeeft en wetsontwerpers de liefde laat voorschrijven, die kan zich verliezen in trivia, formele afspraken en beloftes, kleinigheden, details en geen oog meer hebben voor vragen die er toe doen, hedendaagse issues, onbevraagde denkpatronen, belangrijke ontwikkelingen in mensenlevens, het belang van sfeer, genegenheid en de grote lijnen in geschiedenissen.

Volgens de auteur kenmerkten die overheveling en zijn ongewenste gevolgen het kwaad van zijn tijd: een juridisch nauwgezette, rituele reinheidscultus met zelfingenomen rechtvaardigheid, misplaatste devotie, hypocrisie en buitenkantcultuur. In naam der wet hielden tijdgenoten van de auteur, ooit gelovigen die je geen wetten hoefde op te leggen, zich bezig met uiterlijke zaken, properheid, reinigden beker en vaatwerk, terwijl de opvattingen van hun wetgevers zelf moesten worden herzien, ontdaan van heers- en controlezucht. De analogie van de “witgepleisterde graven” verwijst dus naar het verbergen met behulp van de witkalk van uiterlijkheden, dat een omkering bewerkstelligt van dat wat van levensbelang is en dat wat onbeduidend is. De enige instantie die dat onderscheid kan en moet handhaven, is volgens Matteüs onze eigen geest.

Amen           

Zondag 14 juli 2019, ‘Dorpskerk’ Castricum & zondag 28 juli 2019 ‘Nederlands Hervormde Kerk’ Herveld

Preek naar aanleiding van Psalm 63 en 1 Korintiërs 6:11b-14 uit de Nieuwe Bijbelvertaling voor de viering van Schrift en Tafel op zondag 14 juli 2019 om 10.00 uur in de Dorpskerk te Castricum en uit De Psalmen van Gabriël Smit en de Naardense Bijbel voor de viering op zondag 28 juli 2019 om 10.00 uur in de Protestantse gemeente Herveld en Slijk-Ewijk

Zeer gewaardeerde gemeente,

In 2013 werd de Deense film Nymphomaniac uitgebracht. Nymphomaniac vormt het slotakkoord van Lars von Triers’ depressietrilogie, waarvan de twee eerdere delen Antichrist en Melancholia zijn. In de film verhaalt de protagonist Joe van haar lustvolle levensverhaal aan de belezen vrijgezel Seligman. Hij luistert naar de neerslag van haar erotische ervaringen en verbindt en analyseert ze met zijn kennis van de wereldliteratuur. Zoals voor Seligman boeken de prikkel tot het leven zelf waren, zo vormde voor Joe de seksualiteit de impuls tot het leven. Het stelde haar in staat ‘in touch te zijn’ met het menselijk leven zelf. Zodra ze probeert ‘af te kicken’ van haar neigingen, verliest ze haar smaak voor het leven en raakt ze gedesoriënteerd. Seligman probeert de betekenis van Joe’s situatie te vertalen door zich voor te stellen wat het voor hem zou betekenen zonder literatuur te leven. Hij zou duizelig worden en zich verloren voelen.

Ook de psalmist weet wat het betekent ‘zijn God’ kwijt te zijn. Als dichter uit het Oude Nabije Oosten liep hij soms dagen in de woestijn, kwam geen mens tegen, geen berg, boom of plant stak boven die onherbergzame zandvlakte uit. Hij nam er slechts vaag zijn eigen schaduw waar. Ondanks de getroffen maatregelen voor de aan te vangen reis raakten zijn waterbronnen uitgeput. Het duurde lang eer hij z’n dorst kon lessen. Die lijfelijke ervaring van ‘grote dorst’ en de mentale strijd die hij leverde om zich in dat dorre, droge gebied, waarin geen druppel regen valt, als mens staande te houden, gebruikt hij als metaforen om de afwezigheid van God te beschrijven.

De psalmist verlangt intens naar nauw contact met God. Gods presentie is voor hem even fundamenteel als voedsel en water voor de instandhouding van het leven. Zonder God is hij nergens. Hij ervaart zijn lijf als een klomp klei, contourloos en slap, een homp lichaam, waarin gen schijn van bezieling te bekennen is, geen zweem van hoop het opricht en in beweging zet. Het leven verliest z’n kleur, structuur, ‘volume’ en expressie, wordt schaars en armetierig. Naarmate zijn beeld van God zwakker wordt, des te minder kracht hij ervaart van de waarde van het leven zelf en wie hij daarin voorstelde of oorspronkelijk was.

De absentie van God kan voor een filmmaker of auteur haar of zijn grootste angst vormen; voor de psalmist is die absentie even levensbedreigend als vijanden die vluchtelingen in zijn tijd vervolgden en opjoegen. De uitdrukking “dat God niet thuis geeft”, staat symbool voor een periode waarin een kunstenaar – zo ook de psalmist en een ieder die uit is op schepping – geen inspiratie heeft.

Het is in een ‘mager jaar’ dat wij de psalmist ontmoeten, zijn beste productie is een kort lieddicht van drie strofen, waarin hij vertelt hoe zwaar het hem valt z’n bed uit te komen. Hij hunkert naar ‘de aanraking van God’, het enige gebaar waarvan hij weet dat het hem doet opvlammen. De tijd verstrijkt, roepen, bidden en smeken halen weinig uit.

Onze opvatting dat de activiteit van een taalkunstenaar niet uit eigen beweging ontstaat, maar door God wordt ingegeven, verraadt een Griekse trek. In het oude Griekse denken werd de dichter wel gezien als het doorgeefluik van de goden. Zo is de dithyrambe, de aanduiding voor een extatisch lofdicht in de vorm van een beurtzang op Dionysos, de god van de wijn. Wie door de goden werd aangeraakt, in dit goddelijke ritme kwam, vierde de vruchtbaarheid van de eigen productiviteit. Het is geen ‘aanraking’ waarvoor de dichter open hoeft te staan, niet een ‘gebeuren’ dat hij zelf kan afroepen.

‘De komst van God’ kan ook joods en christelijk gesproken door een mens niet worden bespoedigd. In een act van ongeduld of ongeloof kan een mens allerlei religieuze activiteiten ontwikkelen, die beogen God ‘op afroep’ in het eigen bestaan zijn intrede te laten doen. De psalmist is doordrongen van het besef dat hij zijn God niet op eigen initiatief ‘tevoorschijn kan toveren’. Het is wellicht een geloofsdaad naar die levensaanraking uit te zien, er vurig naar te verlangen – om het wat archaïsch uit te drukken: ‘Gods komst te verbeiden’ -, zonder via het eigen handelen te evoceren dat God gebeurt.

De wereld van de erotiek en de religie delen een overeenkomst: het verlangen van de mens zich te openen voor, te delen met en te schenken aan de ander. Het contrast tussen de psalmist die smoorverliefd op God wacht op diens beroering en de apostel Paulus die een man adviseert geen vrouw aan te raken en daarmee een pleidooi voor ascetisme voert, is groot. In welke context deed Paulus zijn uitspraken? Paulus vangt aan met een fictieve dialoog en geeft met de zinnen “Alles is mij geoorloofd” en “Het voedsel is er voor de buik en de buik is er voor het voedsel” antwoord op ‘stellingen’, waarmee tijdgenoten in Korinthe Paulus’ opvattingen bestreden.

Als wij kijken naar wat Paulus in de tekst doet, dan komen we drie taalhandelingen op het spoor: een ontkenning, een verheldering en een aansporing. De zinspeling op de doop en de beelden van “gewassen worden en heilig worden” roepen een reinheidscultus in herinnering, die hij inzet als remedie voor ontucht. In het Korinthe waarin Paulus zich bevindt, ontmoet hij religieus gelovigen die in hun levensstijl twee uitersten vertegenwoordigen. Aan de ene kant mensen die ongebonden, losbandig leven, en aan de andere kant religiosi die vanuit een soort puriteinse strengheid alle smaakmakers van het leven hebben afgezworen. Waar in het Nieuwe Testament de term voor ‘lichaam’ veelal een symbolische betekenis heeft en voor een bepaalde manier van denken staat, heeft ‘het lichaam’ in dit verband de betekenis van de fysieke gestalte van de mens met al haar noden en behoeften. Volgens Paulus maakt de omgang met de lichamelijke behoeften van de mens, door de twee groepen met wie hij in gesprek is, hen onvrij. Voor de ‘losbandigen’ enerzijds, omdat zij volgens Paulus overhellen naar de zeggenschap van de seksualiteit en de eetlust over het eigen zelf. Wat betreft de asceten anderzijds, omdat zij wensen ontkennen en zozeer disciplineren dat zij, ongewild, niet boven lichamelijke begeerten staan, maar er juist klein door worden gehouden. Voor Paulus representeert de religieus gelovige een positie die gepaard gaat met een houding die ervan getuigd volledig vrij te zijn van een overheersende invloed van het lichaam.

Aan het thema van de schadelijke effecten die een te sterke nadruk op het lichaam kan hebben, zoals overeten en ontucht, die in het uiterste geval tot zelfvernietiging en ontaarding leiden, wordt vaak gerefereerd in de Joodse wijsheidsliteratuur. Paulus doet een voorstel, waarvan hij hoopt dat het beide gesprekspartners helpt zich wat meer naar het midden te bewegen. Hij vergelijkt het lichaam met een tempel, een gebedshuis, waarin een god wordt vereerd – voor de Israëliet een heiligdom. Zoals een tempelbezoeker zich kan voorstellen dat God in een tempel ‘woont’, zo stelt Paulus zich voor dat de geest, die het eigen leven onder de invloed van God heeft gesteld, in de mens woont. De religieus gelovige wil zich verenigen met God, één zijn met Gods geest. Wat er in die eenwording gebeurt, is de totstandkoming van een verscherpt besef van dat wat vergankelijk is en ‘het verrezene’.

In die ‘conditie’ kan een mens niet tolereren dat ‘andere vrijheden’ dan God naar de hand van de mens dingen en zich met haar of hem ‘vermengen’. Paulus gaat zover te stellen dat wie niet langer gedreven wordt door lichamelijke driften geen heer en meester meer is over het eigen lichaam. Het lichaam dat binnen het religieuze domein niet langer door biologische en fysiologische kenmerken wordt bepaald, komt in het bezit van de geest. De god van de buik heeft het nakijken en door een spiritualisering krijgt het erotische iets komisch – het vormt een achter te laten stadium van het menszijn waar je om kunt lachen. God heeft als het ware al zijn kaarten op het lichaam gezet, het lichaam van de mens gereserveerd en de religieus gelovige verlangt ernaar God met het lichaam te ‘eren’. Het paulinische christendom waarvan de tekst getuigt, vormt een kritiek op de uitlevering aan ‘het fysieke’, zoals Paulus die waarnam in zijn tijdsgewricht. Paulus keert de biologie om, die nu als een handrem fungeert om de mens weer te bepalen bij haar of zijn pact met God.

Aan het positieve van Paulus’ inzet is toch ook een bezwaar verbonden. De hoofdgedachte van Paulus’ betoog staat haaks op initiatieven die na het einde van de achttiende eeuw in de politieke filosofie zijn ontwikkeld om mensenrechten te formuleren, waaronder het idee dat alleen het individu soeverein is over het eigen lichaam. Met name voor minderheidsgroepen en in het kader van de emancipatie van vrouwen is de nadruk op het recht van het eigen lichaam een belangrijke stap in de mensengeschiedenis.

Waar bovendien een vergeestelijking van de mens, die nu eenmaal ook uit een lichaam bestaat, op haar beurt de boventoon gaat voeren, daar zal vroeg of laat het lichaam aandacht opeisen. Op die wijze zou je bijvoorbeeld naar de populariteit van de hardloopcultuur kunnen kijken. Vandaag de dag zijn veel mensen cognitief actief en omringen zich met techniek. Het lichaam ‘met haar fijnste tonen’ vraagt om beweging – pezen en spieren verschrompelen als je ze niet frequent traint. Ook binnen de religie is een terugkeer van het lichaam te bespeuren. Een mens heeft tast nodig voor zelfbesef en oriëntatie. Als ik denk, dan doe ik dat belichaamd, via de zintuigen. Indien ik de geestelijke conditie van een persoon wil peilen, dan observeer ik eerst haar of zijn lichaamshoudingen, omdat die indicaties vormen voor iemands geestelijke gesteldheid.

Een manier om vandaag de dag nog overweg te kunnen met Paulus’ tekst is het fragment te gebruiken als een graadmeter. Uit de tekst zijn vragen op het gebied van sociale omgang en interpsychologische processen te formuleren zoals met wie ga ik om, en waarom met deze mensen, door wie laat ik mij beïnvloeden en wat probeer ik te onderdrukken? Met wie of wat ervaar ik eenwording? Wat – om het bijbels uit te drukken – kleeft mij aan? Zijn er relaties in mijn leven die me te klef worden en andere die meer voeding nodig hebben? Het is die bepaling bij ‘middens’ die Paulus’ betoog tijdloos maakt.

Amen

Zondag 22 juli 2018, Oudshoornsekerk Alphen aan den Rijn & Immanuelkerk Ermelo

Preek naar aanleiding van Hooglied 5:2-8 en 1 Johannes 5:1-6 uit de Naardense Bijbel voor de viering op zondag 22 juli 2018 om 10.00 uur in de Oudshoornse Kerk te Alphen aan den Rijn en om 17.00 uur in de Immanuelkerk te Ermelo

Gemeente,

Wie de correspondentie leest tussen de Franse non Héloïse en de middeleeuwse filosoof Peter Abelard, krijgt inzage in de liefdesperikelen van twee ‘intellectuelen’, die heen en weer geslingerd worden tussen de liefde voor religie, filosofie en vrijheid, en erotische verlangens jegens elkaar. Roekeloze extase, erudiete, intieme liefdesverklaringen, wanhopig smachten, publieke schandalen en een ‘wrede scheiding’ geven blijk van een gepassioneerde romance die uiteindelijk geen stand hield. In een passage uit een van de brieven doet Abelard de bekentenis dat hij Héloïse niet werkelijk lief had, hij voelde vooral lust voor haar, waarna hij haar adviseerde haar aandacht te richten op de enige persoon die haar ooit waarlijk lief kon hebben: Jezus Christus, en stimuleert haar zich voorts te wijden aan haar religieuze roeping.

De tekst uit Hooglied vijf vers twee tot acht kun je lezen als een ‘verliefdheidsdocument’, waarin een minnares de psychologische staten ontsluiert, waarin ze zich bevindt, nu ze ziek is van liefde. Een soort ‘kalverliefde’ van jongeren, die nog veel ervaring mogen opdoen in de liefde. De beminde heeft haar eetlust verloren, haar maag krimpt in elkaar alleen al bij de gedachte aan de minnaar, slapeloze nachten heeft ze ervan. Hoe ‘verliefdheid’ technisch gezien in z’n werk ging, wist ze niet precies – feromonen had een chemicus gezegd –, maar zij las en schreef, wandelde uren achtereen in de natuur, reisde naar de meest onherbergzame plaatsen, en kennelijk is er een persoon die haar had opgemerkt, haar zo bekoorlijk vond in de manier waarop ze er was, dat hij van alles had geprobeerd om haar aandacht te trekken.

Je kunt de tekst ook anders lezen, namelijk als het voorstadium van een aanstaand bruidspaar. Het ‘minnelied’ bezingt de gelukzalige roes waarin bruid en bruidegom verkeren. De bruid is op van de zenuwen, bezwijkt bijna, want morgen is ‘de grote dag’. In het Oude Nabije Oosten bestond een type huwelijk, waarbij de vrouw in haar huidige huis bleef wonen, totdat de aanstaande echtgenoot haar kwam bezoeken, en zij vervolgens een huishouden deelden bij hem. Wij ontmoeten de bruid op het moment dat zij het huis nog bewoont en er min of meer in opgesloten zit.

En dan lijkt zich een klein drama in de psychische gesteldheid van de bewoonster af te spelen. Op het punt gekomen dat zij een nieuwe levensfase zal betreden, slaat de twijfel toe. De bruidegom staat in z’n beste pak op de stoep en heeft gedichten en liederen bij zich om zijn liefde voor haar te bezingen. Een viertal woordenboeken had hij bestudeerd om haar met lieve woordjes in het Hebreeuws, Aramees, Perzisch en Grieks haar huis uit te laten komen. Het waren koosnaampjes die als codes fungeerden om bij haar binnen te komen, in de hoop dat zij naar buiten kwam. Het openen van die deur vormde een definitief jawoord.

En toen veranderde de aanvang van de dag die een trouwdag had mogen worden in een treurspel. Bij het ochtendgloren staat de minnaar ongeduldig bij de deur, roept nog een paar keer “duifje”, “mijn volmaakte”, maar het blijft stil aan de andere kant van de deur. Zijn roep vindt geen gehoor, wordt niet beantwoord. Hij knapte bijna uit elkaar, voelde zich gespannen, begon zich zorgen te maken. Geluid, eindelijk. De bruid begon vragen te stellen, stelde zijn motieven ter discussie, riep hem ter verantwoording, maakte tegenwerpingen, wierp praktische bezwaren op, gooide haar emoties in de strijd, maakte niet ter zake doende opmerkingen die de dynamiek van het liefdesspel aan de poort stilzetten. Daar zat ze in haar japon in elkaar gezakt en met haar armen om haar benen geklemd op de vloer en leunde met haar hoofd tegen de muur. Als een roos in de knop had ze haar bladeren gesloten om wat haar zo dierbaar was. Ze was het zinnebeeld van de omslotenheid geworden. Haar vingers trilden, ze snikte, geduld en ongeduld, actie en reactie wisselden elkaar af. De bruid was zoveel geest, dat ze nauwelijks uit de voeten kon met het erotische.

In de tijden van het Oude Testament werd het huwelijk sterk religieus beleefd. Het geestelijke en het erotische vertegenwoordigden twee sferen waar de bruid in de religie mee overweg kon, maar daarbuiten, van mens tot mens, vlees en bloed, had ze zich er geen raad mee geweten. De periode voor het huwelijk in het Oude Nabije Oosten was een kuis gebeuren. Een breed gedragen cultureel-religieuze opvatting was dat de seksualiteit zich pas ten volle kon ontplooien binnen het huwelijk. En nu het zover was, deinsde de bruid terug. De bruidegom stak zijn hand door een deuropening om haar vertrouwen te wekken. Zij verzamelde moed, stond stevig op haar naaldhakken, trok haar jurk weer recht en deed open. Maar na haar opstanding, het vermogen zichzelf te hernemen, zag ze dat haar lief weg was, en start zij een wanhopige zoektocht. Terwijl ze in gescheurde bruidskleding en ladders in haar panty, zonder schoenen, met een behuild gezicht, uitgelopen mascara en vlekkerige lippenstift door de straten rent en riep, zagen de stadswachten, de bewakers van de muren – conservatieve lieden – haar aan voor een waanzinnige, een prostituee of vrouw in een beschonken toestand. Zij beletten haar nog verder op zoek te gaan naar de weggelopen liefste.

De tekst is naast een puur liefdeslied ook vanuit religieus oogpunt te benaderen en is op die wijze in lijn te brengen met de mystiek van de auteur uit 1 Johannes vijf vers een tot zes. De mystiek is een stroming waarin mystici systematisch reflecteren op de uitleg die mensen geven van hun contemplatieve streven naar eenheid met God en innerlijke ervaringen met ‘goddelijke oneindigheid’. Binnen dit genre bestaat er een subdiscipline die zich bezighoudt met bruidsmystiek. Onze tekst uit Hooglied is te situeren in en te exegetiseren vanuit die bruidsmystiek.

De bruid staat op de drempel van een godsontmoeting die haar bevrijdt van de menselijke ziel. Weken voordat dit moment aanbrak, had de beminde een strenge ascese toegepast, lichaam en ziel gereinigd, en hoe leger zij werd, hoe intenser haar ervaringen. Het contrast wordt nu steeds groter: des te duidelijker God tot haar spreekt, des te meer begint zij te stamelen. Het naderende aanschouwen van God, of de geboorte van God in de menselijke ziel plaatst de mens voor ‘het onzegbare’.

De ziel en de ‘reguliere spraak’ lijden onder de gave van het heilige. De beelden in de eerste vier verzen uit Hooglied vijf symboliseren de geslotenheid van de bruid. Als zij opendoet en ingaat op zijn smeekbede, dan deelt God zichzelf aan haar mee. Die ervaring van transcendentie overleeft ze niet, ze houdt nog teveel van het materiële, en houdt angstvallig de deur op slot. Wanneer de zinderende mogelijkheid tot een ongekende genade-ervaring de revue is gepasseerd, God op z’n schreden is teruggekeerd, slaat de beminde voor de wereld op de vlucht, en zal ontheemd zijn, rusteloos, altijd op zoek naar haar liefste, de onvindbare God.

Ook de auteur van onze tekst uit 1 Johannes vijf vers een tot zes beschrijft op mystieke wijze beelden die uitdrukking geven aan het godsverlangen van de mens. Hij is een oude mysticus die schrijft aan mensen in de streek Efeze, die hij pastorale zorg verleent, en die verspreid leven over diverse huiskerken. Hij lijkt er daarbij in te slagen de mystiek te incarneren door haar niet af te zonderen van het wereldlijke, maar de ontmoeting met God te zien in de materiële en historische werkelijkheid. Hij doet dat door zijn lezer(es)s(en) te onderwijzen in de subtiliteiten van het geestelijk leven en een ‘beschermlaagje’ aan te brengen tegen al wat hun ziel bedreigd. De middelen die hij hiertoe inzet, zijn onderscheidingsvermogen en wijsheid. Hij biedt ze een filosofiecursus voor beginners aan en leert hen via de logica netjes te redeneren. Via de weg van het denken kunnen zij iets van ‘goddelijk leven’ nastreven en met aandacht voor het innerlijke kunnen ze iets van ‘waarheid’ bereiken. Geloof is zowel gebaseerd op ‘vlees en bloed’, de empirie, dat wat je met je zintuigen kunt waarnemen en via rationele categorieën interpreteert, als op de uitwerking van wat je in de geest voor je ziet.

Als die analytische vaardigheden en die opmerkzaamheid voor wat zich van binnen afspeelt voldoende zijn getraind, dan kunnen volgens de auteur uiterlijke daden niet uitblijven. Sterker nog, hij leest aan externe daden de geestelijke conditie van de mens af. Die daden bewijzen voor hem een innerlijke realiteit. De rede die teert op het woord en de focus op de eigen binnenwereld, vormen een bron van energie. Ze transformeren de persoonlijkheid. En om zijn visie te illustreren, beschrijft hij hoe het handelen van een persoon die geboren is uit God eruit kan zien. Een mens die in God woont, ervaart een intieme eenheid van geloof en liefde, waardoor zij of hij enig ander tot op het diepste niveau van de innerlijkheid kan liefhebben. Het is agapè eigen zelfs de grootste onmens met behagen en genade tegemoet te treden. Het is misschien wel de hoogste vraag die aan een mens kan worden gesteld, en ook de meest veelbelovende, omdat ze de geest een stap verder helpt. Ze is de overwinning op de zwartgalligheid, donkerte, het hoogtepunt in elke geschiedenis.

Amen

Zondag 20 mei 2018, Open Hof Bleiswijk en Oude Kerk Voorburg

Preek naar aanleiding van Genesis 11:1-9 en Handelingen 2:12-20 uit de Groene Bijbel voor de viering van Pinksteren op zondag 20 mei 2018 om 09.30 uur in de Gereformeerde kerk Open Hof te Bleiswijk en uit de Naardense Bijbel voor de Vesper op zondag 20 mei om 19.00 uur in de Oude Kerk van de Protestantse Gemeente te Voorburg

Gemeente,

Het begin van het boek Genesis voert een mensbeeld op waarin de auteur van de visie getuigt dat het individu zonder de vonk van de geest een vegetatief en een niet-zelfgenoegzaam bestaan leidt. Na de beschrijving van ‘oertoestanden’ komen we in heel ander vaarwater terecht. Er is sprake van de eerste vormen van een samenleving, bevolkingsgroei en expansie. Mensen zijn noch ‘wilden’, noch nomaden meer en hebben zich gevestigd. Met het uitdijen van de bevolking is er meer ruimte nodig allen te huisvesten. Mensen kijken uit naar bouwgrond, stellen bouwplannen op, brengen die onder de aandacht van aannemers, en bedrijven werken samen om hun ‘bouwprojecten’ uit te voeren. Als er niet langer in de breedte woonruimte beschikbaar is, dan wordt er in de hoogte gebouwd. Wolkenkrabbers verrijzen in de skyline van het Oude Nabije Oosten.

Aandacht schenken aan andere wereldgodsdiensten is niet alleen bevorderlijk voor de oecumene, het is ook vruchtbaar voor vreedzaam samenleven. Maar met de komst van gebouwen in de lucht, ontstond bij de volkeren in Mesopotamië een vijandige houding ten opzichte van de religie van de Babyloniërs door het geestelijke overwicht van hun godsdienst en de bijbehorende god Marduk.

De auteur reageert op de collectieve energie van zijn geloofsgenoten die in een soort ‘samenzwering’ tegen de Babyloniërs via een toren aan het opbieden zijn en het is zijn overtuiging dat respect en, als het even kan, samenwerking en dialoog – en geen concurrentie en monologen – aspecten zijn van de joodse openbaring. Genesis elf vers een tot negen probeert over te brengen hoe God uit Mesopotamië verdween, doordat God niet langer in de ontmoeting tussen mensen met verschillende contexten, etnische achtergronden en geloofsculturen kon oplichten.

Een toren die onderdeel uitmaakt van een religieus gebouw, doet denken aan de fysieke verbinding tussen hemel en aarde en vormt voor mensen een oriëntatiepunt. Wilde je in vroeger tijden om wat voor reden ook schuilen, dan kon je aan de toren een veilig adres herkennen. Er valt echter meer te zeggen over het functioneren van de toren als kenmerk van religieuze architectuur in relatie tot het zelfbeeld van een mens. Als bezoeker van een religieuze ruimte ga je het gebouw via de toren binnen. Die toren bepaalt de bezoeker bij haar of zijn historiciteit en ‘natuurlijke grenzen’, en pas daarna begeef je je richting het schip en het koor waar ‘godsdienstoefeningen’ plaatsvinden. Vooraleerst is de mens er als eindig wezen en nadat zij of hij de toren is gepasseerd, wordt de toegang tot God gefaciliteerd.

In het verhaal van de torenbouw van Babel vallen die verschillende functies samen. In een ‘samenballing’ vergeet de mens zichzelf als eindig wezen en bundelt een energie waarmee zij of hij denkt boven tijd en ruimte uit te reiken. De Genesis-auteur legt die daad, die steeds meer beslag legt op menselijke ambities, uit als rebellie tegenover God. De zorg van de auteur is dat indien een mens zichzelf als eindig persoon ontkent, zij of hij niet langer in staat is te overzien wat de eigen handelingen teweeg kunnen brengen in het bestaan van de ander. In dit verband valt ook te denken aan de woede van omwonenden die de komst van een religieus gebouw in een woonwijk kan oproepen.

De auteur vreest een situatie waarin mensen elkaar met hun geloofskennis, godsvoorstellingen en godenverering beginnen te bestrijden en de communicatieproblemen die dat gekrakeel veroorzaakt en die doorwerken op allerlei andere levensterreinen. In zijn literaire drama staat het hele bestaan van het mensdom op aarde op het spel. De oplossing die hij ziet weggelegd voor de ontwikkeling van mensen die bij aanvang van het bouwproject nog in een eenheid verenigd zijn en waarvan hij vindt dat ze hun eigen eindigheid onderschatten, is veelheid. Door een ‘eensgezinde taal’ uiteen te laten vallen, wordt klei steen, asfalt steengruis en valt een hechte taalgemeenschap uit elkaar. Met balal, het Hebreeuwse werkwoord voor ‘in verwarring brengen’ hoopt hij de gedeelde taal van mensen zo te verbrabbelen, dat zij niet langer in staat zijn dit project gezamenlijk tot stand te brengen. De taal verkeert in staat van ontbinding. Het hele bouwwerk die de sociale constructie van de werkelijkheid via de taal constitueert, stort in elkaar. Meertalig zullen mensen elkaar horen spreken, beluisteren en toch ‘woorddoof’ zijn. De een zal de ander vragend aankijken, in verlegenheid raken, niet meer kunnen begrijpen, en de samenwerking zal stranden.

In het Oude Testament wordt op andere plaatsen een ‘middel’ gepresenteerd dat ook weer een einde zal maken aan een situatie van spraakverwarring, namelijk de profetische taal. In het Nieuwe Testament is de remedie gelegen in de komst van de geest en ‘buitenbijbels’ kan de eigen geestesgezindheid weer eenheid stichten. De profetische taal komt mee met de joodse traditie die geworteld is in de ervaring van de mogelijkheid, van een getroffen, een geraakt zijn door de ander. In het jodendom wordt de Ander – met kapitaal geschreven – voorgesteld als een openbaring, die zich onttrekt aan de pluriformiteit en veranderlijkheid van menselijke benaderingen. ‘De grote Ander’, God, stelt uit zichzelf ‘iets’ voor, los van cultuur, etniciteit of taal.

Het is de bron van zin die uit de hoogte een huis optrekt en zich onderscheidt van de veelzinnigheid van culturen. Binnen het joodse denken vormt de presentie van de ander een hoofdlijn. De ander is geen kopie van mijzelf, niet mijn alterego en dat mag ik naar goed joods gebruik ook in het achterhoofd houden als ik de ander benader. De ander is hier een tegenpool die mij uit het solipsisme van het eigen denken haalt en behoedt voor goddeloosheid doordat ik in de relatie met de ander in de godverhouding sta. De mens die in die relatie dezelfde torens bouwt, dat wil zeggen zichzelf hoort spreken, opvijzelt en blijft herhalen, zal altijd weer ‘hetzelfde’ ontdekken. Het joodse mensbeeld zet zich af tegen de mens die beweert dat er ‘niets nieuws onder de (hori)zon is’.

Wie torens van Babel bouwt, construeert een sluitend systeem, waarin geen plaats meer is voor de ander – die vreemde ander die wellicht helemaal niet in mijn schema’s, vooronderstellingen, denkstelsels en spreekwijzen past –, die wordt dan ‘een rest’ die niet in mijn betoog kan meekomen en in het ergste geval ‘in een mortuarium wordt bijgezet’, in plaats van iemand die ik als verrassing ontmoet en ontvang. Het zijn die momenten waarop een profeet optreedt, omdat de profetische taal niet de taal is van wat redelijk en evident is. De profetische taal toont niet aan, maar kenmerkt zich door kritiek op bepaalde praktijken en spreekt in de gebiedende wijs. Nu is de sfeer van de profetie daar aanwezig, waar geen enkel mens een toren kan bouwen van waaruit zij of hij de gehele werkelijkheid inclusief ‘alle anderen’ en de wijzen waarop zij er zijn, kan overzien. De profetische taal die aanspoort, voorkomt enige vorm van totaliteitsdenken. Ze zorgt er wel voor dat ze je zo tot handelen opwekt, dat je ‘de zaak’, namelijk de werkelijkheid en je perspectief op de ander niet rond kan krijgen. Je zou dit het komen van de geest kunnen noemen.

Ook Lucas doet via Petrus in Handelingen twee vers twaalf tot twintig moeite zijn lezer(es)s(en) uit te leggen wat voor soort taal ‘profetische taal’ is en hoe je haar mag begrijpen. De preek van Petrus op pinksterdag is geadresseerd aan de niet-sympathiserende toeschouwers die het extatisch spreken van de leerlingen afdeden als dronkenmanspraat. En inderdaad, als je profetische taal vanuit de rede benadert, dan hoor je een onsamenhangende taal. Gewauwel. Met humor verdedigt Petrus zijn geloofsgenoten door erop te wijzen dat het nog te vroeg dag is voor ‘gelal’. Als het ijs gebroken is, wordt hij ernstig, want ook hier lopen de spanningen in de samenleving hoog op, doordat mensen met de hokjesgeest – niet met heilige geest – hebben geprobeerd ‘de ander’ te ontraadselen en zich beelden van haar of hem te vormen die versteend zijn.

Hoog tijd voor een beeldenstorm, de komst van de geest die al die beeldvorming weer ondergraaft. De dynamiek die ervoor zorgt dat de gebarricadeerde straat naar de ander wordt opengebroken, opnieuw geplaveid en weer begaanbaar wordt. Ze is als de wind die bij vlagen gaat waaien, een glans van korte duur, schaduw op geblakerd land, stroom van heil, waardoor alle verhoudingen weer in beweging komen. Lucas interpreteert dit gebeuren door een joodse bril en grijpt naar de profeet Joël  terug. Het is Joëls raamwerk, waardoor hij deze gebeurtenis kan plaatsen. De entree van de geest die door het eenheidsdenken van het bewustzijn heenprikt, heeft raakvlakken met dat van de theofanie op de Sinaï. Er komt veel geraas en vuur aan te pas.

Hoe zouden Lucas’ toehoorders hebben gereageerd? Zouden ze hebben begrepen dat getuigen door een profetische taal die wil begeesteren van ander cement is gemaakt, dan de taal van het verstand, waarmee zij bekend waren en die hun vertrouwd was? Volgens Lucas is het de taal van ‘wat je voor je ziet’, ga je ervan dromen, openen zich vergezichten. Ze is als een woord dat een weg wil wijzen, richting geeft en ruimte biedt. Wie met een nieuwe werkelijkheid of een andere manier van spreken dan eigen is in aanraking komt, kan volgens de evangelist niet langer leven en handelen als voorheen. Je gaat merken dat je als mens verandert, dat je jonger wordt. Niet voor niets werd de heilige geest uitgestort op de volgelingen van Jezus: die stond een hele tegennatuurlijke wending voor.

Amen

Gereformeerde kerk Ter Aar, 21 mei 2017

Preek naar aanleiding van Hooglied 5:2-8 en 1 Johannes 5:1-6 uit de Naardense Bijbel voor de viering van de zesde zondag van Pasen Rogate op 21 mei 2017 om 09.30 uur in de Gereformeerde kerk te Ter Aar

Gemeente,

Wie de correspondentie leest tussen de Franse non Héloïse en de middeleeuwse filosoof Peter Abélard, krijgt inzage in de liefdesperikelen van twee intellectuelen die heen en weer geslingerd worden tussen enerzijds de liefde voor religie, filosofie en vrijheid en anderzijds erotische verlangens jegens elkaar. Roekeloze extase, erudiete, intieme liefdesverklaringen, wanhopig smachten, publieke schandalen en een wrede scheiding geven blijk van een gepassioneerde romance die uiteindelijk geen stand hield. In een passage uit een van de brieven doet Abélard de bekentenis dat hij Héloïse niet werkelijk lief had. Hij voelde vooral lust voor haar waarna hij haar adviseerde haar aandacht te richten op de enige persoon die haar ooit waarlijk lief kon hebben: Jezus Christus en stimuleert haar zich voorts te wijden aan haar religieuze roeping.

De tekst uit Hooglied vijf vers twee tot acht kun je lezen als een verliefdheidsdocument waarin een minnares de psychologische staten ontsluierd waarin ze zich bevindt nu ze ziek is van liefde. Een soort kalverliefde van jongeren die nog veel ervaring in de liefde mogen opdoen. De beminde heeft haar eetlust verloren, haar maag krimpt in elkaar alleen al bij de gedachte aan de minnaar, slapeloze nachten heeft ze ervan. Hoe verliefdheid technisch gezien in z’n werk ging, wist ze niet precies – feromonen had een chemicus gezegd – maar zij las en schreef, wandelde uren achtereen in de natuur, reisde naar de meest onherbergzame plaatsen en kennelijk is er een persoon die haar had opgemerkt en haar zo bekoorlijk vond in de manier waarop ze er was, dat hij van alles had geprobeerd om haar aandacht te trekken.

Je kunt de tekst ook anders lezen namelijk als het voorstadium van een aanstaand bruidspaar. Het minnelied bezingt de gelukzalige roes waarin bruid en bruidegom verkeren. De bruid is op van de zenuwen, bezwijkt bijna want morgen is de grote dag.

In het Oude nabije Oosten bestond een type huwelijk waarbij de vrouw in haar huidige huis bleef wonen totdat de aanstaande echtgenoot haar kwam bezoeken en zij vervolgens een huishouden deelden bij hem. Wij ontmoeten de bruid op het moment dat zij het huis nog bewoont en er min of meer in opgesloten zit.

En dan lijkt zich een klein drama in de psychische gesteldheid van de bewoonster af te spelen. Op het punt gekomen dat zij een nieuwe levensfase zal betreden, slaat de twijfel toe. De bruidegom staat in z’n beste pak op de stoep en heeft gedichten en liederen bij zich om zijn liefde voor haar te bezingen. Een viertal woordenboeken had hij bestudeerd om haar met lieve woordjes in het Hebreeuws, Aramees, Perzisch en Grieks haar huis uit te laten komen. Het waren koosnaampjes die als codes fungeerden om bij haar binnen te komen in de hoop dat zij naar buiten kwam. Het openen van die deur vormde een definitief jawoord.

En toen veranderde de aanvang van de dag die een trouwdag had mogen worden in een treurspel. Bij het ochtendgloren staat de minnaar ongeduldig bij de deur, roept nog een paar keer “duifje”, “mijn volmaakte”, maar het blijft stil aan de andere kant van de deur. Zijn roep vindt geen gehoor, wordt niet beantwoord. Hij knapte bijna uit elkaar, voelde zich gespannen, begon zich zorgen te maken. Geluid. Eindelijk. De bruid begon vragen te stellen, stelde zijn motieven ter discussie, riep hem ter verantwoording, maakte tegenwerpingen, wierp praktische bezwaren op, gooide haar emoties in de strijd, maakte niet ter zake doende opmerkingen die de dynamiek van het liefdesspel aan de poort stilzetten. Daar zat ze in haar japon in elkaar gezakt en met de armen om haar benen geklemd op de vloer en leunde met haar hoofd tegen de muur. Als een roos in de knop had ze haar bladeren gesloten om wat haar zo dierbaar was. Ze was het zinnebeeld van de omslotenheid geworden. Haar vingers trilden, ze snikte, geduld en ongeduld, actie en reactie wisselden elkaar af. De bruid was zoveel geest dat ze nauwelijks uit de voeten kon met het erotische.

In de tijden van het Oude Testament werd het huwelijk sterk religieus beleefd. Het geestelijke en het erotische vertegenwoordigden twee sferen waar de bruid in de religie mee overweg kon, maar daarbuiten van mens tot mens, vlees en bloed, had ze zich er geen raad mee geweten.

De periode voor het huwelijk in het Oude Nabije Oosten was een kuis gebeuren. Een breed gedragen cultureel-religieuze opvatting was dat de seksualiteit zich pas ten volle kon ontplooien binnen het huwelijk. En nu het zover was, deinsde de bruid ervoor terug. De bruidegom stak zijn hand door een deuropening om haar vertrouwen te wekken. Zij verzamelde moed, stond stevig op die naaldhakken, trok haar jurk weer recht en deed open. Maar na haar opstanding, het vermogen zichzelf te hernemen, zag ze dat haar lief weg was en start zij een wanhopige zoektocht. Terwijl ze in gescheurde bruidskleding en ladders in haar panty, zonder schoenen, met een behuild gezicht, uitgelopen mascara en vlekkerige lippenstift door de straten rent en riep, zagen de stadswachten, de bewakers van de muren – conservatieve lieden – haar aan voor een waanzinnige, een prostituee of vrouw in een beschonken toestand. Zij beletten haar nog verder op zoek te gaan naar de weggelopen liefste.

De tekst is naast een puur liefdeslied ook vanuit religieus oogpunt te benaderen en is op die wijze in lijn te brengen met de mystiek van de auteur uit 1 Johannes vijf vers een tot zes. De mystiek is een stroming waarin mystici systematisch reflecteren op de uitleg die mensen geven van hun contemplatieve streven naar eenheid met God en innerlijke ervaringen met goddelijke oneindigheid. Er bestaat binnen dit genre een subdiscipline die zich bezighoudt met bruidsmystiek. Onze tekst uit Hooglied is te situeren in en te exegetiseren vanuit die bruidsmystiek.

De bruid staat op de drempel van een godsontmoeting die haar bevrijdt van de menselijke ziel. Weken voordat dit moment aanbrak, had de beminde een strenge ascese toegepast, lichaam en ziel gereinigd en hoe leger zij werd, hoe intenser haar ervaringen. Het contrast wordt nu steeds groter: des te duidelijker God tot haar spreekt, des te meer begint zij te stamelen. Het naderende aanschouwen van God of de geboorte van God in de menselijke ziel, plaatst de mens voor het onzegbare.

De ziel en de reguliere spraak lijden onder de gave van het heilige. De beelden in de eerste vier verzen uit Hooglied vijf symboliseren de geslotenheid van de bruid. Als zij opendoet en ingaat op zijn smeekbede deelt God zich zelf aan haar mee. Die ervaring van transcendentie overleeft ze niet. Ze houdt nog teveel van het materiële en houdt angstvallig de deur op slot. Als die zinderende mogelijkheid tot een ongekende genade-ervaring de revue is gepasseerd, God op z’n schreden is teruggekeerd, slaat de beminde voor de wereld op de vlucht en zal ontheemd zijn, rusteloos, altijd op zoek naar haar liefste, de onvindbare God.

Ook de auteur van onze tekst uit 1 Johannes vijf vers een tot zes beschrijft op mystieke wijze beelden die uitdrukking geven aan het godsverlangen van de mens. Hij is een oude mysticus die schrijft aan mensen in de streek Efeze die hij pastorale zorg verleent en die verspreid leven over diverse huiskerken. Hij lijkt er daarbij in te slagen de mystiek te incarneren door haar niet af te zonderen van het wereldlijke, maar de ontmoeting met God te zien in de materiële en historische werkelijkheid. Hij doet dat door zijn lezer(es)s(en) te onderwijzen in de subtiliteiten van het geestelijk leven en een beschermlaagje aan te brengen tegen al wat hun ziel bedreigd. De middelen die hij hiertoe inzet, zijn onderscheidingsvermogen en wijsheid. Hij biedt ze een filosofiecursus voor beginners aan en leert hen via de logica netjes te redeneren. Via de weg van het denken, kunnen zij iets van goddelijk leven nastreven en met aandacht voor het innerlijke kunnen ze iets van waarheid bereiken. Geloof is zowel gebaseerd op vlees en bloed, de empirie, dat wat je met je zintuigen kunt waarnemen en via rationele categorieën interpreteert, als de uitwerking van wat je in de geest voor je ziet.

Als die analytische vaardigheden en die opmerkzaamheid voor wat zich van binnen afspeelt voldoende getraind zijn, dan kunnen volgens de auteur uiterlijke daden niet uitblijven. Sterker nog, hij leest aan externe daden de geestelijke conditie van de mens af. Die daden bewijzen voor hem een innerlijke realiteit. De rede die teert op het woord en de focus op de eigen binnenwereld vormen een bron van energie. Ze transformeren de persoonlijkheid. En om zijn visie te illustreren, beschrijft hij hoe het handelen van een persoon die geboren is uit God eruit kan zien. Een mens die in God woont, ervaart een intieme eenheid van geloof en liefde waardoor zij of hij enig ander tot op het diepste niveau van de innerlijkheid kan liefhebben. Het is agapè eigen zelfs de grootste onmens met behagen en genade tegemoet te treden. Het is misschien wel de hoogste vraag die aan een mens kan worden gesteld en ook de meest veelbelovende omdat ze de geest een stap verder helpt. Ze is de overwinning op de zwartgalligheid, donkerte en het hoogtepunt in elke geschiedenis.

Amen