Tag Archives: Dood

Zondag 18 augustus 2019, ‘Dorpskerk’ Castricum & zondag 25 augustus 2019, ‘De Wingerd’ Krimpen aan den IJssel

Preek naar aanleiding van 2 Koningen 4:18-37 uit de Nieuwe Bijbelvertaling en Marcus 1:29-39 uit de Naardense Bijbel voor de viering op zondag 18 augustus 2019 om 10.00 uur in de Dorpskerk te Castricum en voor de viering op zondag 25 augustus 2019 om 10.00 uur in De Wingerd te Krimpen aan den IJssel

Gemeente,

In de jaren 2002 en 2003 schrijft de Nederlandse auteur Pieter Frans Thomése een autobiografische roman, waarin hij via essays een literaire omgang presenteert met de plotselinge dood van zijn kind. In negenenveertig korte chapiters zoekt hij naar een taal die in staat is zijn werkelijkheid die gestorven is te beschrijven. Tussen de regels door proef je als lezer(es) hoeveel moeite het de auteur kost om het dagelijks leven doorgang te verlenen, hoe zwaar de aanwezigheid van andere mensen hem valt en het onvermogen van hemzelf en anderen om op zijn situatie te reageren. Uit de roman blijkt dat Thomése gezocht heeft naar bronnen uit de oudheid en christelijke opstandingsverhalen, waarin denkers die weet hadden van een vergelijkbare situatie, de lacune van taal voor een dergelijke traumatische gebeurtenis konden vullen. Noch Griek, noch Romein, en ook geen evangelist of dichter formuleerde een toereikende taal waarin hij zijn ervaring kon herkennen.

Een probleem van de auteur ten opzichte van zijn voorgangers is dat zij via de taal in staat waren tot een constructie, een samenhangend en afgerond verhaal. Thomése beschikt niet over een vorm, laat staan een lijn van A naar B met een narratief plot en een moraal waarmee hij de dood van zijn kind kan plaatsen. Alsof de taal een net is van draden die je aan elkaar kunt knopen om de werkelijkheid een structuur te geven en in het spannen van die draden betekenis ontstaat. Thomése staat met lege handen, bevindt zich in de mazen van dat net, heeft geen sluitend woord en het is wellicht die ervaring waardoor hij aanvankelijk niet weet waar het schrijven te beginnen, op welke wijze het leven zelf aan te vangen.

In de medische wereld was men klinisch en zakelijk met de dood van zijn dochtertje omgegaan. Ze was een ‘sterfgeval en Thomése lijkt een persoonlijke benadering van deze levensgebeurtenis voor te staan.

Het boek Schaduwkind is poëtisch geschreven, en poëzie leent zich voor een ‘duidelijke’ expressie van ‘het ongerijmde’. Wie als mens een gebeurtenis overkomt die niet in de taal te verwoorden is, en daarmee onmogelijk in het eigen wereldbeeld past, toch wil uitdrukken, kan zich richten tot de poëzie, die via beelden stem kan geven aan onduidelijke gevoelens. Maar de poëzie als esthetisch medium doet nog iets meer. Zoals je een alledaags voorwerp uit een reguliere context kunt halen, het afzondert door het op een sokkel te zetten en in een museum te plaatsen, waardoor het singulier wordt, zo evoceert de poëzie een vervreemdend effect ten opzichte van gewoontevorming. Dat effect voorkomt dat je als een voyeur naar de pijn in het bestaan van de ander kunt kijken. Poëzie vormt een handrem tegen sentiment, dat eigenlijk wreed is, en haalt de lezer(es), die nota bene over het lijden van een ander leest, uit haar of zijn gewone doen, schept een ervaring die Thomése in het groot meemaakte en roept op tot meeleven in de praktijk.

Thomése’s strategie geeft te denken over de reikwijdte van de taal en het gebrek aan vormen om de dood van een kind gestalte te geven en te verwerken. Is de religie niet een type sfeer dat bij uitstek ruimte laat voor gebeurtenissen die van ‘het abrupte’ en ‘het absurde’ getuigen? Hoe kan de religie een bijdrage leveren aan het toegankelijk maken van dit type levenservaringen?

De tekst uit 2 Koningen vier vers achttien tot zevenendertig behandelt die twee vragen. De tekst vormt met de passage die eraan vooraf gaat een trilogie. In de tekst richt de auteur de blikrichting van de lezer(es) van de internationale politiek, het decor van de wereld, naar de huiselijke sfeer. Je kunt de auteur vergelijken met een persoon die de fauteuil waarin een televisiekijker zit, die naar grote drama’s die zich ver van huis afspelen kijkt, omdraait en haar of hem in plaats daarvan naar het eigen gezinslid laat kijken, dat zich een paar meter van haar of hem bevindt.

In ons verhaal is dat een vrouw uit Sunem die ooit getrouwd was met een oude echtgenoot en kinderloos en welgesteld was. De auteur wil de lezer(es) laten meevoelen met de positie van een weduwe in het Oude Nabije Oosten en schakelt een profeet als diaconaal hulpverlener in om haar waardigheid te herstellen. Hij doet dat door te voorzien in de middelen om haar schulden te betalen en door de Sunammitische vrouw de regie over voor haar belangrijke levensgebieden terug te geven. Elisa is een schuldsaneerder en lifecoach ineen. Hij had er nog een schepje bovenop gedaan door te voorzien – vraag niet hoe – dat zij zou bevallen van een zoon.

Een profeet gehuld in een kamelenharen mantel leeft van weinig voedsel: zijn menu bestaat uit sprinkhanen en wilde honing. Met verbeeldingskracht was hij rijk gezegend en van die overvloed deelt hij graag met de Sunammitische vrouw. De profetie over de geboorte van een kind is Elisa’s manier om iets terug te doen voor de gastvrijheid die hij genoot al de tijd dat hij bij haar in huis vertoefde om de zaken daar weer een beetje op orde te krijgen. Het is deze zoon, haar enig kind, die sterft. Deze vrouw heeft haar leven weer op de rit door langs de weg van de religie weer een onafhankelijk persoon te worden en zelfstandig haar besluiten te nemen. Ze mocht zich verheugen in de opvoeding van een kind en ik stel me voor dat die twee, moeder en zoon, een bijzondere band met elkaar hadden. In het Nieuwe Testament, denk aan Maria en Jezus, zal Maria haar geesteskind uiteindelijk los moeten laten. Hier echter komt een vrouw aan het woord die op het aanbod van Elisa om haar diepste, misschien wel meest verborgen wens in vervulling te laten gaan niet antwoordt met een expliciete kinderwens.

Elisa wenste haar een zoon toe, die kreeg ze en nu sterft het kind. Elisa had een wensgedachte voor deze vrouw ingevuld, terwijl ze zelf mogelijk hele andere ideeën had over de nadere invulling van zijn aanbod. Als ze zo graag kinderen had gewild, dan was ze wel met een jongere man getrouwd. Wat de vrouw uit Sunem nu doet, is Elisa bepalen bij de verantwoordelijkheid voor zijn profetie. Het lijkt wel alsof ze Elisa met die profetie erop wil wijzen in te staan voor zijn uitspraak. Ze gaat hem confronteren met wat hij in en met de taal ten opzichte van haar doet. Met een profetie kun je niet vrolijk en vrijblijvend strooien. De auteur draait de rollen om. Het is nu de Sunammitische vrouw die de rondtrekkende profeet de implicaties van zijn belofte laat zien en hem ouderlijk gezag gaat geven. Ze is verontwaardigd, omdat ze helemaal niet zit te wachten op een aaneenschakeling van ‘dode zielen’ in haar huis. Elisa heeft deze jongen in haar leven geroepen, hij is de vader en mag er nu ook zorg voor dragen dat de jongen weer bij zinnen komt.

Van de zwakke vrouw die hij ooit aantrof, is nog nauwelijks iets te bespeuren. Resoluut komt ze in actie, laat zich door Gechazi, Elisa’s koerier niet afschepen, net zoals je via de telefoon door voet bij stuk te houden een secretaris passeert, omdat je een bestuurder wilt spreken. Elisa is de vrijheid gewend, komt en gaat wanneer hij wil, is niet aan huis en haard gebonden. Die vrijheid is hem zo lief, dat hij eerst Gechazi, z’n afgevaardigde wil sturen. Met een tussenpersoon kan de Sunammitische vrouw echter geen genoegen nemen. Het is alsof je 112 belt voor een levensbedreigend geval en je in de wacht wordt gezet. “Blijft u nog even aan de lijn, er zijn nog enkele wachtenden voor u.”

De jongen die stervende is, wil geen schijnvader, geen surrogaatouder in de vorm van een pop of robot die hem bezighoudt. Op de staf van Gechazi reageert hij dan ook niet. Weg met dat malle ding en die magische hocus pocus. Ik wil een echte vader, niet één in de hemel, maar één op aarde. Zo één van vlees en bloed die met beide benen op de grond staat. Een vader die aan de zijlijn staat als ik op zaterdagochtend in de druilende regen een voetbalcompetitie speel, een beleggingsrekening voor me opent en schoolformulieren kan invullen, me helpt met scheikunde en Spaans, iets begrijpt van die verwarrende tijd van het puberen, kaartjes voor een concert van Bob Dylan koopt, met wie ik vrouwen- en mannenzaken kan bespreken, me weggeeft aan het altaar. Een klassieke, degelijke, ongecompliceerde vader die niet wegloopt nadat hij me heeft verwekt.

En toen transformeerde Elisa van profeet in een huisman die later nog aan vaderdagen zou doen. De Sunammitische vrouw gaf hem, zwerver, een onderkomen. De medische wereld werd thuis in het klein nagebootst. Zou Elisa vandaag de dag leven, hij zou de jongen direct naar het ziekenhuis hebben gebracht. Wie buiten bewustzijn raakt, heeft in de eerste plaats een vader en een goede arts nodig en geen representant van de religie die fysiek falen religieus interpreteert.

Elisa reanimeerde hem, ademde zijn lucht in de mond van zijn zoon, identificeerde zich met hem, raakte hem aan, warmde het koude, asgrauw gekleurde lichaam van de jongen, nam hem in bescherming, ijsbeerde van de zorgen heen en weer, rende het hele huis door, begreep nu wat paniek om je kind betekent en maakte wat dood is weer levend. Als de Sunammitische vrouw voortaan uit haar werk komt, heeft Elisa gekookt en zit de jongen boven te leren, oefende buiten passes, gamede of produceerde zijn eigen muziek. Dan zaten zij gedrieën, spraken honderduit, rond dezelfde tafel, deelden hetzelfde brood, dezelfde aarde, terwijl Gechazi op z’n brommer nog wat pizza’s rondbracht.

Amen

De Swaen Edam, 19 november 2017

Preek naar aanleiding van Jesaja 60:1-11 en Openbaring 7:9-17 uit de Naardense Bijbel voor de viering op 19 november 2017 om 10.00 uur in De Swaen van de Protestantse Gemeente te Edam

Gemeente,

Vanochtend staan wij allereerst stil bij een algemeen deel over gedenken, vervolgens kijken we vanuit theologisch perspectief naar wat een persoon die gedenkt doet, en tot besluit spitsen we ons betoog toe op het specifieke visioen uit Openbaring zeven vers negen tot zeventien.

In een handboek voor diaconiewetenschap dat de titel Diaconie in beweging draagt, staan hedendaagse impressies van de zeven werken van barmhartigheid afgebeeld. Barmhartigheid is de daad om hulp te verlenen aan mensen die in nood verkeren. In een daad lijd je liefdevol mee met een ander en hoopt haar of zijn lijden te verminderen. De illustraties vormen reproducties van zeven schilderijen die Frans Franciscus maakte. Het laatste schilderij dat ook op de liturgie is afgedrukt, illustreert de liefdedaad van ‘de doden begraven’.

Een beringbaarde jongeman met All Stars sneakers, in spijkerbroek en sportief jack tekent, tegen een herfstachtige achtergrond, in geknielde houding met een wijsvinger een hart op de grond. In zijn linkerhand houdt hij een witte veer vast, uit een broekzak hangt een zakdoek. In de lucht vliegt een vlucht vogels voorbij. De jongeman heeft zijn gelaat van de grond afgewend, kijkt droevig, wezenloos de ruimte in. De suggestie wordt gewekt dat deze jongeman het gewaagd heeft een liefdesrelatie aan te gaan, zich in de loop van een relatie aan een persoon is gaan hechten en nu rouwt om de dood van een geliefde.

Voor een mens die verdriet verwerkt, kan de afwezigheid van een dierbare zo intens zijn, dat het nauwelijks mogelijk is erover te spreken. Niet alleen de overledene is stil, ook rondom de rouwdragende kan het doodstil worden. Een persoon die verlies verwerkt, kan ten dode toe zwijgen. Zoals de bijna bladerloze takken op het schilderij kan het lichaam van een rouwdragende futloos, slap aanvoelen, de perceptie is kleurloos, want een geliefde is, als een blad aan de boom in de herfst, gestorven.

In een rouwproces kan de absentie van een persoon tot een nieuwe vorm van ‘onzichtbare presentie’ worden omgevormd. Die ander is dan niet in de werkelijkheid aanwezig zoals een levend mens of object, maar wordt herinnerd, opgeroepen, herdacht en beleefd in de geest.

Waarom begraven we doden? Waarom lopen we mee in stille tochten en wijden we jaarlijks nationaal een dag aan het herdenken van doden? Waarom bezoeken mensen na het overlijden van een dierbare nog regelmatig haar of zijn graf, blijven dralen op het kerkhof, onderhouden de zerk en leggen bloemen neer? Met de dood is er een beslissing gevallen, het leven is voorbij, verwacht iemand daar nog iets van?

Omgangsvormen voor de dood van een dierbare zijn geen symbolische gedragingen die je leert, zoals een kind op de basisschool de tafel van acht uit haar of zijn hoofd leert. Een bericht van overlijden brengt een mens vaak via de schrik tot staan en leert haar of hem ernstig te worden. Het ‘leven’ zelf doet een mens de ervaring met de dood opdoen.

Een mens die herdenkt, denkt op een speciale wijze terug aan een persoon. ‘Gedenken’ is een mentale act, die deel uitmaakt van een herinneringscultuur. Op een plechtige manier en omgeven door rituelen en symbolen brengen we iemand in herinnering en houden de overledene in ere. In het gedenken sta je – vaak ook letterlijk – stil, het kan nopen tot zelfbepaling. In de act van het gedenken, kan de persoon die gedenkt tot de ontdekking komen dat zij of hij toe is aan vertroosting of reikhalzend naar rust uitzien. Breder doen we nog iets anders als we, hetzij individueel, hetzij collectief gedenken.

Wie gedenkt, ‘mijmert’ over het verloop van een gebeurtenis. In die reflectie komen vragen boven en het is die ‘openheid’ die ruimte biedt ‘het tij te keren’. Je zou bijna kunnen zeggen dat je ‘de geschiedenis’ een halt toeroept en in plaats van dat haar trein alsmaar doorrijdt, verspert de mens die gedenkt haar gang en brengt de geschiedenis tot stilstand.

Als je theologisch naar een gedachtenis kijkt, dan lijkt het erop dat iemand die gedenkt, zich plaatst voor het aangezicht van een ander. Die ander, een overledene, staat min of meer buiten een cultuur, maakt daar zelf geen deel (meer) van uit, leeft er niet in. Een mens die zichzelf plaatst ten overstaan van zo’n ‘perspectief’ doet een poging als een ‘buitenstaander’ naar een individueel leven of een samenleving te kijken. Dit buitenperspectief kan als een kritisch criterium fungeren om een praktijk te beoordelen. Het stelt een mens in staat in te keren, en een gang van zaken om te keren. Die mogelijkheid tot ‘gedragsverandering’ zou de zin van gedenken uitmaken. Want verder is ‘gedenken’ weinig effectief, het is niet ‘nuttig’ of doelgericht, een dode wordt er niet mee teruggehaald en wie echt ergens werk van wil maken, bereikt meer met de inzet van sociaal-politieke middelen.

Aan het gedenken zitten ook twee pastorale kanten: wie ‘gedenkt’ stemt zichzelf mild over de overledene en deelt een last die ongedeeld mogelijk ondraaglijk wordt. Je leert met andere ogen naar een persoon te kijken, je laat je ‘glorie’ over die ander opgaan, waardoor zij of hij in een nieuw licht komt te staan. De absentie van een geliefde kan ertoe leiden dat je haar of hem op een andere manier dan voorheen gaat begrijpen.

Er zijn mensen die na het overlijden van een partner sterven ‘van verdriet’. De emotionele band was zo hecht en het gemis zo groot, dat het leven zonder partner al z’n kleur doet verliezen. Zonder haar of hem valt er niet te leven. Wie met anderen door een rouwproces gaat en verdriet kan delen, maakt het draaglijker dan er alleen mee rond te lopen. In een geloofsgemeenschap besteden we aandacht aan onze doden en de manier waarop we ons individueel tot een overleden dierbare verhouden. En de gedachtenis aan ‘de doden’ stelt ons in staat te schiften tussen ‘levenskwaliteit’ en datgene waaraan je mag versterven, wil je het leven zelf doorgang verlenen.

Aan kerkgebouwen zit vaak een begraafplaats vast. De herinnering aan de doden is zichtbaar. Een begraafplaats biedt de gelegenheid publiekelijk te rouwen en we maken ons de dood indachtig. Dat ‘de doden’ op die wijze aanwezig zijn en zichtbaar verweven met ons leven, maakt dat we niet vanuit een onwetendheid over hoe we ons de dood voorstellen, hele concrete gestalten bedenken. In de brede cultuur wordt ‘de dood’ aan de ene kant onpersoonlijk gemaakt, en aan de andere kant gepersonificeerd, zoals ‘de man met de zeis’ of ‘de man in zwarte pij met een wit geschminkt gezicht’.

Nabestaanden, ouderen die verzadigd zijn van het leven en zij die het leven zelf zat zijn, kunnen zich verzoenen met de dood. In advertenties, op rouwkaarten en in een ‘in memoriam’ proberen verwanten vaak vrede te sluiten met iemands dood. Als er iets is, waarvan ik denk dat God zich er niet mee kan verzoenen, dan is dat de dood. De dood is een toestand, een ‘alvernieler’ die uitgerekend een stadium representeert ‘waar God geen spreekuur houdt’. God is daar te vinden waar je een weg naar de waterbronnen van het leven wordt gewezen, die zich laat vinden in de aanwezigheid van een levendig gesprek of beroering brengt in dichtgeslibd leven.

Niet alle mensen sterven een bevredigende dood. Er zijn situaties denkbaar waarin nabestaanden zich geestelijk verzetten tegen de oorzaak waardoor iemand overleed. Op die wijze mag je het visioen uit Openbaring lezen. Het is een groots neergezet protest tegen de praktijk van terdoodveroordeelden in de eerste eeuw, mensen die stierven, omdat zij vasthielden aan hun geloof en een christelijke levenspraxis die wij sinds de tweede eeuw kennen als martelaren. Deze dood werd als een getuigenis opgevat en we gebruiken de term nog voor mensen die met geweld worden vervolgd om hun overtuigingen.

In de protestantse traditie kennen we geen heiligenverering zoals die in de katholieke en Orthodoxe Kerk wordt gepraktiseerd. Maar met de tekst uit Openbaring brengt de auteur de martelaren van zijn tijd wel de laatste eer. Het zijn mensen die tijdens hun leven op een bijzondere manier van hun geloof hebben getuigd, dat getuigenis met de dood bekochten en voor wie de auteur hoopt dat zij in een andere samenleving alsnog godsdienstvrijheid genieten. Hij gedenkt ze, hemelt ze op, maakt speciaal voor hen ruimte. Ze krijgen een soort V.I.P.-plaats toegemeten. Hij kan geen genoegen nemen met wat hen werd aangedaan en tekent met inzet van zijn fantasie protest aan tegen het gebrek in het openbaar de eigen levensovertuiging in vrijheid te belijden. In het visioen verbeeldt hij zich dat die martelaren alsnog in het gelijk worden gesteld en compensatie ontvangen voor het onbegrip, de censuur en het doden van een mens. Dit poëtische nee biedt troost en kracht voor nabestaanden en wekt het besef op dat een mens stem kan geven aan een dode, door waar en hoe ook ter wereld op te staan tegen denkbeelden en structuren waarin een mens om het belijden van geloof of uitdragen van een levensovertuiging ter dood wordt gebracht.

Amen