Tag Archives: Bloemlezing

Zondag 28 oktober 2018, ‘Oude Kerk’ Heemstede

Preek naar aanleiding van Baruch 5:1-9 uit Buiten de vesting en Romeinen 8:18-25 uit de Willibrordvertaling voor de viering op zondag 28 oktober 2018 om 10.00 uur in de Oude Kerk van de protestantse gemeente te Heemstede

Gemeente,

Wie het vak logica volgt, wordt getraind haar of zijn perspectief op taal te verschuiven. Een logicastudent(e) kijkt niet zozeer naar de inhoud en betekenis van zinnen, zij of hij is veeleer geïnteresseerd in de vorm van een reeks woorden, die een samenstel vormen om uiteindelijk premissen, argumenten en redeneerschema’s op het spoor te komen en de geldigheid ervan te beoordelen. Het verband tussen deze inleiding en de tekst uit Baruch is dat de tekst uit dit deuterocanonieke boek het karakter heeft van de omlijsting van een schilderij. De lezer(es) wordt uitgenodigd even niet naar het doek te kijken, maar naar de omranding die het kunstwerk inkadert en dat een decoratieve functie heeft.

Baruch vijf vers een tot negen is een bloemlezing over de denkbeelden en gevoelswereld van de joden over de verwoesting van Jeruzalem en de ballingschap die erop volgde. De tekst leest als een gedicht en kan als speech op een feestdag in een religieuze ruimte worden voorgedragen. Het is een hooglied van troost en hoop met profetische allure. Na een periode van rouw port Baruch de gedeporteerde joden op om te kijken of zij, na zich enigszins te hebben aangepast aan een nieuwe situatie, klaar zijn voor een nieuw perspectief.

Baruch is een modestylist, iemand die een intrinsiek verband ziet tussen menselijk gedrag en kledingstijl. In zijn verbeelding gebruikt hij dan ook beelden uit de wereld van kleding en textiel, die als metaforen nieuwe betekenissen moeten scheppen in Israëls ervaringen en interpretaties. Dit Joodse volk gaat al geruime tijd gekleed in het zwarte gewaad van boete en gebed, en wat Baruch betreft is het de hoogste tijd het rouwkleed te verruilen voor een kostuum van stralende schoonheid en gerechtigheid. De dresscode die Baruch voorschrijft is wit en feestelijk.

Die gedeprimeerde joden vormden een groep en versterkten elkaar in hun treurstemming en lijden. Het bleek voor de individuele, goedgemutste jood moeilijk zich los te maken uit ‘een weeklachtcultuur’. Het is uitgerekend Baruch die als secretaris werkzaam was en op enige afstand van het joods collectief stond, die in staat zal zijn de in een escorte weggevoerde joden op te beuren en te bemoedigen. Hoe troost hij?

Door de aandacht van zijn lezer(es) te richten op verandering en een nieuw perspectief te schetsen. Of liever, door een oud geloof in een nieuw jasje te steken. De joden in den vreemde dienen hun blik te richten op het oosten, de band met Jeruzalem te onderhouden en mogen er vanuit gaan dat ze, thuisgebracht door ‘die grote gemene deler’, weer samenkomen en zich opnieuw organiseren in een bezielend verband. Baruch mikt op een groot weerzien.

Hij gaat voor zijn belofte van herstel te rade bij Jesaja, die hij via de priester Jeremia, zijn werkgever voor wie hij veel brieven schreef, had leren kennen. Baruch neemt uitdrukkingen van hem over om de joden toe te spreken en aan te sporen vreugdevol uit te kijken naar wat er volgens hem voor hen in het verschiet ligt. Tot het zover was, zouden de joden in de diaspora als toeristen tijdens ‘een vakantie’ hun rituelen blijven herhalen om de gedachtenis aan hun thuisland levend te houden. Als lezer(es) kun je zijn schrijfstrategie vergelijken met een ouder die al een tijdje op het schoolplein staat te wachten, totdat de bel gaat en het kind, dat die dag voor het eerst naar school ging, ophaalt. Zodra het kind de ouder tussen een menigte van ouders heeft ontdekt, rent het op de ouder, die inmiddels in gebukte en open houding het kind begroet, af en vliegt het in de armen. Een ander voorbeeld is het gevoel ontroostbaar te zijn na een relatie die op de klippen loopt en na verloop van tijd zien hoe door die situatie nu ook ruimte vrijkomt voor andere levensinvullingen.

Paulus en Baruch delen eenzelfde mensvisie namelijk, dat de mens geroepen is tot heerlijkheid, in wat voor hachelijke toestand zij of hij zich ook bevindt. Ook Paulus stelt een omgang met lijden voor door via overbrugging alvast vooruit te lopen op de toekomst. En er is meer dat hen bindt. Paulus bevindt zich in een soort spagaat nu hij de drang voelt te benadrukken dat hij zijn religieuze levenservaring moeilijk aan zijn omgeving kan aanpassen. Dat milieu, ons materiële universum, is ingebed in eindigheidsstructuren, en volgens Paulus is het rabbijnse onderwijs dat hem ter beschikking stond onvoldoende in staat de effecten van al wat van voorbijgaande aard is, op een zinvolle manier te plaatsen. De wet, primair opgevat als ritueel en ceremoniële aangelegenheden, was niet in staat de neergang en de dood, waar het menselijk leven en al wat er mee samenhangt in de kosmos op uitloopt, tegen te houden. Geen enkel theologisch systeem of religieuze constructie is bestand tegen de tand des tijds.

Paulus is op zoek naar een duurzaamheidsvisie. Hij zet een persoonlijke spiritualiteit, of liever, zijn levenservaring in die het euvel van de vergankelijkheid het hoofd moet bieden. Met zijn voorstel strooit hij zand in de raderen van de zandloper van de tijd. Hij gebruikt de metaforen van zwangerschap en bevalling om heel affectief en aanschouwelijk lijdenssituaties te illustreren. Woorden als “kreunen”, “barensweeën”, “zuchten”, “verlossing”, “zwakheid” en “verzuchtingen” roepen die lijdensbeelden en connotaties op. En als Baruch zet Paulus al zijn kaarten op de categorie van de hoop. Lijden ontstaat veelal door een gebrek of gemis. Uit dat tekort valt veelal ook een voorwerp van verlangen af te leiden, te benoemen en te projecteren in de toekomst. Naar de verwerkelijking van de inhoud van dat verlangen kan een mens reikhalzend uitzien.

Paulus hoopt dat die hoop aanstekelijk werkt en als een lopend vuurtje rondgaat. Sterker nog, mens en wereld dragen zelf het zaad van verlossing en vereeuwiging in zich, zo is zijn overtuiging. Wat zouden die termen ‘verlossing’ en ‘vereeuwiging’ voor een mens in de eenentwintigste eeuw kunnen betekenen? Voor iemand die erg assertief is, is een suggestie los, receptief in het leven te gaan staan, de eigen denkbeelden af te zwakken en belangen te laten varen om ruimte te scheppen voor de inbreng en initiatieven van de ander. Voor een mens die haar of zijn voorstellingsvermogen vooral voedt met externe stimuli of veel digitale overuren maakt, kan het inhouden zich te oefenen in dagdromen en mijmeringen, de fantasie in werking te stellen door minder te letten op wat er in de buitenwereld gebeurt.

Het ‘project’ van Paulus kan de vraag oproepen of het de gevolgen die meekomen met de eindigheidsstructuren van ruimte en tijd, waarin de mens zich bevindt, teniet gedaan zijn door metafysisch denken. Paulus wil iets absoluuts en relativeert vanuit die wens de feitelijke werkelijkheid.

Ten opzichte van Baruch vindt bij Paulus een omkering plaats. Als een rode draad loopt door het Oude Testament dat de Israëlieten moeite hebben met de onzichtbaarheid van God, en als oudtestamentische auteurs over God spreken, dan doen ze dat in concrete taal. Paulus situeert de manifestatie van God langs de weg van de hoop in ‘het onzichtbare’, dat wat je al wel met je geestesoog kunt waarnemen, maar wat nog niet praktisch is vormgegeven.

Transcendentie dat wil zeggen, ‘dat wat de eigen denkcategorieën en ervaring te buiten of te boven gaat’, kan niet voorkomen dat ik mijzelf zolang ik leef telkens in een fysische werkelijkheid beweeg. Naast Baruch die oproept terug te keren naar een wereld die achter de joden ligt en naast Paulus die inzet bij een leven voorbij de horizon kunnen wij, als wij ons willen verzoenen met de huidige leefwereld, lerend van Baruch en Paulus, proberen er ook voor te kiezen een eigen leven op te bouwen. En onderweg af en toe terugblikken, het verleden present stellen en kijken hoe een ieder zich daartoe verhoudt, en in verwachting van gewenste, mogelijke en haalbare gebeurtenissen. Dan houd ik mijn leven op peil en het lijden daarin binnen de perken.

Amen