Tag Archives: Apostel

De Hoeksteen Zwijndrecht en Het Kruispunt Voorschoten, 2 april 2017

Preek naar aanleiding van Jesaja 42:1-9 en Handelingen 10:34-38 uit de Willibrordvertaling voor de viering van zondag Judica op 2 april 2017 om 10.00 uur in de hervormde wijkgemeente De Hoeksteen te Zwijndrecht en voor de Vesper om 19.00 uur in Het Kruispunt van de protestantse gemeente te Voorschoten

Gemeente,

Het is wellicht het meest onvolprezen beroepsperspectief: dat van profeet. Een kenmerk van menig oudtestamentisch profeet is ‘onwil’. De aanstaande profeet kiest, als het aan hem of haar ligt, liever het ruime sop – denk aan Jona – of hult zich in zwijgen, dan af te reizen naar een uithoek van de wereld of op een kist op het marktplein te gaan staan om er zijn of haar overtuiging rond te bazuinen of er een boodschap te verkondigen. Het zijn vaak derden die ‘de profeet’ die functie toebedelen, een tijdgenoot die iets gezien heeft in die figuur, namelijk dat hij of zij een inzicht met zich meedraagt dat de profeet de mensheid niet mag onthouden.

Zoals een eenentwintigste-eeuwse West-Europeaan wellicht een sms’je of appje zou sturen na lange tijd niet van een vriendin of kennis gehoord te hebben en op die wijze de sociale dynamiek op peil houdt, zo zou een gelovige Jood uit de Oriënt in achthonderd voor Christus een profeet ertoe bewegen ‘het zwijgen Gods’ te verbreken door haar of zijn woord te spreken. De figuur van de profeet kreeg de ‘status’ toebedeeld van tussenpersoon, een schakel tussen ‘de goddelijke voorzienigheid’ en de levenskwaliteit van een samenleving.

Ook in geval van Jesaja is er een fundamenteel verschil, een discrepantie tussen zijn zelfbeeld en de manier waarop hij door zijn omgeving wordt waargenomen. De ‘rol’ die hij voor zichzelf ziet weggelegd, is een heel andere dan die van profeet: vandaar dat hij als een berg opziet tegen het betreden van het podium en tegen heug en meug gehoor geeft aan ‘zijn onvrijwillige roeping’. Dienstknecht? Uitverkorene? De geestelijke uithangen? Het recht roepen van de daken? Mij niet gezien!

Jesaja was de kleuter aan wie zijn moeder ‘geen kind had’. Hij gaf geen kick! Jesaja is de stille, ijverige jongen in de klas die na schooltijd naar huis fietst en er ‘braaf’ zijn huiswerk maakt. Hij is er om zo te zeggen ‘het type niet naar’ de kwajongen uit te hangen en rottigheid uit te halen met vriendjes uit de buurt. Jesaja is de jongen die vanwege zijn ernst, verantwoordelijkheid en ‘onpartijdigheid’ tot klassenvertegenwoordiger werd verkozen. Jesaja is de puber die pulkend aan de mond van een bierflesje tegen de muur aan geleund staat en moed moet verzamelen de dansvloer op te gaan. Eerlijk gezegd heeft hij het land aan feestjes.

Scheikunde, natuurkunde, biologie, godsdienst en drama zijn Jesaja’s meest geliefde vakken. In het weekend verzamelt hij z’n tent, slaapzak, butaanhouder, telescoop en fotocamera om in een niemandsland de natuur en de sterrenhemel te bestuderen. Hij maakt aantekeningen, schetsen, berekeningen, grafieken, doet experimenten en bootst in het klein na wat hij in het groot heeft gezien.

Jesaja is de zachtaardige jongen met veel vriendinnen die begrip kon opbrengen voor hun angsten en complexen en belangstelling toonde in hun wereld van hockey, mode, nagellak, popmuziek en romans. Jesaja is de student die geen pogingen zal doen in het middelpunt van de belangstelling te staan. Hij volgt trouw de colleges, kan zich goed concentreren, knoopt hier en daar een gesprek aan en gaat z’n eigen gang. Dat hij in zijn vrije tijd aan een boek werkte over het ontstaan van de wereld, God, de voltooiing van de dingen, de oorzaken van het kwaad in de wereld, een analyse van de vrije wil, het begrijpen van de betekenis van ‘het begrip’ zonde en de structuur van de menselijke geest, wist geen mens, behalve de uitgever.

Jesaja had er het liefst nog langer aan gewerkt, was niet helemaal tevreden over de opbouw van zijn verhandeling en had het geheel graag postuum gepubliceerd. De uitgever had erop gestaan: de dromen en de ideeën van Jesaja – liep hij niet permanent met zijn hoofd in de wolken? – daar had de mensheid recht op. Het was de hoogste tijd dat zijn jongste talent in de schrijversclub uit de kast kwam.

Jesaja was geen ooggetuige, maar een getuige die ‘heldere inzichten’ had waar een vastgelopen geloofsgemeenschap mee verder kon. Dat een aantal invloedrijke figuren uit die geloofsgemeenschap hem vervolgens naar voren hadden geschoven als ‘lichtende figuur die voor de troepen uitloopt’, hem als ‘boodschapper van heil’ de geschiedenis in hadden doen gaan, dat nam hij voor lief. Hij had er z’n schouders bij opgehaald: de hoofdthemata van zijn theologisch-filosofisch traktaat betroffen de dingen waar zijn hoofd vol van was.

Eeuwen na het verschijnen van Jesaja’s grondslagen van het joodse denken, zal er een boekje verschijnen onder de naam ‘Handelingen van de apostelen’. De getuigenissen staan er opgetekend van ‘nieuwe Zuiderlingen’ die hun joodse klassiekers kenden. De auteur die een medische opleiding had gevolgd, schreef het in zijn beste Grieks.

Dag aan dag stond de auteur aan het bed van vrouwen die een kind ter wereld brachten, liep hij als arts over de afdeling van ziekenhuizen, holde naar de intensive care, schreef medicijnen voor, bezocht verpleegtehuizen en vergaderde met collega’s en andere vakspecialisten over de ethische en levensbeschouwelijke aspecten van zijn vak. Kortom, hij was bekend met genezingsverhalen, barensnood, wist wat het betekende een mens van haar of zijn pijn te verlossen en wat voor gemoedsgolf aan vreugde dat teweeg bracht. Nog weer vele tijdvakken later zul je zien dat er jonge personen uit de charismatische beweging opstaan om aan hun persoonlijk getuigenis lucht te geven. Gevoelens van bevrijding, die moeten eruit!

De titel van het geschrift doet vermoeden dat we hier van doen hebben met een meervoud aan representanten uit ‘de vroege kerk’. Het zijn echter twee apostelen wiens getuigenissen met name worden belicht. Paulus die de draad van ‘de Jezusbeweging’ oppakt en Petrus. Deze Petrus zal na zijn ‘bekeringsverhaal’ een concilie bijwonen – op de voorzijde van de liturgie ziet u een afbeelding van een concilie. Consilium, dat is een Latijns woord voor een mondiale vergadering waar kerkleiders theologische en kerkelijke onderwerpen bespreken.

De rol die Petrus in dit concilie zal gaan spelen is die van een ‘geloofsgetuige’ die van mening is dat de bespreking van die thema’s weinig uit het leven gegrepen is. De stem van de leek, de ‘gewone gelovige’ die hij juist heel hoog acht, komt er nauwelijks aan bod. Om die onevenwichtigheid te compenseren zal hij er ‘op eigen naam’ een getuigenis in de vorm van fragmenten uit zijn autobiografie uitspreken waar de bisschoppen en andere kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders stil van worden. Met zijn persoonlijke ‘statements’ zal hij roet gooien in het eten van de kerkelijke agenda’s. En hij gaat nog een stap verder, want wat de kerkleiders in Jeruzalem zijn vergeten, is het geluid van ‘de atheïst’ in hun gefixeerde standpunten en binnenkerkelijke betogen te verdisconteren. Petrus doet die gewaagde stap niet op basis van ‘rationele gronden’, alhoewel hij wel inziet dat ‘de heiden’, de zogenaamde buitenstaander – een plaatsbekleder in deze algemene vergadering nodig heeft om coöperatieve relaties tussen mensen van verschillende levensoriëntaties in de polis aan te gaan. Petrus stemt zijn gedrag af op twee ‘intuïties’ die hij nauwelijks kan weerstaan.

De eerste is de vrees dat het hoogkerkelijke gezelschap een eenzijdige religieuze groepering wordt met een paar of, erger nog, één dominante leider. De tweede intuïtie is dat de ongelovige, de atheïst, de heiden of het seculum verhalen hebben in te brengen die een eigen, nieuwe lijn opzetten naast de boektradities van hellenisme en bijbel. Op ‘de heiden’ rust geest. Petrus’ ingreep staat ten dienste van het wekken van de interesse naar andere levensbeschouwingen en het vergroten van de onderlinge verdraagzaamheid.

Voor Petrus’ optreden is binnen de pauze ruimte ingelast. Hij zou aanvankelijk acht minuten spreektijd krijgen, het zullen er achtenvijftig worden. Na de lange zit veren ingedutte kerkelijk leiders op. Petrus is geen systematicus, hij spreekt niet van het papier, maar wat hem ter plekke en puttend uit zijn beroeps- en levenservaring ‘theologisch’ invalt. De echtheid van zijn relaas en de hybris die in de standpunten van het concilie doorschemert en die Petrus zo pastoraal aankaart, daar worden zijn luisteraars stil van. En ook hier het aloude liedje: de profeet, de apostel is geen vrouw van het woord. Nadat Petrus z’n zegje heeft gedaan, was hij met z’n verbanddoos in z’n koffer weer verder gereisd. Hij is en blijft ‘een apostel’, iemand die al rondtrekkend graag zijn handen uit de mouwen steekt.

Amen