Zondag 16 januari 2022, Christus Triumfatorkerk Den Haag

Preek naar aanleiding van 2 Kronieken 36:14-23 en Lucas 15:11-32 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op zondag 16 januari 2022 om 10.00 uur in de Christus Triumfatorkerk te Den Haag

Gemeente,

Aan menig dorp of plaats is een historische vereniging verbonden. Zo ook aan Den Haag. De geschiedkundige Vereniging Die Haghe, die in 1890 werd opgericht, stelt zich ten doel kennis over de geschiedenis van Den Haag te bevorderen. De vereniging probeert dat doel te bereiken door bijeenkomsten, tentoonstellingen en excursies te organiseren, alsook een jaarboek te publiceren. In het boek 2 Kronieken, dat we wel als het verslag van ‘de historische vereniging’ van het Oude Testament kunnen zien, gebeurt iets vergelijkbaars.

Het boek 2 Kronieken is een chronologisch geordend verslag waarin tal van belangrijke feiten worden opgesomd. We kunnen 2 Kronieken lezen als een verzameling van tabellen waarmee de kroniekschrijver een verband wil leggen tussen de tijdrekening van de geschiedenis van de hoop van Israël en de historische context. Het was voor de kroniekschrijver nodig temidden van het woeden der gehele wereld een spoor te traceren van geestelijk welzijn. Voor een astronoom is dat een ster in lichte luister die ons als een vurig verschiet tegenstraalt. Voor de Aziatische dichter die naar het uiterste zuiden is afgereisd om de zon te zien opkomen en in lotushouding te aanbidden, is het een nieuw lied dat opdaagt, terwijl de nacht nog huivert. Voor de kroniekschrijver is het een lijst waarin gegevens chronologisch zijn gerangschikt, omdat hij op die manier overzicht kan aanbrengen. Tal van gewelddadige gebeurtenissen deden zich in de leefomgeving van de kroniekschrijver voor en hij kon er kop noch staart aan vinden.

De dood van een koning, een groep Joodse mensen die in ballingschap verkeerde, de verwoesting van de tempel in Jeruzalem, de gevangenneming van een koning; het waren gebeurtenissen die in een kort tijdsbestek werden voltrokken. Dat deze gebeurtenissen door mensen in gang werden gezet, was voor de kroniekschrijver duidelijk. Hij was er dagelijks getuige van en kon ze per geval beschrijven. Maar om te begrijpen hoe deze geweldsdaden ontstonden, en welk perspectief hij zijn lezeressen en lezers in het vooruitzicht zou stellen, daarvoor diende hij brute kracht en boze handelingen van een afstand te bekijken. Hij kon er niet middenin gaan zitten, er deel van uitmaken, maar had voor een begrip van zijn tijd nodig er als het ware naast te gaan staan.

We kunnen de keuze van de kroniekschrijver om niet actief op te treden tegen de gewelddadigheid waarvan hij getuige was, uitleggen aan de hand van het taoïstische begrip wu wei. Wu wei betekent ‘de natuur z’n gang laten gaan’. Een persoon die het wu wei-principe hanteert, maakt een inschatting van waar wel en waar niet op in te gaan. Wu wei is geen weigering je te engageren wanneer iemand bijvoorbeeld in nood verkeert. Het vormt eerder een besluit om je ergens niet mee in te laten waarvan je kunt inschatten dat het onveranderlijk is. 

De kroniekschrijver geeft de gebeurtenissen niet heel sec weer, maar maakt er een samenhangend verhaal van door zijn verhaal sterk religieus-literair neer te zetten. Met behulp van dat religieus-literaire karakter, dat we kunnen zien als een zingevingstaal, schept de kronist samenhangen die in een strikt historische beschrijving onderbelicht blijven. We zouden zijn kroniek kunnen lezen als een handboek in de Joodse religiegeschiedenis. En de kronist doet in zijn kroniek een belangrijke stap ten opzichte van de klassieke oudheid: hij ziet de gebeurtenissen in zijn tijd niet in het licht van een tragiek. Hij neemt afscheid van het idee dat gebeurtenissen tragisch, onontkoombaar zijn, omdat hij niet gelooft in het lot. De gedachte dat een hoofdpersoon ten onder gaat aan haar of zijn verzet tegen ‘een hogere macht’ of waarin deze voor een dilemma wordt geplaatst, gaat voor de kronist niet op.

In het wereldbeeld van de kronist vinden gebeurtenissen niet plaats volgens een gefixeerde afwikkeling, waar je als mens geen invloed op kunt uitoefenen, en waar je in zou moeten berusten. Voor de kronist is er geen ‘loop der dingen’, ‘de gang van de geschiedenis’ of ‘het heeft zo moeten zijn’. Iedere vorm van ‘voorbeschikking’ of determinatie is hem vreemd. De kronist is een kronist, geen tragedieschrijver en dus zal ook zijn afsluitende hoofdstuk geen droevig slot kennen. Al wordt er een tempel met de grond gelijkgemaakt, hij staat erop dat er een nieuw gebouw zal worden opgetrokken. De ballingschap? Die interpreteert hij als een puritein avant la lettre als de vervulling van de profetieën van Jeremia. Een vernietigde metropool? Die is te herbouwen. De gedeporteerde koning? Om zijn terugkeer en die van de Joden uit het strafkamp te garanderen, bewerkt de kronist, als was hij lid van een historische vereniging, een citaat uit een edict. Geschiedenis, getuige het optreden van de kronist, is een creatieve bezigheid: ze staat niet vast, je kunt haar sturen en scheppen. In die overtuiging kan de kronist zaken makkelijk omdraaien: hij eindigt zijn verslag met een triomfkreet waarin hij het aantreden van een heidense koning als een groot succes beschouwt voor de wederopbouw van een cultuur, de bevrijding van klein gehouden mensen en het schetsen van een toekomstperspectief dat gekenmerkt wordt door peis en vree.

Zowel 2 Kronieken zesendertig vers veertien tot drieëntwintig als Lucas vijftien vers elf tot tweeëndertig zijn in de eerste plaats verliesverhalen. De kronist zoekt naar een omgang met de terreur van zijn tijd en de evangelist schetst een parabel waarin dood en neergang worden uitgebeeld. De Odyssee van de jongste zoon leidt niet tot het ontwikkelen van een volwassen persoonlijkheid. De jonge mens die verlangt naar een zelfstandig bestaan en iets van de wijde wereld wil zien, groeit, ondanks de avonturen die hij beleeft en waarvan we zouden verwachten dat ze zijn persoonlijkheid zouden rijpen, niet op. Hij lijdt identiteitsverlies, doordat hij zijn religieuze roots ontkent en ‘overal bij wil zijn’. In de parabel wordt dat identiteitsverlies geaccentueerd door de jongen varkens te laten hoeden; voor een jood een verschrikking.

De jongste zoon absorbeert het leven, benut elke mogelijkheid, experimenteert er op los en accepteert noch noodzaak noch beperking. De jongste zoon heet niet voor niets ‘de jongste zoon’. Hij wordt niet bij een voornaam genoemd, bezit nog geen eigen identiteit behalve één die relaties benoemt. Deze jongen is op zoek naar zichzelf, wil genieten, er het eens goed van nemen, totale bevrediging smaken.

Ver van huis hangt aan het snelle leven vaak een prijskaartje. Wanneer hij zijn erfenis opvraagt die het product is van investeren, rijpen en bewaren, begint de jongen te vroeg met de volwassenheid. De jongste zoon wil op eigen benen staan. Hij is geen vaderskindje, hangt niet aan moeders rokken. En met dat hij zichzelf te voorbarig losrukt van het ouderlijk huis, ontkent hij iedere verhouding tot mensen die hem in het leven hebben geroepen. In de religieuze visie van de auteur van het Lucasevangelie heeft een mens die zichzelf wil zijn het nodig iemand boven zich te erkennen. Voor een gelovige is God de hulp waarmee het zich kan verliezen met als doel zichzelf uiteindelijk te winnen. Meebewegen met een ‘kracht’ waartoe een mens in verhouding staat en die van invloed is op het vermogen een eigen identiteit te ontwikkelen. Niet tegen de aard van dingen ingaan die hun beloop hebben en onveranderlijk zijn, zou de Taoïst zeggen.

Het probleem dat in de tekst wordt aangekaart, is dat deze jongen zichzelf wil worden op basis van zijn eigen termen. Doordat hij geen perspectief accepteert dat hem wellicht iets te zeggen heeft en waarmee een grens aan hem wordt gesteld, ontwikkelt hij in plaats van een waarachtig zelf een fabelachtig zelf. Hij komt dan ook niet roemoverladen, gekleed in een hofgewaad met een promotie thuis, maar berooid, met niets. Hij is zowel zijn mondigheid kwijtgeraakt alsook zijn hele hebben en ouden. Zijn kleding is tot op de draad versleten, het zelf dat hij wilde worden is ontbonden. En toch wordt naar christelijk getuigenis geloofd dat uitgerekend de situatie waarin er nog weinig van een mens over is, de toestand is waarin de ander ons moet vinden. In de lege-handen-conditie gaat God niet van ons heen, maar kan geestelijke zelfwording pas echt beginnen. Want wanneer een mens zichzelf eenmaal uit handen geeft aan degene die zij of hij niet kan zien, kan er een begin worden gemaakt met herschepping, zeg met de vorming van een religieus zelf. Soms is nodig dat een mens, vooral één die iemand wil worden, zich door een ander, zeg de hemel, laat helpen, om in harmonie te raken met zichzelf en de omgeving, een evenwicht te bereiken.

Het moment waarop iemand, uitgevochten en uitgeput, de eigen vertwijfelde zelfstandigheid opgeeft, de teugels van de, modern uitgedrukt, autonomie laat varen, is er religieus gezien sprake van bekering. Het markeren van dat keerpunt hoeft niet, zoals in de gelijkenis, met het opdreunen van een geijkt, verontschuldigend zinnetje. Het enige dat nodig is, is dat een mens die zichzelf wil zijn, de zorg en het meedenken van de ander kan toelaten. De act van die instemming belooft, gezien bekeringsverhalen, een groots avontuur.   

Amen                                       

Zondag 26 december 2021, Vredekerk Soesterberg & zondag 2 januari 2022, Pauluskerk Breukelen

Preek naar aanleiding van Lucas 2:1-20 en Johannes 1:1-18 uit de Naardense Bijbel voor de viering van kerst op zondag 26 december 2021 om 10.00 uur in de Vredekerk te Soesterberg en voor de viering van Nieuwjaar op zondag 2 januari 2022 om 10.00 uur in de Pauluskerk te Breukelen

Gemeente,

Het Romeinse Rijk kende jaren van vrede, waardoor keizer Augustus door tijdgenoten wel als bovenmatig ontzagwekkend werd gezien. We kunnen ons afvragen hoe politici, waaronder keizers en presidenten, aan de macht komen en vooral wat onze inschatting is van de gevolgen die hun machtsuitoefening zal hebben. Als we van tevoren de gevolgen van de heerschappij van Caesar, Hitler of Trump hadden ingeschat, hadden we dan voorkomen dat ze aan de macht zouden komen? Hebben we kennis van geschiedenissen niet nodig om patronen te herkennen en in het heden, met het oog op de toekomst, in te grijpen, als we kunnen voorspellen dat een herhaling van bijvoorbeeld een bepaald soort macht negatieve gevolgen heeft? De auteur van het Lucasevangelie, een evangelist, vindt van wel. Hij heeft weinig op met de verering van keizer Augustus, verafgoding haast, acht hem wreed in zijn optreden, hekelt de manier waarop hij met de wet omgaat, en er was dan wel vrede in het Romeinse Rijk, maar de zorg van deze auteur was een ander soort vrede in het Romeinse Rijk en mogelijk elders.

Als correctie op keizer Augustus laat de evangelist een mens geboren worden die staat voor zijn ideaaltype van een ander soort vrede. Jezus van Nazareth wordt niet in een Romeinse context geboren, maar in een joodse context, met zorgen werd hij omringd. Geen enkele vredestichter of vrijheidsdenker is op een andere manier begonnen. De onrust en de uiteindelijke vrede die Jezus als voorbeeld van de messiaanse mens, die u en ik ook kunnen zijn, zal stichten, geschiedt niet langs politieke, laat staan militaire weg, maar via bevraging, problematisering en afzwakking van harde structuren en overtuigingen.

Lucas houdt van het kleine, van spontaniteit, ongekunsteldheid, ongedwongen gevoelsuitingen, gebeurtenissen die onvoorbedacht geschieden, van op basis van eigen intuïtie handelen, dat zonder nadere overweging tot uiting komt. U ziet dat bijvoorbeeld aan het verschil tussen het edict van keizer Augustus in Lucas 2 vers 1 en de aankondiging aan de herders, die vanuit een andere grondhouding wordt gedaan en daarmee verschillende sferen en effecten creëert. Het verschil tussen het afkondigen van een edict, het voorschrijven van rechtsregels in de vorm van een wet als onderdeel van het recht door een hoogwaardigheidsbekleder die vrees inboezemt enerzijds, en het brengen van goed nieuws dat een individu verlicht en vreugde schept aan een gemeenschap anderzijds, past in de lijn van het Nieuwe Testament om harde structuren af te zwakken.

In de context van Rome waarin keizer Augustus als een alleenheerser aan de macht was gekomen door geleidelijk diverse republikeinse magistraten te overrulen, waardoor hij macht over het Romeinse Rijk kreeg, projecteert Lucas zijn verrijzenisgeloof op het leven van Jezus door de geboorte van Jezus te zien als de manifestatie van een rijk van vrede en vrijheid op aarde. Als je jouw interpretatie van iemands leven wilt geven, waar kun je dan beter beginnen dan bij de aanvang ervan? Ook Lucas begint zijn biografie van Jezus in zijn evangelie bij de geboorte om uiteindelijk zijn interpretatie van Jezus’ leven te vertolken dat er een kind werd geboren die destijds voor mens en wereld een nieuwe tijd met andere denkbeelden, uitgangspunten en omgangsvormen voorstond dan de hiërarchisch geordende, wettische en wrede wereld van keizer Augustus. Wij lezen dus een bewust kinderachtig verhaal, een kindertijdverhaal, omdat Lucas zijn interpretatie van de identiteit van een persoon wil laten zien. Die interpretatie, waarin hij getuigt van iemands oorsprong en aard, is zijn subjectieve waarheid over Jezus.

Niet zonder reden laat Lucas Jezus in de nacht geboren worden. Hij ontleent het beeld van de nacht aan de Oudheid, waarin men dacht dat duisternis en niet-bestaan door het licht als levensprincipe werd verjaagd. Echter, terwijl deze strijd tussen licht en duisternis in de Oudheid vooral als een kosmisch treffen werd gezien, heeft deze strijd bij Lucas vooral een ethische betekenis. In dit kindheidsverhaal speelt Jezus de rol van degene die vormen van onderdrukking, vrees en knellende banden van de lokale bevolking binnen het imperium van keizer Augustus verbreekt. Stelt u zich voor, dat u lijdt onder een bepaalde regering en er zou een jongmens in de politieke arena verschijnen die deze regering ten val zou brengen en daarmee een einde zou maken aan uw lijden. O nacht dat deze mens komt! Terwijl de institutionele religie van die tijd haar vraagtekens plaatste bij de identiteit van Jezus van Nazareth, aangezien hij een vluchteling was die uitweek naar een herberg in een voor zijn ouders vreemd land, projecteerden velen hun wensgedachten op dit kind en herkenden in hem een messiaanse figuur. Bevrijder zou hij zijn van hun benauwdheid, helper van wie het niet langer op eigen kracht kon redden. In tijden van politiek kwaad was hun hoop op hem gevestigd.

Wanneer we vervolgens kijken naar de reacties van mensen op de geboorte van Jezus van Nazareth, dan valt op dat Lucas als didacticus en pedagoog drie typen beschrijft waartoe toehoorders en lezers zich konden verhouden, bijvoorbeeld door zich er al dan niet mee te identificeren. Het optreden van de herders illustreert het onmiddellijke, niet bereflecteerde geloof, waar Lucas een voorkeur voor heeft. Spontaniteit, niet lang nadenken bij hoe je reageert en wat je doet, laat staan te lang, ad rem antwoorden, daar is Lucas als pragmatisch arts van gecharmeerd. Maria delibereert over hetgeen zij ervaren en gehoord heeft, waarmee zij de reflexieve, gelovige mens uitbeeldt die vragen stelt, afwegingen maakt, analyseert, een situatie vanuit verschillende perspectieven bekijkt en evalueert. De meditatieve wijze waarop Maria met het nieuws van Jezus’ geboorte omgaat, is anders dan de wijze waarop de herders met dit nieuws omgaan. Zij aarzelen geen moment om het nieuws direct te gaan verspreiden. “Hej ’t al heurd?” De omstanders horen het geboortenieuws en reageren verrast, omdat voor hen deze gebeurtenis heel onverwachts komt. Zij spelen de rol van mensen die niet met of vanuit een specifieke verwachting leven, dat een tijd die door velen wordt ervaren als een van onheil op een dag wordt doorbroken door een persoon die een andere samenleving, een ander beleid, andere denkbeelden voorstaat. Oh, epifanie!

Kerst staat traditioneel voor de viering van de geboorte van Jezus van Nazareth. In plaats van deze geboorte te zien als een historische gebeurtenis die een enkeling betreft, zou je kerst ook kunnen zien als de viering van de nacht waarop jouw leven begint. In Johannes 1 vers 1 tot 18 vind je aanzetten voor momenten waarop dat eigen, echte leven aanvangt, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen leven en dood. In het Johannesevangelie betekent leven een motiverende, transformerende kracht die je in staat stelt te doen wat je wilt doen. Dood heeft vooral de betekenis van verwijzen naar wetgeving, verboden instellen en voorschriften bedenken om te bepalen wat mensen moeten doen. Voor Johannes begint je leven pas wanneer je buiten de chronologische tijd geraakt door creatief op te treden binnen de chronologische tijd, op momenten waarop je je bronnen van leven aanspreekt, een voortdurende bereidheid cultiveert die aarzelingen, onzekerheden, twijfels, bezwaren en tegenargumenten ondervangt, waardoor je identiteit vorm krijgt. Leven vanuit wensen en niet vanuit plichten kunnen een levendigheid in een mensenleven brengen die zij die haar ervaren de irrelevantie van de dood doen inzien. In het Johannesevangelie spreekt de evangelist van een nieuwe geboorte van hen die dit perspectief aanvaarden. Kerst kan dus ook gaan over ieders vermogen weer een beetje als een kind te worden door vanuit geest als vertrekpunt te leven. Dan is er volheid van zijn. Alsof je zelf in een kribbe, wiegje ligt en opnieuw ter wereld komt. Oh dag, waarop jijzelf geboren wordt!

Volgens Johannes kunnen de effecten van de eigen transformatie niet uitblijven. Zelftransformatie, verandering heeft invloed op de taal die iemand spreekt en de handelingen die iemand verricht en nalaat. Een persoon die zich tot een andere, nieuwe, levenwekkende, persoonlijke levensoriëntatie richt, zal woorden spreken die getuigen van welwillendheid, compassie, mildheid, ongeveinsdheid en vrijgevigheid. De stem van Jezus van Nazareth die leven vanuit de eigen wensen verkoos boven leven door van buitenaf opgelegde voorschriften die zelfbevreemdend werken, is van een andere orde dan de dicterende, bevelende stem van keizer Augustus. Moge uw denken, wijsheid, geweten, geloof en geest leidend zijn voor uw leven, zoals dat tot uiting kan komen in de ideeën waar uw uitspraken van getuigen, de inzichten die u heeft opgedaan en ontwikkeld, opdat u zich niet laat beïnvloeden door de keizer Augustussen van onze tijd. Dan komen uw hemel en hymne bij elkaar. Oh nacht, dat uzelf geboren wordt!          

Amen    

Zondag 7 november 2021, De Hoeksteen Benthuizen, zondag 14 november 2021, Protestantse Kerk Limmen, zondag 21 november 2021, De Rank Katwijk, zondag 5 december 2021 Gereformeerde Kerk Woubrugge, zondag 12 december 2021, Eben-Haëzerkerk Pernis & zondag 19 december 2021, De Morgenster Papendrecht

Preek naar aanleiding van Johannes 6:27-35 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op zondag 7 november 2021 om 10.00 uur in de Protestantse Gemeente De Hoeksteen te Benthuizen, op zondag 14 november 2021 om 10.00 uur in de Protestantse Gemeente te Limmen, op zondag 21 november 2021 om 10.00 uur in de Hervormde Gemeente De Rank te Katwijk, op zondag 5 december 2021 om 9.30 uur in de Gereformeerde Kerk te Woubrugge, op zondag 12 december 2021 om 9.30 uur in de Eben-Haëzerkerk van de Gereformeerde Kerk te Pernis en op zondag 19 december 2021 om 10.00 uur in de Gereformeerde Kerk De Morgenster te Papendrecht

Gemeente,

In het boek The singularity is near uit 2005 voorspelt de Amerikaanse artificial intelligence-expert Ray Kurzweil, dat we rond 2040 onsterfelijk zullen zijn geworden. Enige tijd later zal volgens hem de snelheid van technologische ontwikkeling de oneindigheid bereiken. Onsterfelijkheid en oneindigheid zijn twee begrippen die we ook in bijbelse teksten tegenkomen. Alle mensen zijn sterfelijk en wie bijvoorbeeld niet met dit feit kan leven, zou kunnen wensen onsterfelijk te worden en daarmee oneindig te leven. De dood en de nacht zullen niet meer zijn. Oneindigheid, in het Grieks ápeiron en in het Latijn infinitum, betekent zoveel als het grenzeloze, het onvoorstelbaar grote, dat wat zeer ver weg is of het Jenseitige. Oneindigheid als begrip tegenover het eindige, begrensde leven kun je denken als staande voor een totale potentialiteit en grenzeloze bestaansvolheid, waaruit het eindige in zijn concrete, actuele veelheid ontstaat. Door oneindigheid in een duidelijke betrekking of relatie te brengen, zou je oneindigheid tot een echt deel van jezelf kunnen maken.

In het Nieuwe Testament komen verwijzingen voor naar eeuwigheid, zoals in het Johannesevangelie, in Openbaring en in de eerste Johannes-brief. Eeuwigheid, en dat is het punt dat ik wil maken, is in deze contexten van het Nieuwe Testament geen oneindigheid. Sterker nog, het nieuwtestamentische begrip eeuwigheid lijkt een kritisch correctief te zijn op zowel het Griekse begrip oneindigheid als op het bijbels Hebreeuwse begrip olam, dat te vertalen is als onafgebrokenheid, haltloosheid, voortdurende beweging of stroming. In de omringende hellenistische wereld en in gesprek met veelal leidinggevende vertegenwoordigers van oudtestamentische denkbeelden over tijd en zijn, komt in het Johannesevangelie een nieuw begrip naar voren, dat de auteur in een eigen sfeer inbedt en met een meer subjectieve denktrant gepaard laat gaan. Eeuwigheid fungeert hier niet als een abstract begrip voor een eindeloze tijd. Eeuwigheid vormt veeleer een samenvoeging van twee ongelijksoortige zaken, namelijk het fysieke en het metafysische, zodat er een nieuwe kwaliteit ontstaat, in dit geval eeuwigheid.

De Jezus die wij in het Johannesevangelie leren kennen, is de spreekbuis van Johannes’ hoofdidee: het eeuwige leven. Met dit idee onderscheidt Johannes zich van de andere nieuwtestamentische evangelisten Mattheüs, Marcus en Lucas, aangezien zij Jezus vooral portretteren als de verkondiger van het idee dat het rijk van God spoedig zou aanvangen. De eeuwigheid waarvan in het Johannesevangelie wordt gesproken, staat voor de intensiteit van leven, die juist kan ontstaan door van een afstand naar het leven te kijken, en naar wat daarin een rol kan spelen. De aaneenschakeling van deze momenten van intens leven resulteert in een continuïteit die in het Nieuwe Testament eeuwig leven wordt genoemd.

De sleutel tot eeuwigheid, het eeuwige leven of leven in de eeuwigheid is een houding van geloof. Met geloof doel ik niet op inhouden, beweringen, uitspraken van bijvoorbeeld religieuze, metafysische aard, maar op een affirmatieve houding, waarin je via je reacties positief gedrag, gebeurtenissen en processen bevestigt. Je geeft je over aan opbouwende initiatieven en interventies die andere mensen plegen, zegt ja tegen gebeurtenissen, beweegt mee in processen en stemt in met besluitvorming. Deze houdingen van geloof, acten zijn het eigenlijk, kunnen in de tijdservaring zowel voor een vertraging als voor een versnelling zorgen. In de overgave aan het andere, dat wat jij niet hebt gewild, bedacht, gedaan en geoordeeld, speelt de tijd geen rol meer.

Geloof opgevat als een grondhouding van ja zeggen tegen wie of wat zich aandient, is een verlenging, een verrijking van levensduur in de zin van zinvolheid. Door geloof kun je op die manier deelnemen aan de eeuwigheid, aan eeuwig leven hier en nu. Eeuwigheid is in deze interpretatie geen chronologisch begrip, dat zich rekenkundig laat ordenen in een tijdsvolgorde, waardoor we kunnen rekenen met een verloop van tijd. In nieuwtestamentisch perspectief is eeuwigheid geen kwantitatief begrip, maar een kwalitatief begrip. Eeuwigheid staat voor de gelegenheid, het juiste moment om veel in, van, voor en met jezelf na te laten en verwachtingsvol, spannend haast, ruimte te creëren om te zien wat er gebeurt en jezelf daarin te laten meenemen, mee te gaan met wat er van de andere kant op je toekomt, mits het constructief is.

Doordat eeuwigheid in het Johannesevangelie een kwalitatief begrip is, een levenskwaliteit aanduidt, die wordt gekenmerkt door de ervaring van zinvolheid, kan ‘Johannes’ een onderscheid maken ten aanzien van hetgeen onderhevig is aan vergankelijkheid, aan eindigheid. Hij geeft voorbeelden van concrete zaken die ons tijdelijk voeden en die wij behoeven om in leven te blijven. Echter, ze bevredigen en verzadigen kortdurend, zijn van voorbijgaande aard en vragen om herhaling. Deze ondergrens of minimale vorm van bestaan wordt door ‘Johannes’ in bijvoorbeeld Johannes 6 vers 35 onder kritiek gesteld. Zijn grotere bezwaar is echter, dat ze ons weliswaar onderhouden, maar niet echt leven geven, niet waarlijk doen leven, zo niet doen ópleven. In het Johannesevangelie is een lage waardering te vinden voor kortstondige zaken. De geestelijke zaken, dat wil zeggen die acten van onze geest die intens en langdurig tegemoet komen aan onze existentiële, intellectuele en psychische verlangens, is wat in het Johannesevangelie hoog wordt gewaardeerd.

Uitgerekend de ervaringen van lijden, een gebrek aan motivatie en inspiratie, tegenslag en blijvend verlies, rouw en het begeleiden van stervenden in de pastorale praktijk hadden bij Johannes vragen over zingeving, spiritualiteit en ethische afwegingen opgeroepen en in hem een gerichtheid gewekt op dat wat onvergankelijk is, op dat wat niet voorbij gaat. Die gerichtheid zou zijn sporen nalaten in zijn evangelie. Het zou ook het motief worden voor de boodschap die in het Johannesevangelie te lezen is, namelijk dat de christenen voor wie Johannes schreef, zich in hun leven zouden richten op de dingen die ertoe deden, die bestendig zijn, eeuwigheidswaarde hadden.

Teruggrijpend naar het begin van de preek, als God een woord is voor de aaneenschakeling van momenten waarop wij intens, dat wil zeggen krachtig, diepgevoeld, aandachtig en met zorg leven, welhaast op zo’n manier dat nauwelijks iets ons ontgaat, dan kunnen we ervaren dat er in subjectieve, psychologische zin geen tijd meer is aan de hand waarvan we gebeurtenissen ordenen. Van dit kwaliteitsmoment dat Johannes het eeuwige in een mensenleven noemt, dacht hij, dat de pastoranten in zijn gemeente veelal op zoek waren, omdat ze pas dan voelden, dat ze volop leefden en gelukkig waren. Een oude manier waarop zij de wereld hadden leren kennen, ging dan voorbij, de wereld toonde zich opnieuw aan hen. De ervaring van het eeuwige vond veelal abrupt plaats, gebeurde plotsklaps, voor ze er erg in hadden, en zonder erop bedacht te zijn, vaak wanneer zij zichzelf vergaten en in verwondering en enthousiasme door wat zich in de buitenwereld bevond, werden meegenomen.

De zelfvergetelheid of het verlies van zelfbewustzijn als mogelijkheidsvoorwaarde voor het intreden van het eeuwige, als een ervaringsgebeurtenis in onze geest, lijkt haaks te staan op de geest van de tijd waarin wij leven. Naar aanleiding van de moderniteit met haar nadruk op autonomie en het belang van individuele subjectiviteit, zelfcreatie als kenmerk van de postmoderniteit en hedendaagse vertogen over zelfregie en eigen verantwoordelijkheid alsook de cultuur van self-branding als antwoord op nihilisme, kunnen we ons afvragen of het begrip van het eeuwige zoals we dat in het Johannesevangelie aantreffen, ons nog iets te zeggen heeft. Of wij zullen leven alsof we voor eeuwig leven, zal afhangen van de bewegingen die we op de plaats waar we ons bevinden in onze geest maken. Dan kunnen nieuwe inzichten vorm krijgen, komen we boven de tijd te staan, en worden we door elkaar verlicht.

Amen

Zondag 3 oktober 2021, Hervormde Kerk Rhenoy

Preek naar aanleiding van Genesis 37:5-10 en Handelingen 2:17-21 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op zondag 3 oktober 2021 om 10.00 uur in de Hervormde Kerk Rhenoy van de Protestantse Gemeente Rhenoy-Gellicum

Gemeente,

Genesis 37 bevat de zogeheten Jozef-cyclus, die een mythologische verhaallijn neerzet, die begint met de dromen van Jozef, vervolgens de effecten van zijn dromen op zowel hemzelf als zijn omgeving beschrijft en eindigt met het leven van Jozef in waaktoestand. De verhaallijn staat in de context van bijbelse geschiedschrijving waarin gebeurtenissen vanuit een houding van geloof als heilzaam worden gezien. In het verleden is de tekst Genesis 37:5-10 wel uitgelegd als een heldenverhaal, waarbij de auteurs en tekstgebruikers uit leeskringen binnen de Semitische onderklasse Jozef, de elfde zoon van Jakob, uiteindelijk als een invloedrijke figuur en machthebber in Egypte afficheren. Daarmee construeren zij voor zichzelf, hun lezers en toehoorders een rolmodel, een persoonlijkheid die een voorbeeldfunctie vervult, waarmee zij zich kunnen identificeren.

Kunstenaars, goeroes, actrices, verzetshelden, politici en heersers kunnen de functie van rolmodel vervullen door de creaties die ze maken, door het aanspreken van mensen op hun transcendente vermogens, door de schoonheid en acteerprestaties die ze leveren, door hun geestelijke weerbaarheid en moed om tegen verordeningen in te gaan en door kundig te besturen. De mensen uit de Semitische onderklasse ambieerden het meeste invloed uit te oefenen. Wat echter in de werkelijkheid nog niet het geval is, kan via dromen worden ervaren als iets dat werkelijkheid kan worden. De machtsdromen en de uiteindelijk leidinggevende positie van Jozef geven uitdrukking aan het verlangen van de Semitische onderklasse om mee te regeren in een ondemocratisch politiek bestel. De figuur van Jozef representeert een bestuursvorm waarbij de Semitische onderklasse zich kan uitspreken en waarmee zij een democratisch beginsel uitdraagt. U ziet dat bijvoorbeeld aan het gegeven, dat er nooit iets rechtstreeks aan Jozef wordt geopenbaard, maar de auteurs Jozef in de slaap gedachten laten hebben over wat zij heel graag willen en waarvoor zij in de werkelijkheid niet durfden uitkomen.

In de bijbelse literatuur spelen dromen bij  verschillende bijbelse en historische personen een rol, zoals bij Jakob, Daniël, Jozef en Paulus. Wat zijn dromen eigenlijk? Hoe kunnen we naar dromen kijken? Hoe moeten we ze, indien al, duiden? Zijn dromen misschien enkel herhalingen van herinneringen? Waarom dromen we? Heeft droomgedrag een doel? En wanneer we dromen of een verwijzing naar dromen in bijbelse teksten tegenkomen, wat kunnen we daar dan uit afleiden?

Dromen zijn ficties, fantastische beelden die tijdens de slaap in de neurale netwerken van ons lichaam ontstaan. Ze zijn hallucinatoir in de zin dat ze verdraaide concepten en percepties bevatten, die tendentieus of onrealistisch zijn. Dromen zijn ook narratief, in de zin dat het fabuleuze versies zijn van de gebeurtenissen die we in het echte leven kunnen tegenkomen, maar dan weergegeven als op een andere manier verbonden. In een droom kunnen we combinaties en patronen creëren, die we nog niet eerder hebben gemaakt. Dromen lijken vooral een manier om ons functioneren in het wakende leven te verbeteren. Wellicht dat we ons daarom zo aangetrokken voelen tot het irreële in ons wakkere leven. Het fenomeen van de droom is een geschikt experiment voor toekomstig gedrag, omdat je in de droom indirect en risicoloos verlangens en gedrag kunt uitproberen. Dromen zijn daarmee een manier waarop we onszelf nieuw gedrag kunnen aanleren, zonder de eventueel schadelijke gevolgen daarvan te ondervinden.

We zijn tijdens het dromen niet alleen in staat om over de toekomst te fantaseren, maar kunnen ook gebeurtenissen creëren die niet zijn gebeurd. Ten tijde van de samenstelling van het boek Genesis huldigden de auteurs de opvatting dat men aan de hand van dromen de toekomst kon kennen. Dromen zouden op de non-fictieve-werkelijkheid vooruitlopen. Vele eeuwen later, in de eerste decennia van de twintigste eeuw, werden dromen, zoals u vast weet, door de psychoanalyticus Sigmund Freud heel associatief uitgelegd, door dromen te zien als deel van onze psychoseksuele ontwikkeling. Hij betoogde, dat dromen een uitdrukking zijn van onderdrukte verlangens die het gevolg zijn van traumatische ervaringen in het vroege leven. Veel van zijn ideeën zijn in diskrediet gebracht en vandaag de dag wordt binnen de studie van dromen, de zogeheten oneirologie, vooral gekeken naar de biologische mechanismen die ten grondslag liggen aan dromen. Lange tijd is nog gedacht dat dromen het gevolg zouden zijn van externe factoren, zoals het contact tussen ledematen en fysieke voorwerpen tijdens de slaap. De visie op dromen als voorkennis van de toekomst, de Freudiaanse opvatting van dromen en de zienswijze dat dromen het resultaat zijn van de aanraking van het menselijke lichaam met een fysiek voorwerp zijn drie traditionele visies op de interpretatie van dromen.

Vandaag de dag wordt eerder naar dromen gekeken als unieke fysiologische staten, waarin activiteiten die lijken op activiteiten die wij waarnemen als we wakker zijn, worden gefingeerd, terwijl gedrag inactief is gemaakt door chemische systemen die verlamming tijdens de slaap veroorzaken. Dromen zijn oefenplaatsen voor het leren van een nieuwe, moeilijke taak, om deze vervolgens uit te voeren als we niet slapen. Een nieuwe taak leren, zoals in het geval van Jozef leidinggeven, is dan niet vergelijkbaar met het opslaan van herinneringen op een computer, maar behelst het scherpstellen en verfijnen van een enorm, gelaagd netwerk van verbindingen die gebaseerd zijn op een beperkte serie voorbeeldgegevens, een oefen dataset.

Naast het benaderen van de droom als een veilige manier om nieuwe, complexe vaardigheden aan te leren, is er nog een aspect van waaruit we naar het droomgedrag van Jozef kunnen kijken. Iemand die een nieuwe vaardigheid leert, kan het gevaar lopen zo goed te worden in het leren ervan dat zij of hij zich te goed aanpast aan het dagelijks leven en de daarin voorkomende taken. In het geval een persoon te goed is aangepast aan het dagelijks leven of aan taken, of liever, wanneer een netwerk zo verfijnd is afgesteld op de bijzonderheden van een dataset waarvoor het is getraind, dan slaagt een persoon of een netwerk er vaak niet in om nieuwe bijzonderheden van een dataset te generaliseren. Dan is er sprake van zogenoemde overadaptatie, overaccommodatie, waarbij een persoon of netwerk te zeer overeenstemt met een taak of proces, dat het aanleren van nieuw gedrag er juist door bemoeilijkt wordt. Dromen, en dat is het tweede aspect, kunnen fungeren als een manier om dagelijkse overadaptatie te voorkomen door tijdens de slaap storingen in te brengen. Deze storingen hebben niet als doel om het geleerde tijdens het wakkere leven te handhaven of te bekrachtigen, maar om de overadaptatie die met dat leren gepaard gaat tegen te gaan. Dromen zijn dan zelfgegenereerde, corrumperende impulsen. De act van het dromen heeft dus het effect van één, het verbeteren van je functioneren en van twee, het generaliseren van nieuw gedrag in je dagelijks leven.             

Beide aspecten betekenen voor ons dat gebeurtenissen die we kunnen ervaren die aan een handeling gerelateerd zijn en die er tegelijkertijd in essentie van verschillen, behulpzaam kunnen zijn voor ons functioneren. Door dromen als oefenplaatsen voor te ontwikkelen gedrag en als verstoringen van te goed aangepast gedrag te beschouwen, kunnen we verder gaan dan de traditionele droomopvattingen en het proces van leren, doen zien als een serie van afwegingen die bij elkaar horen. Als dromen inderdaad deze functionele doelen hebben, dan kunnen we de kunstmatige dromen die we ficties noemen en die we ook in bijbelse teksten tegenkomen bevredigend waarderen als een wezenlijke vorm van zelfbestuur.               

Wellicht biedt deze nieuwe visie op dromen ook een verklaring waarom we kunst, films, romans en games prettig vinden, aangezien we ons constant aanpassen aan de realiteit. De verbeeldingrijke, gecorrumpeerde irrealiteit zoals die door kunstenaars, filmmakers, auteurs en gamedesigners naar voren wordt gebracht, helpt ons te voorkomen dat onze hersenen te gefixeerd raken in het ontwikkelen van dezelfde patronen. Zij breiden ons repertoire van handelingen niet alleen uit, maar doen dat op manieren die ons assisteren bij generalisatie en daarmee bij ons vermogen om te leren en te kennen.                                                               

Als ons dagelijks leven ten gevolge van de ontwikkeling van menselijke beschaving steeds complexer wordt, aanpassing aan dat dagelijks leven steeds gemakkelijker, wij zowel meer biologische dromen hebben als ons verdiepen in culturele producten zoals kunst, dan stelt de uitvinding van ficties ons mogelijk in staat baat te hebben bij de voordelen van dromen op het moment dat we wakker zijn.          

Amen            

Zondag 26 september 2021, Oudshoornsekerk Alphen aan den Rijn

Preek naar aanleiding van Jeremia 7:1-11 en Matteüs 21:10-17 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op startzondag 26 september 2021 om 17.00 uur in de Oudshoornsekerk van de Protestantse Gemeente te Alphen aan den Rijn

Gemeente,

Op veel fotomateriaal van sociaal-cultureel leven in Europa uit de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw staan grote gezinnen afgebeeld, die zich huisvesten in relatief kleine woonruimtes. Meerdere kinderen sliepen in een ledikant of bedstee, werden gewassen in een tobbe in de keuken en één ruimte had vaak meerdere functies. De huishoudsamenstelling van Europeanen in de tweede helft van de twintigste eeuw en de eerste twee decennia van de eenentwintigste eeuw is gemiddeld kleiner dan in de twee eeuwen die eraan vooraf gingen. Uitgaande van cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek kun je tot krimp van de bevolkingsgroei en privatisering concluderen. Een kleiner aantal mensen neemt in verhouding meer ruimte in.

Had u als kind, jongere, adolescent een eigen plaats die u met niemand anders hoefde te delen? Heeft u nu ergens een oord gecreëerd, waarin u zich thuis voelt? Is er een ‘stukje grond’ waarop u zich veilig voelt en uzelf kunt zijn? Als een kind opgroeit, heeft het vaak behoefte aan een persoonlijk domein, een klein naar eigen smaak ingericht ‘koninkrijk’ waar het op kan gaan in de eigen wereld. Het construeren van hutten in hoge bomen, het inrichten van bouw- en poppenhoeken in peuterspeelzalen en kleuterscholen, en het markeren van loungeterreinen en hangplekken voor jongeren in de openbare ruimte faciliteren een ‘drang’ ruimte te benutten voor de ontwikkeling van de eigen identiteit. Het aanbrengen van scheidingen in privéruimten en het publieke domein voorziet in de mogelijkheid voor met name kinderen en jongeren zichzelf te ontdekken, de eigen denkwereld te creëren, zorgeloos te spelen, sociaal te interacteren met leeftijdsgenoten, met andere ‘hobbyisten’ een gedeelde passie te beoefenen en een persoon te worden.

Zoals een jongere in het huidige tijdsbestek oeverloos kan gamen, voetballen of te vinden is op de halfpipe van een skatebaan, op vergelijkbare wijze kon Jezus van Nazareth urenlang ‘spelen’ in de synagoge. Deze joodse religieuze ruimte was een van de weinige gebouwen die een sfeer ademde waarin hij zich kon vinden. Hoewel hij zich later ontwikkelde tot een idealist, zijn ‘systeem’ wilde doorvoeren in de politiek en een goed besef had van ‘hoe de financiële wereld in elkaar zat’, zette hij al z’n kaarten op de religie. In de wereld van de geest werden volgens hem baanbrekende beslissingen genomen. In de synagoge bestudeerde hij de Thora, voerde er geloofsgesprekken met de rabbi’s van zijn tijd, bad en mediteerde er. Hij vergat dan pardoes openings- en sluitingstijden. Bij het vallen van de avond stond een bezorgde, onrustige moeder Maria bij de ingang: waar hij nu toch bleef, ze hadden met het hele gezin op hem gewacht, waren alvast begonnen, ze had wat van de vissoep en het gevulde brood bewaard.

Maria had opgemerkt dat Jezus weinig gaf om persoonlijke ruimte thuis, meer aandacht had voor een boek dan voor koek en anders was dan andere kinderen. Hij was een dromer, iemand die met zijn gedachten altijd ‘in de dingen van zijn vader’ was. Een vader die zich bij uitstek in synagoge en tempel liet vinden. Op z’n twaalfde kreeg Jezus van die vader de ‘opdracht’ verantwoordelijkheid voor anderen te dragen.

Inmiddels oud genoeg om voor zichzelf te zorgen, was het zijn taak de religie in het publieke domein een heilige ruimte te laten zijn en uit te breiden met een ‘ziekenhoek’ voor de lammen en de blinden. Een oude traditie verbood deze mensen – wellicht vanuit een misplaatste angst voor besmetting – de tempel binnen te treden. De farizeeërs hanteerden deze traditie als een universele, tijdloze regel.

De lamme en de blinde konden niet rekenen op de reguliere ziekenhuizen zoals wij die vandaag de dag kennen of op extra voorzieningen binnen een instelling als ‘de gezondheidszorg’. De emancipatie van mensen met een functiebeperking liet nog op zich wachten. Rollators, rolstoelen, prothesen, extra leuningen, vlonders en opstaphulpstukken, een aangepaste woning, braille en inspreekapparatuur zijn typisch moderne uitvindingen. De lamme en de blinde werden dubbel gevictimiseerd: vanwege een gebrek aan vitaliteit bevonden zij zich in een economische achterstandspositie en ook in de tempel werd hen de toegang geweigerd. Die scheiding van de sociaal-religieuze gemeenschap leidde tot isolatie en intens persoonlijk lijden.

Jezus had niet lang gedelibereerd, nam religieus gezien een liberale positie in en gaat de toegankelijkheid van de tempel vergroten voor de mens die zich futloos voelt en (nog) niet in staat is om voor het eigen brood te werken. Hij biedt deze mensen een volwaardige plaats in de samenleving aan. Jezus beschikte niet over de medische expertise lammen en blinden in somatische zin te genezen en een ‘wonderdokter’ was hij evenmin. Maar met het verbreken van een oude godsdienstwet zet hij een revolutionaire stap die ervoor zorgt dat het sociale leven van ‘lamme en blinde’ weer zo wordt doorbloed, dat de afstand die zij hadden tot de arbeidsmarkt wordt verkleind. De tempel fungeerde namelijk niet alleen als een religieuze ruimte, een gebedshuis – ze was ook sociaal van aard. Tempelgangers van heinde en verre en uit alle geledingen van de samenleving en het bedrijfsleven verzamelden er zich, ontmoetten elkaar, dialogiseerden en wisselden informatie uit. De blinde ging naderhand naar huis met ideeën over werk en inkomen. Haar kwam ter ore dat men in een muziekzaak in Jeruzalem zocht naar iemand die instrumenten kon afstemmen en repareren. De lamme deed er contacten op die bereid waren hem te vervoeren en op die wijze zijn mobiliteit vergrootten.

Er zijn ‘schriftplaatsen’ waarin auteurs getuigen van de visie dat religie niet tot ethiek is terug te voeren. Godsdienstige handelingen belichamen in die gevallen een denkwijze en existentiesfeer die buiten de ethiek valt en vaak ‘overtreft’. Jeremia en Matteüs zijn een religie- en cultuurkritiek ineen, omdat religie en cultuur een denkbeeld en praktijk in leven houden die neerkomt op de discriminatie van ‘gehandicapten’ en sociale en economische ongelijkheid in stand houdt.

Profeet en evangelist waren zo verontwaardigd over die stand van zaken, dat zij hun literaire activiteit aanwendden om de geloofwaardigheid van de religie en het volgens hen misplaatste vertrouwen in religieuze riten aan de orde te stellen. Als er een plaats was waar de minderbedeelde terecht moest kunnen om er haar of zijn hart ‘tegenover God’ uit te storten, zo niet bij binnenkomst een VIP-kaartje zou krijgen, dan toch wel de tempel. En om z’n statement nog wat kracht bij te zetten, had Matteüs via een kinderkoor de populariteit van Jezus doen toenemen. Hij had ze laten zingen in de tempel: ‘Hosanna, de zoon van David.’ Ze waren het roerend met Jezus’ voorstel eens. Je kunt hun engagement vergelijken met een actie waarover ik enige tijd geleden op het internet las. Langharige meisjes in de basisschoolleeftijd waren bereid hun lokken af te knippen voor de vervaardiging van pruiken voor kankerpatiënten die door de chemo hun haar misten.

Matteüs had een ‘benefietconcert’ georganiseerd in de stadsgehoorzaal van Jeruzalem. Jonge meiden met engelachtige stemmen en ‘koorknapen’ hadden in de weken voor de uitvoering een handtekeningenactie gehouden en de petitie aan ‘de burgemeester’ aangeboden. Honderden tekeningen hingen als vlaggen in de tempel te wapperen. De zaal zat stampvol met ouders, docenten, patiënten, zwervers, politici, mensen uit LHBTI+-kringen, economen, afgevaardigden van de gezondheidszorg, medewerkers van welzijnsorganisaties, vrijwilligers, juridici, de koninklijke familie, wezen, weduwen, journalisten en verslaggevers.

En ergers in een hoekje op de tweede verdieping zat op stoelnummer tweeënvijftig Jezus van Nazareth en leunde vanaf het schouwburgerlijk baldakijn ingespannen voorover. Het was zijn compositie die vanavond ten gehore zou worden gebracht. De koordirectie lag in handen van Matteüs, die de echte concertmeester was. Geroezemoes ging door de zaal, een golf van opwinding vulde de ruimte, in een jaszak ging een smartphone af. Doodse stilte nu, hooggespannen verwachtingen, zweetdruppels parelden van voorhoofden. Het doek ging op en op het podium stonden een paar honderd kinderen in roodfluwelen kooralbes en openden hun zwarte multomappen. Aan weerszijden lagen baby’s met fopspenen vredig in maxicosi’s en kinderwagens heen en weer te wiegen, hingen in hangmatten of draagdoeken. Peuters deden een slaapje in buggy’s. Elk kind had haar of zijn zangpartij inmiddels voor zich. Matteüs keek geconcentreerd naar de partituur die voor hem lag, tikte met z’n baton op de standaard, haalde zijn wenkbrauwen op, spreidde zijn armen en begon te dirigeren.

Die avond klonk uit de mond van kinderen en zuigelingen een lofzang die de neerslag vertolkte van ‘een hemelse maatschappij’ waarin een ieder gelijke kansen had. Tijdens het applaus spoedde Jezus zich naar beneden en nam via de foyer een achterdeur richting de binnenstad, op zoek naar een overnachtingsmogelijkheid.

Amen

Zondag 16 mei 2021, Ontmoetingskerk Nieuwveen, zondag 23 mei 2021, Bethelkerk Den Helder, zondag 30 mei 2021, Het Kruispunt Prinsenbeek, zondag 13 juni 2021, Bethlehemkerk Papendrecht, zondag 20 juni 2021, De Spil Kudelstaart, zondag 27 juni 2021, Ter Coulsterkerk Heiloo, zondag 4 juli 2021, Dorpskerk Zandvoort, zondag 11 juli 2021, De Ark Schiedam, zondag 18 juli 2021, Vredekerk Soesterberg & zondag 25 juli 2021, Stationskerk Hardinxveld

Preek naar aanleiding van Galaten 5:13-26 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op zondag 16 mei 2021 om 9.30 uur in de Ontmoetingskerk van de Protestantse Gemeente te Nieuwveen, op zondag 23 mei 2021 om 10.00 uur in de Bethelkerk van de Protestantse Gemeente te Den Helder, op zondag 30 mei 2021 om 10.30 uur in Het Kruispunt te Prinsenbeek, op zondag 13 juni 2021 om 10.00 uur in de Bethlehemkerk van de Hervormde Gemeente te Papendrecht, op zondag 20 juni 2021 om 10.00 uur in De Spil van de Protestantse Gemeente te Kudelstaart, op zondag 27 juni 2021 om 10.00 uur in de Ter Coulsterkerk van de Protestantse Gemeente te Heiloo, op zondag 4 juli 2021 om 10.00 uur in de Dorpskerk van de Protestantse Gemeente te Zandvoort, op zondag 11 juli 2021 om 10.00 uur in De Ark van de Protestantse Gemeente Kethel te Schiedam, op zondag 18 juli 2021 om 10.00 uur in de Vredekerk van de Protestantse Gemeente te Soesterberg en op zondag 25 juli 2021 om 9.30 uur in de Stationskerk van de Protestantse Gemeente Hardinxveld-Giessendam

Gemeente,

Als je de brieven van Paulus leest, dan kom je daarin de thema’s van vrijheid en geloof, de geest en de ethiek, en evangelie en wet tegen. Ook in de Galatenbrief is dat het geval. De brief van Paulus aan de Galaten, die waarschijnlijk in de Turkse regio Centraal-Anatolië woonden, dicht bij het huidige Ankara, is een document uit de eerste eeuw, dat je een indruk kan geven van de ontstaansgeschiedenis en voortgang van de eerste gemeenten en van de rol die het paulinische christendom daarin speelde. Meer nog dan een historisch document van Paulus zelf, bevat de brief van Paulus aan de Galaten het verslag van zijn bekering, die constitutief is voor zijn eigen religieuze positie. Paulus wil in de Galatenbrief duidelijk maken, dat hij niet via een historische traditie tot het christendom is gekomen, maar dat hij door een ervaring tot een levenshouding is bekeerd. Paulus wil naar die ervaring terugkeren, maar het probleem is, dat hij die ervaring niet van een religieuze uitleg kan voorzien, wellicht, omdat hij die ervaring niet historisch benadert, maar veeleer relationeel en die ervaring ziet als een complex van betekenissen en haar daardoor onbeschreven laat en niet nader interpreteert. Paulus kan en wil zijn ervaring niet via de historisch-religieuze taal van zijn tijd met haar reeds bestaande religieuze en juridische begrippen articuleren en weigert daarmee elke systematisering en verdere schematisering van een voor hem authentieke, originele, individuele ervaring die hij zonder religieuze afhankelijkheden heeft opgedaan en die de drijvende kracht achter zijn nieuwe levenshouding vormt, de motivatie achter zijn apostolische missie in het leven van de gemeenschappelijke wereld. Paulus kan zijn ervaring noch framen aan de hand van Grieks-Helleense ideeën, noch aan de hand van joods-israëlitische concepten. En, om die ervaring intact te laten en er voeling mee te houden, communiceert Paulus er niet uitvoeriger over en maakt zijn oerervaring daardoor voor anderen niet begrijpelijk. Paulus’ bekering is een privékwestie. In plaats van over zijn ervaring te spreken, doet Paulus iets anders: hij bewijst en toont de geest door de authentieke wijze waarop hij zijn tijdelijke leven leeft. Ervaring, geloof, levenshouding en geest, zij zijn het die doen aan existentiecommunicatie, en de apostel Paulus is de figuur om dit te laten zien.

De Galatenbrief wordt veelal gedateerd tussen 50 en 57 na Christus en voordat Paulus zijn brief aan de Romeinen liet opstellen. Deze gemeenten in Galatië functioneerden binnen de context van de politiek en de economie van het Romeinse rijk en hadden tot dusver hun leven geleefd in het licht van de ethiek van het jodendom, met haar nadruk op het naleven van diverse wetten en regels. De brief doet verslag van een conflict tussen Paulus, de Galaten en een groep joodse christenen, maar ook van interne conflicten tussen leden uit de gemeenten van Galatië. Dit conflict wordt eerst theoretisch uiteengezet en vervolgens toegepast op het leven. Veel van de leden uit de gemeenten van Galatië kwamen uit de middenklasse die in de Griekse cultuur waren gesocialiseerd. Zij waren voornamelijk handelslieden, kunstenaars, oorlogsveteranen, en ook slaven. Enkel de gemeenteleden uit de middenklasse kenden economische welvaart en hadden toegang tot de Griekse cultuur. Een ander, groot deel van de bevolking, zoals arbeiders en handwerkslieden, leefden aan de rand van de samenleving. Dit deel van de bevolking wist uit eigen ervaring wat het kon betekenen gediscrimineerd en onderdrukt te worden, mensen uit de middenklasse lazen er met name over. Dit aspect van sociale klasse en de verschillende belangen die ermee samenhangen, spelen een rol in Paulus’ toespitsing op de kwestie van vlees en geest in Galaten 5 vers 13 tot 26. Voor nu is van belang de bekeerling Paulus te zien in zijn strijd met de religieuze opvattingen in zijn bestaan als apostel, een strijd tussen wet en geloof. Het gedrag dat kenmerkend is voor christelijk bewustzijn, is vanuit die strijd te begrijpen. Wet en geloof zijn beide modi, tussenstadia, doorgangen die naar het leven moeten leiden, een doelstelling die de toekomst beheerst. Paulus was zowel Romeins burger als farizeeër en kende de Romeinse en de joodse wereld dus van binnenuit. Paulus wist heel goed wat het betekende om onderworpen te zijn aan zowel de Romeinse wet als aan de joodse wetten, die vooral ritueel, ceremonieel en moreel van aard zijn. Vanwege het evangelie dat hij verkondigde, was hij door vertegenwoordigers van beide werelden lijfelijk bestraft: door de Romeinen via geseling, door de joden met 39 slagen. Je zou kunnen verdedigen dat het ondergaan van deze martelingen een teken is van geest. Wellicht hebben deze lijfstraffen Paulus ook gemotiveerd tot het cultiveren van een houding van je eigen lijden dragen en het opstaan uit je doden versterkt. Tegelijkertijd tonen die lijfstraffen de onverdraagzaamheid van regimes die zich bedreigd voelden door Paulus als andersdenkende, één die een evangelie proclameert van Jezus van Nazareth, een anarchist die mensen probeert in te nemen voor een nieuw leven dat in het teken staat van vrijheid en daarvoor uiteindelijk onschuldig werd gekruisigd. De levensleer van Jezus van Nazareth, met z’n specifieke, onderscheidende manier van spreken, denken, oordelen en handelen heeft het leven van Paulus 180 graden gedraaid. De parallel en de mogelijke identificatie van het lichaam van Paulus met het lichaam van Jezus is niet onbelangrijk: Paulus’ lichaam was een vervolgd, gemarteld en bekritiseerd, een mishandeld lichaam, waaruit wellicht daardoor des te sterker de radicale roep klinkt om de wet of liever het recht van de voorkeursloze naastenliefde, al gelovend en praktiserend, in vrijheid te leven. En werd Jezus uiteindelijk gekruisigd, Paulus zal worden onthoofd.

De Galaten leden aan de ene kant onder het juk van de joodse wetten, aan de andere kant onder de last van het Romeinse gezag met zijn slavenhandel, militaire praktijken en arbitrair rechtssysteem. Stelt u zich voor, dat er voortdurend legertroepen door de wijk waar u woont, trekken en u op instigatie van de overheid verplicht wordt om in de behoeften van het leger te voorzien, u in financieel opzicht met het provinciebestuur moet meewerken om de economische last van de soldij te dragen, dat op de lokale markten waar u uw boodschappen doet, verkoop van slaven plaatsvindt, mensen vanwege hun levensbeschouwelijke overtuigingen vervolgd konden worden, zonder dat dit als een strafbaar feit werd gezien en mensen door de meest invloedrijke politieke bestuurders werden vermoord zonder daarvan een spoor achter te laten.

Het eerste probleem waar Paulus met zowel de Romeinse wet als de joodse wetten op stuitte, is dat zij uitsluiting, discriminatie en sociale verschillen in de hand werkte. In Paulus’ visie was de verstedelijkte samenleving waarin hij leefde, gebaseerd op intolerantie, wederkerigheid, macht, geld en standen. Mensen die dit niet bezaten, waren geen, zoals wij modern zouden zeggen, “kwetsbare individuen”, maar maakten überhaupt geen deel uit van de samenleving. En dus is een evangelie dat pretendeert universeel te zijn, te allen tijde bestemd voor een ieder, ongeacht maatschappelijke status, een ongewenste nivellering van maatschappelijke verhoudingen voor de een, en een bevrijdende, humanistische boodschap voor de ander.

Het tweede probleem dat Paulus met de genoemde wetten had, is dat deze via voorschriften opnieuw tot plichten met verantwoordelijkheden leidde, waarmee hij en de  Galaten opnieuw hun vrijheid verloren. Op basis van Paulus’ ervaring die zijn leven op z’n kop had gezet, stond hij vrij tegenover de tradities die achter die wetten schuilden. Wat hem door de geest werd ingegeven, was een nieuwe standaard voor zijn eigen levenswijze geworden en beveelt hij ook de  Galaten aan.

De brief aan de Galaten is te kwalificeren als een apologetische, retorische brief, die veel emotioneel beladen taal bevat met als doel de lezers te overtuigen van Paulus’ opvatting van het evangelische christendom en van wat aantrekkelijke redenen zijn om je met dat gedachtegoed en die inherente levensstijl in te laten. Paulus is hier als auteur via zijn scribent, die de brief voor hem opschreef, doelbewust uit op polarisatie om een structurele verandering in die hiërarchische samenleving op gang te brengen. Een van de uitdagingen waar Paulus voor staat is die gewenste, op gang te brengen polarisatie niet te lang te laten duren, aangezien kortdurende polarisatie weliswaar productief is om maatschappelijke veranderingen teweeg te brengen en verschillende, conflicterende belangen te verhelderen, maar langdurige polarisatie zou die Romeins-joodse samenleving nog veel verdeelder, meer gesegregeerd maken dan ze al was. Doorgaans is het relatief makkelijk om groepen te vormen op basis van definities of sociologische kenmerken waarmee mensen zich onderscheiden van anderen, hun identiteit laten gelden op basis van die al dan niet verworven kenmerken en ze in veel gevallen te laten manifesteren als dat in hun voordeel is. Als u bijvoorbeeld denkt aan de wijk waarin u woont, de scholen waarop u hebt gezeten en uw kinderen en kleinkinderen zitten, de omgevingen waar u werkzaam bent geweest, de sociale media waar u gebruik van maakt en uw eventuele lidmaatschappen van allerlei organisaties, herkent u dan hoe deze instanties, instituten en media u definiëren door u te profileren als openbaar versus religieus, nationaal versus multi-etnisch-cultureel, kosmopolitisch versus lokaal, rijk versus arm, theoretisch versus praktisch opgeleid, links versus rechts of Randstedelijk versus niet-Randstedelijk? Paulus nu was gericht op het stichten van een nieuwe geloofsgemeenschap waarin dit type sociale tegenpolen idealiter geen enkele rol meer spelen. Hij treedt op als katalysator en maatschappelijk hervormer door de invloed van die polen te ontbinden.

Paulus echter doet nog iets meer door een speciaal voorstel te formuleren ten aanzien van de Galaten. Paulus heeft een goede relatie met de gemeenteleden van de Galaten ontwikkeld, maar op het moment van schrijven dreigt deze relatie door concurrerende evangeliën die rondgaan, verstoord te raken. De gemeenteleden uit Galatië waren inwendig verdeeld geraakt: welke prediker of evangelist moest men geloven nu zij tegenstrijdige evangeliën verkondigden? In de brief neemt Paulus stelling tegen zijn concurrerende medepredikers.

Paulus gaat zijn best doen om de goede relatie met de Galaten te behouden door een uitgewerkt antwoord te bieden op een vraag die voor hen beide essentieel is, namelijk: hoe behoudt je je vrijheid buiten een wet die je gedrag stuurt door middel van voorschriften zonder die wet te schenden? Volgens Paulus is het mogelijk om je zonder de wet goed te gedragen als je je laat leiden door de geest, waardoor je uit liefde handelt, omdat, één, wie zich laat leiden door de geest niet langer onder de wet staat, en twee, de wet niet gericht is tegen de effecten van de geest, zoals de liefde. Leven in de geest van de liefde leidt inherent tot elkaar aanmoedigen, steunen, opbouwen, helpen en ontwikkelen. Een dergelijke geestesgezindheid maakt dat je geen externe wetten nodig hebt om je billijk en beminnelijk te gedragen, aangezien je een nieuw mens bent, niet langer levend naar de wil van het vlees. De liefde verklaart die wet als overbodig. Op basis van zijn eigen, aan het begin van de preek genoemde ervaring, is Paulus ervan overtuigd, dat enkel het aanvaarden van een andere leiding voor het eigen gedrag dan wetten, kan resulteren in een nieuw leven en de effecten van de geest zal voortbrengen.

Om mogelijke misverstanden over de betekenis van de term “vlees” te voorkomen, als Paulus in Galaten 5 vers 13 tot 26 het Griekse woord sarx, vlees, gebruikt, dan bedoelt hij daar iets anders mee dan er in de biologie mee wordt bedoeld. In de context van de Galatenbrief is vlees een psychische categorie, die staat voor negatieve neigingen, ongunstige tendensen die veroorzaakt worden door de wil van een mens en leiden tot destructief gedrag. Paulus presenteert vlees gewild dualistisch als tegengesteld aan geest. Vlees en geest zijn geen ethische categorieën en gaan hier dientengevolge niet over ondeugden en deugden: het zijn waarneembare gedragingen van twee aan elkaar tegengestelde manieren waarop je je leven kunt leiden. Paulus ziet de negatieve daden uit vers 19 tot en met 21 als bewust gekozen handelingen van het vlees, of, moderner uitgedrukt, als beoogde gedragingen van wilsbekwame mensen, en de positieve handelingen uit vers 22 en 23 als aantoonbare gevolgen van een leven in de geest. Paulus stelling is, dat, als je voor je gedrag niet je psyche, maar je geest volgt, deze de invloed van het vlees zal overtreffen. Voor Paulus vormt die stelling een indirecte aansporing, een advies aan de gemeenteleden uit Galatië, die niet alleen onder de druk en dwang van de wet leden, maar ook het risico liepen hun vrijheid te verliezen door te handelen conform het vlees ten gevolge van de conflictueuze situaties waarin zij zich bevinden. Paulus treedt in die situaties op als conflictmanager die de Galaten zowel verlost van de wet, als hen verlost van de boze. Het paulinische christendom uit de Galatenbrief houdt de christenen van zijn tijd voor boven de wet te staan in de zin van er niet aan gebonden te zijn en boven de negatieve emoties en gedrag van de psyche te staan door je er niet aan te onderwerpen. Dat zijn bekwaamheden ten gevolge van de geest, waardoor een nieuw leven mogelijk wordt en je kunt leven in vrijheid. Het zijn ook noodzakelijke voorwaarden voor geestelijke ontwikkeling.

Amen 

Zaterdag 3 april 2021, Protestantse Gemeente Voorhout, zondag 4 april 2021, Protestantse Gemeente Breukelen, zondag 11 april 2021, Gereformeerde Kerk Woubrugge, zondag 25 april 2021, Gereformeerde Kerk Nieuwkoop & zondag 2 mei 2021, Amstelkerk Ouderkerk aan de Amstel

Preek naar aanleiding van Johannes 20:1-13 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op Stille Zaterdag 3 april 2021 om 21.30 uur in de Kleine Kerk van de Protestantse Gemeente te Voorhout, voor de viering van Pasen op zondag 4 april 2021 om 10.00 uur in de Pauluskerk van de Protestantse Gemeente te Breukelen, voor de kerkdienst op zondag 11 april 2021 om 9.30 uur in de Gereformeerde Kerk te Woubrugge, voor de kerkdienst op zondag 25 april 2021 om 10.00 uur in de Gereformeerde Kerk te Nieuwkoop en voor de kerkdienst op zondag 2 mei 2021 om 10.00 uur in de Amstelkerk te Ouderkerk aan de Amstel

Gemeente,

‘Johannes’ was een vertegenwoordiger van het Palestijnse jodendom van de eerste eeuw. Het Johannesevangelie is geschreven met het oog op een lezerspubliek met pastorale problemen waarvan de auteur vond dat een levengevend geloof daar een oplossing voor bood. Ook Johannes 20 vers 1 tot 13 is geschreven met het oogmerk een grondhouding van geloof bij de lezer te wekken, en daarvoor trekt de auteur op naam van Johannes zogezegd alles uit de kast of liever uit het graf. Het Johanneïsche verhaal van Jezus’ optreden reflecteert grotendeels het leven en de pastorale behoeften van de Johanneïsche gemeente. Het grootste pastorale probleem waar ‘Johannes’ mee werd geconfronteerd was het besef van de eindigheid. De eindigheid was voor de pastoranten in zijn praktijk geen opbouwende gedachte, de realisatie dat men eindig was, ooit zelf zou sterven, motiveerde niet tot zelfbepaling, levenskeuzes, het opmaken van de balans van hoe het er met zichzelf voorstond, of men werkelijk ernst maakte met de zaken waarover men ernstig diende te zijn en al het andere relativeerde, maar hing, integendeel, als het zwaard van Damocles boven het leven van iedere pastorant.

De gedachte aan de eindigheid vormde geen krachtig hulpmiddel tot schifting van wat men belangrijk achtte en wat niet, hoe men wilde leven en wat men nog wilde bereiken of doen, het zorgde niet voor een gezonde spanning, maar effectueerde benauwenis, geborneerdheid en verlamming. De Johannesevangelist brengt het goede nieuws om mensen te bevrijden van de invloed van de wetenschap dat je sterfelijk bent en die hen weliswaar had kunnen bepalen bij wat voor hen het ware leven uitmaakt, maar dat het leven van Johannes’ pastoranten juist bedreigde, teniet deed. De gedachte aan de eigen sterfelijkheid deed hen niet meer, maar juist minder leven. Aan die afname gaat Johannes het hoofd bieden door een nieuwe werkelijkheid te presenteren die zich voor een mens kan openbaren in feitelijke stilte en de ervaring van leegheid.

Eigenlijk zou u er als hedendaags lezer goed aan doen het hele Johannesevangelie in één keer te lezen, eventueel biddend, en na te gaan wat het in uw eigen geest oproept, welke vragen u aan de tekst stelt, welke bijzonderheden zich bij u voordoen tijdens het leesproces, op welke problemen u eventueel stuit, welke leeservaringen u opdoet en welke reactie u uiteindelijk op de tekst geeft.

Het thema van Jezus’ verkondiging in het evangelie volgens Johannes is het eeuwige leven. Voor deze verkondiging bedient Jezus zich bij Johannes van lange meditatieve beschouwingen en van uitvoerige discussies. In dit evangelie staan veel controverses en afscheidsredes. Jezus spreekt zoals de samenstellers van het Johannesevangelie schrijven: symbolisch en beschouwelijk. Nu echter is het stil gevallen.

Door de kerkvaders is het Johannesevangelie wel gekwalificeerd als een geestelijk, interpreterend en theologisch evangelie. Historische feiten spelen er geen hoofdrol in, theologische geschiedenis des te meer. De centrale vraag die in het Johannesevangelie en in het bijzonder in Johannes 20 vers 1 tot 13 aan de orde is, is: hoe komt een mens tot diep geestelijk zelfinzicht of liever, tot zelfopenbaring?

Johannes beantwoordt die vraag op twee manieren: enerzijds door levend te worden voor anderen door voor jezelf te sterven, verbeeld in de betekenis van het laatste avondmaal, jezelf als het brood te breken, om op die manier betekenisvol te worden voor een ander, en anderzijds door de mens zich open te laten stellen voor onverwachte wendingen. Wanneer je in het Johannesevangelie namelijk het woord ‘wereld’ tegenkomt, dan duidt ‘wereld’ op de geslotenheid van de mens voor onvoorziene veranderingen, waardoor de werkelijkheid niet onvermoed open kan gaan. Aan de hand van de reactie van Maria zal ik straks toelichten hoe die geslotenheid eruit kan zien. Johannes beoogt dus de pastoranten voor wie hij schrijft ervan te overtuigen, dat, indien zij de zin van hun eigen leven niet zien, zij hun leven ten dienste zouden kunnen stellen van een ander en zich ontsluiten, toegankelijk te zijn voor kenteringen die zij van tevoren niet konden kennen. Zijn aanbevelingen kunnen erin resulteren, dat zijn pastoranten het perspectief van een gelovig bestaan combineren met hun alledaagse leven. Het Johannesevangelie laat zich dan ook wel lezen als een therapeutisch boek, een handboek voor geestelijke verzorging.

Wat we waarnemen, wel of niet zien en de wijze waarop we iemand of iets zien, is voor iedereen anders. Het wordt bepaald door het waargenomene zelf, eerdere ervaringen met het waargenomene en iemands persoonlijkheid. Je kunt het merken aan de opmerkingen die iemand anders maakt, nadat je je in dezelfde omgeving hebt bevonden, aan de verbanden die iemand legt, nadat je naar hetzelfde verschijnsel hebt gekeken of aan de bijzonderheden die iemand te berde brengt, nadat je hebt deelgenomen aan dezelfde gebeurtenis. Idem dito met de leerlingen en Maria. Na het zien van het lege graf en de lijkwindsels keren de leerlingen huiswaarts. Zij hebben het lege graf geïnterpreteerd als een gebeuren, opgevat als een indicatie voor een verrijzenis. De verrijzenis is een toestand, een verhouding tussen je lichaam, je bewustzijn en het eigen leven, dat voor een ieder op elk moment is weggelegd. Maria echter, de apostel der apostelen, percipieert het lege graf vanuit haar stemming van verdriet. Ze kwam uit het vissersdorp Magdala, was rijk, had Jezus onderhouden, die haar, op zijn beurt van veel negatieve invloeden had afgeholpen, had een sterke intuïtie en arriveerde ten gevolge daarvan vaak als eerste bij een onheilsplek, gedenk- of geluksplaats.

Maria, ze stond bij het kruis en staat nu bij het graf, dat vrijwel leeg is. Verblind door haar verdriet en gezien de donkerte, het gebrek aan licht, zal ze nauwelijks iets hebben gezien als ze in het graf kijkt. Maria wordt overmand door emotie, is meer gericht op haar innerlijke beleving, waardoor ze niet goed kan begrijpen wat hier aan de hand is. In haar verbeelding wordt ze twee engelen, fabelachtige, denkbeeldige mensfiguren met vleugels gewaar, en ze merkt dat zich geen lichaam in het graf bevindt, maar schrikt daar niet van en raakt daar niet door ontregeld. De lijkwindsels, de doeken liggen er nog, alsof Jezus daaruit is gestapt, deze van zich af liet glijden. Die wetenschap had Maria kunnen troosten, want wist zij als meest geliefde discipel niet hoezeer Jezus gedurende zijn leven in allerlei kwesties verwikkeld was geraakt, niet op z’n minst door zijn systeemkritiek, door een volkstribunaal ter dood werd veroordeeld en nu niet langer werd blootgesteld aan intriges, kwade trouw, redetwisten, de commercie van de religie, aanhankelijkheid en uitputting? Het deed haar pijn dat Jezus er niet langer was, omdat ze aan hem gehecht was. Hij had haar gesteund tijdens een periode dat haar geestelijke gezondheid labiel was. Via zijn interventies in hun gesprekken had hij haar beperkte bewegingsruimte verruimd; ze had zich beschermd en veilig geweten. Nu Jezus schitterde door afwezigheid, enkel voor haar geestesoog kon verrijzen door zijn markante absentie, voelde ze zich leeg en was het alsof een deel van haar met hem was meegegaan. Als het aan haar lag, had ze de weggerolde steen voor het graf, een soort grot of spelonk, teruggerold, en had ze zich daar met ‘haar heer’ verstopt om nimmermeer afscheid van hem te hoeven nemen of afstand van hem te hoeven doen.

Maria vult de openheid en leegte van het graf niet nader in, omdat beide onlosmakelijk verbonden zijn met de geschiedenis die ze met de gestorvene had opgebouwd. De leerlingen lopen richting huis na het lege graf te hebben aanschouwd. Maria, als was het graf een kamer die met aandacht is ingericht, ziet de attributen rondom de leegte, de lijkwindsels, de zweetdoek, apart, ineengerold op één plek, en gaat na wat de leegte met de ruimte van het geopende graf, de attributen en haar doet. Door de ruimte op zich te laten inwerken, zich te realiseren wie er niet is, ziet ze uiteindelijk beter wat er wél is en herinnert zich de persoonlijkheid van de overledene, die met zijn afwezigheid in deze gedenkplaats uitdrukking geeft aan wie hij was. Jezus van Nazareth liet zich noch inkapselen, noch inmetselen: noch door kaders, noch door definities, noch door identiteiten, noch door polemiek, noch door schriftgeleerdheid of aanhaligheid.

Maria, een welgestelde vrouw, die soms verstrikt kon raken in haar vermogen en uit eigen ervaring wist, hoe ingewikkeld het leven kan zijn, maar nu heeft gezien, gaat geloven in wat het lege graf haar te zeggen heeft: dat een mens kan opstaan uit haar of zijn doden, deze opstanding kan leiden tot een lichaamstransformatie en je daarvan in trance kunt raken, kortom, een nieuw mens kunt worden. Over de opstanding, metamorfosen die telkens weer kunnen plaatsvinden wanneer mensen besluiten om de plaatsen die hen geen bewegingsvrijheid verlenen te verlaten, zowel in geografische en fysieke zin als in ons zelf, zingt ook Andra Day met haar Rise Up. U kunt deze opname via internet bekijken.

Het kan moeilijk, zelfs pijnlijk zijn de eigen gehechtheden los te laten, maar als je daarover niet blijft weeklagen en in beweging komt, dan kun je tot de ontdekking komen dat de werkelijkheid zich opeens kan tonen op een manier die je nog niet eerder hebt gehoord en gezien.  

Amen 

Donderdag 1 april 2021, Protestantse Gemeente Hekelingen-Maaswijk

Preek naar aanleiding van Spreuken 9:1-18 en Matteüs 26:17-31 uit dNaardense Bijbel voor de kerkdienst op Witte Donderdag 1 april 2021 om 19.30 uur in de Protestantse Gemeente Hekelingen-Maaswijk

Gemeente,

In 1987 verschijnt op basis van een verhaal van de Deense auteur Karen Blixen de film Babette’s Feast. De titel heeft een dubbele betekenis aangezien ‘feast’ zowel ‘feest’ of ‘partij’ kan betekenen als ‘banket’ of ‘gelag’. In de film zie je hoe in de tweede helft van de negentiende eeuw in Jutland een vergrijsde lutherse gemeenschap de honderdste verjaardag van de predikant wil vieren. De film speelt vaak met het idee de werkelijkheid en de mogelijke werelden waarin een mens kan leven als een feest te zien. De film zinspeelt op ‘kansen’ die de individuen in die religieuze gemeenschap hadden kunnen benutten; het zijn inmiddels ongerealiseerde mogelijkheden waardoor die Jutlandse gemeente kleurloos en onbeweeglijk is geworden. Zo zijn er de twee vrouwen op leeftijd, predikantsdochters die samenwonen in een dorp en die beiden furore hadden kunnen maken in de showbizz en in het leger.

Babette, een voormalige, Franse kokkin, gaat jeu in de levenloze en verdeelde gemeenschap brengen. Het ligt voor de hand haar personage als een messiaanse figuur te lezen. Babette heeft haar echtgenoot, zoon en werk verloren en is uit Frankrijk op de vlucht voor de burgeroorlog tijdens de Parijse Commune van 1871. Uitgeput komt zij bij de woning van de predikantsdochters aan. In het huis van deze ‘heiligen’ zal Babette vanuit de keuken – haar kookeiland, paleis en heelal – de ziel en zinnen van de gemeenschap nieuw leven inblazen. Via het banket dat ze aanricht en waaraan ze het laatste geld dat ze heeft spendeert, geeft ze zichzelf ten offer aan de gemeente, in de hoop dat aan die gemeenschap opnieuw ziel en doorgang wordt verleent. Die gemeenschap heeft vanuit haar spiritualiteit een argwaan ontwikkeld ten aanzien van de zintuiglijkheid. De zinnen, het sensuele zouden een mens misleiden, afleiden van al wat redelijk, waar, goed en goddelijk mag heten. Geen wonder dat vanuit die overtuiging het chagrijn en de smakeloosheid de overhand op deze mensen kreeg. Kwartels, een schildpad, wijn, kaas, fijn linnen en kristallen glazen komen aan die maaltijd – een soort laatste avondmaal – te pas.

Een van de disgenoten die inmiddels is aangeschoven, blijkt een generaal die vol lof is over het diner en volop aan het genieten is. De smaaksensaties die de gerechten effectueren en het enthousiasme van de generaal blijken onweerstaanbaar, de een na de ander geeft zich over, de gemeente is om, opgestaan uit haar doden. Dit was de maaltijd van hun leven.

De crux in de film lijkt te zijn dat Babette met haar daad uiteindelijk geen offer brengt. Een kijker die er deze visie op nahoudt, verraadt hoezeer zij of hij religieus is voorgeprogrammeerd. De maaltijd die Babette aanricht en het geld dat ze daaraan uitgeeft, is geen vorm van zelfverloochening, maar van zelfliefde. Babette is een kunstenaar die op deze wijze in haar element is en in haar scheppend wezen nooit arm is.

Het verband tussen Babette en de tekst uit Spreuken is dat wijsheid wordt voorgesteld als het schenken van inzicht dat vrijmaakt van de dood en dat naar het leven voert. In de teksten van het Oude Testament krijgt ‘wijsheid’ veelal de invulling van een verlangen naar wetenschap, kennis die op verschillende manieren een verhouding met ‘geloof’ aangaat. Die verhouding is een centraal thema in de theologie. Theologie is vanaf de elfde eeuw gedefinieerd als ‘geloof dat zoekt naar begrip’. Theologie fungeert dan als bruggenbouwer tussen kennis, die het product is van de rede en een ‘innerlijk weten’, dat gebaseerd is op geloof. Een theoloog of predikant probeert de kunst te beheersen nieuwe vragen te stellen en een ruimte te faciliteren waarin nieuwe antwoorden op wetenschappelijke vragen en geloofsvragen te formuleren zijn. Op die manier schept een theoloog mogelijkheden en zoekt een predikant naar openingen voor vitale vormen van gemeente-zijn.   

Het boek Spreuken is een album, waarin een reeks vergelijkingen, beschouwingen, kernachtige gezegdes en rijmparen onder de noemer ‘Spreuken’ bij elkaar zijn gezet. Die verzameling van heel verschillende spreuken heeft tot gevolg dat er veel contradicties in Spreuken te vinden zijn – en dat is geheel naar de smaak van de ouden, want die waren van mening dat in het teken van tegenspraak ‘waarheid’ tot uiting kwam. We doen er dan ook goed aan die spreuken dialectisch te lezen, dat wil zeggen, door hun tegenstellingen heen, om uiteindelijk uit te komen bij ‘wijsheid’.

In het boek Spreuken wordt de joden na een periode van ballingschap een maaltijd voorgeschoteld. De spreuken draaien om het zoeken naar een levensweg, en dat is typisch voor ‘bijbelse wijsheid’: het schetst een weg naar het leven. Met dat openbarende karakter van de wijsheid in Spreuken onderscheidt ze zich van de wijsheid zoals die in de vorm van een godin voorkomt in vruchtbaarheidsreligies. Spreuken ontmythologiseert dat type wijsheid en wie aan haar roep gehoor geeft, kan deelhebben aan een messiaans banket.

Als je leest hoe in Spreuken over wijsheid wordt gesproken, dan valt op dat ze vaak spreekt in vergelijkingen en beeldspraak. Een spreuk voldoet aan formele criteria, is poëtisch qua vorm en heeft als doel dat je haar kunt memoriseren. Op momenten dat een mens niet weet hoe in een bepaalde situatie te handelen, kan een spreuk of tegeltjeswijsheid praktisch inzicht bieden. De bijbelse wijsheid van Spreuken is geen wetenschappelijke kennis, ze wordt niet verworven door onderzoek, testresultaten en geldige redeneringen. Ze heeft meer weg van onderscheidingsvermogen, intuïtie, prudentie en begrip. Een soort ‘inzicht’ van binnenuit, waardoor je op een bepaald moment weet wat te doen en ernaar handelt. De wijsheid van Spreuken is contextafhankelijk en stoelt op hele specifieke situaties. Ze is geboren in ‘het leven van alledag’.

In dat leven van alledag speelden vrouwen een belangrijke rol. Die joodse vrouwen waren bedrijvig op plaatsen waar mensen zich verzamelden, zoals de stadspoort en de markt, en waren sociaal door mensen bij hen thuis uit te nodigen. Ze gaven leiding aan grote gezelschappen, dreven handel, produceerden voedsel en kleding, onderwezen in de Thora, droegen zorg voor minderbedeelden en organiseerden solidariteitsprojecten. Hun optreden kwam terecht in de literatuur van de periode na de ballingschap. 

De invulling van wijsheid in Spreuken wordt gemodelleerd naar het beeld van die zelfstandige, actieve, onafhankelijke vrouwen. Wie weinig onderwijs had genoten of door een gebrek aan ervaring nauwelijks verstand van zaken had, ging graag bij ‘vrouwe wijsheid’ in de leer. Wilde je ‘wijs’ worden, dan liet je je door haar beleren, corrigeren, nam je de raad van anderen ter harte en wilde graag nieuwe dingen leren. Het volgen van een weg van wijsheid kon ook een oproep tot omkeer betekenen. Dan beëindigde je een levenspraxis en gaf je gevolg aan alternatieven.

Het openbarende karakter van Spreuken is gelegen in hun gidsende functie. De fakkel in Matteüs heeft eveneens een openbaringskarakter. De fakkel staat symbool voor de mens die haar of zijn leven zo leidt, dat zij of hij licht aan anderen geeft. Maar hoe anders, wellicht tegen de verwachting in, spreekt Matteüs over de fakkel. In Spreuken is de bron van haar ontstaan gangbaar en collectief, maar in Matteüsis die uniek en individueel. De olie staat voor geloof en voor dat geloof kan een mens als individu niet leunen op de olie van een ander. Matteüs is hier echt onverbiddelijk. Geen druppel kun je ervan lenen. Een mens kan haar of zijn eigen leven niet leiden als zij of hij daarvoor een beroep zou doen op andermans geloof. Ik dien zorg te dragen voor mijn persoonlijk geloof, de eigen levenstaak te volbrengen en die vraagt om toewijding. Aandachtig, met bezieling en inzet maak ik op die wijze ernst met de godsrelatie. Voor het voeden van geloof dien ik alert te zijn, ogen en oren open te houden voor mogelijkheden die zich voordoen, en die niet voorbij te laten gaan, als was ik een predikant in Jutland die het gaat maken in de showbizz. 

 Amen

Zondag 28 februari 2021, Gereformeerde Kerk Nieuwkoop

Preek naar aanleiding van Genesis 37:5-10 en Handelingen 2:17-21 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst van de Gereformeerde Kerk Nieuwkoop op zondag 28 februari 2021 om 10.00 uur in de Remonstrantse Kerk te Nieuwkoop

Gemeente,

Genesis 37 bevat de zogeheten Jozef-cyclus, die een mythologische verhaallijn neerzet, die begint met de dromen van Jozef, vervolgens de effecten van zijn dromen op zowel hemzelf als zijn omgeving beschrijft en eindigt met het leven van Jozef in waaktoestand. De verhaallijn staat in de context van bijbelse geschiedschrijving waarin gebeurtenissen vanuit een houding van geloof als heilzaam worden gezien. In het verleden is de tekst Genesis 37:5-10 wel uitgelegd als een heldenverhaal, waarbij de auteurs en tekstgebruikers uit leeskringen binnen de Semitische onderklasse Jozef, de elfde zoon van Jakob, uiteindelijk als een invloedrijke figuur en machthebber in Egypte afficheren. Daarmee construeren zij voor zichzelf, hun lezers en toehoorders een rolmodel, een persoonlijkheid die een voorbeeldfunctie vervult, waarmee zij zich kunnen identificeren.

Kunstenaars, goeroes, actrices, verzetshelden, politici en heersers kunnen de functie van rolmodel vervullen door de creaties die ze maken, door het aanspreken van mensen op hun transcendente vermogens, door de schoonheid en acteerprestaties die ze leveren, door hun geestelijke weerbaarheid en moed om tegen verordeningen in te gaan en door kundig te besturen. De mensen uit de Semitische onderklasse ambieerden het meeste invloed uit te oefenen. Wat echter in de werkelijkheid nog niet het geval is, kan via dromen worden ervaren als iets dat werkelijkheid kan worden. De machtsdromen en de uiteindelijk leidinggevende positie van Jozef geven uitdrukking aan het verlangen van de Semitische onderklasse om mee te regeren in een ondemocratisch politiek bestel. De figuur van Jozef representeert een bestuursvorm waarbij de Semitische onderklasse zich kan uitspreken en waarmee zij een democratisch beginsel uitdraagt. U ziet dat bijvoorbeeld aan het gegeven, dat er nooit iets rechtstreeks aan Jozef wordt geopenbaard, maar de auteurs Jozef in de slaap gedachten laten hebben over wat zij heel graag willen en waarvoor zij in de werkelijkheid niet durfden uitkomen.

In de bijbelse literatuur spelen dromen bij  verschillende bijbelse en historische personen een rol, zoals bij Jakob, Daniël, Jozef en Paulus. Wat zijn dromen eigenlijk? Hoe kunnen we naar dromen kijken? Hoe moeten we ze, indien al, duiden? Zijn dromen misschien enkel herhalingen van herinneringen? Waarom dromen we? Heeft droomgedrag een doel? En wanneer we dromen of een verwijzing naar dromen in bijbelse teksten tegenkomen, wat kunnen we daar dan uit afleiden?

Dromen zijn ficties, fantastische beelden die tijdens de slaap in de neurale netwerken van ons lichaam ontstaan. Ze zijn hallucinatoir in de zin dat ze verdraaide concepten en percepties bevatten, die tendentieus of onrealistisch zijn. Dromen zijn ook narratief, in de zin dat het fabuleuze versies zijn van de gebeurtenissen die we in het echte leven kunnen tegenkomen, maar dan weergegeven als op een andere manier verbonden. In een droom kunnen we combinaties en patronen creëren, die we nog niet eerder hebben gemaakt. Dromen lijken vooral een manier om ons functioneren in het wakende leven te verbeteren. Wellicht dat we ons daarom zo aangetrokken voelen tot het irreële in ons wakkere leven. Het fenomeen van de droom is een geschikt experiment voor toekomstig gedrag, omdat je in de droom indirect en risicoloos verlangens en gedrag kunt uitproberen. Dromen zijn daarmee een manier waarop we onszelf nieuw gedrag kunnen aanleren, zonder de eventueel schadelijke gevolgen daarvan te ondervinden.

We zijn tijdens het dromen niet alleen in staat om over de toekomst te fantaseren, maar kunnen ook gebeurtenissen creëren die niet zijn gebeurd. Ten tijde van de samenstelling van het boek Genesis huldigden de auteurs de opvatting dat men aan de hand van dromen de toekomst kon kennen. Dromen zouden op de non-fictieve-werkelijkheid vooruitlopen. Vele eeuwen later, in de eerste decennia van de twintigste eeuw, werden dromen, zoals u vast weet, door de psychoanalyticus Sigmund Freud heel associatief uitgelegd, door dromen te zien als deel van onze psychoseksuele ontwikkeling. Hij betoogde, dat dromen een uitdrukking zijn van onderdrukte verlangens die het gevolg zijn van traumatische ervaringen in het vroege leven. Veel van zijn ideeën zijn in diskrediet gebracht en vandaag de dag wordt binnen de studie van dromen, de zogeheten oneirologie, vooral gekeken naar de biologische mechanismen die ten grondslag liggen aan dromen. Lange tijd is nog gedacht dat dromen het gevolg zouden zijn van externe factoren, zoals het contact tussen ledematen en fysieke voorwerpen tijdens de slaap. De visie op dromen als voorkennis van de toekomst, de Freudiaanse opvatting van dromen en de zienswijze dat dromen het resultaat zijn van de aanraking van het menselijke lichaam met een fysiek voorwerp zijn drie traditionele visies op de interpretatie van dromen. Vandaag de dag wordt eerder naar dromen gekeken als unieke fysiologische staten, waarin activiteiten die lijken op activiteiten die wij waarnemen als we wakker zijn, worden gefingeerd, terwijl gedrag inactief is gemaakt door chemische systemen die verlamming tijdens de slaap veroorzaken. Dromen zijn oefenplaatsen voor het leren van een nieuwe, moeilijke taak, om deze vervolgens uit te voeren als we niet slapen. Een nieuwe taak leren, zoals in het geval van Jozef leidinggeven, is dan niet vergelijkbaar met het opslaan van herinneringen op een computer, maar behelst het scherpstellen en verfijnen van een enorm, gelaagd netwerk van verbindingen die gebaseerd zijn op een beperkte serie voorbeeldgegevens, een oefen dataset.

Naast het benaderen van de droom als een veilige manier om nieuwe, complexe vaardigheden aan te leren, is er nog een aspect van waaruit we naar het droomgedrag van Jozef kunnen kijken. Iemand die een nieuwe vaardigheid leert, kan het gevaar lopen zo goed te worden in het leren ervan dat zij of hij zich te goed aanpast aan het dagelijks leven en de daarin voorkomende taken. In het geval een persoon te goed is aangepast aan het dagelijks leven of aan taken, of liever, wanneer een netwerk zo verfijnd is afgesteld op de bijzonderheden van een dataset waarvoor het is getraind, dan slaagt een persoon of een netwerk er vaak niet in om nieuwe bijzonderheden van een dataset te generaliseren. Dan is er sprake van zogenoemde overadaptatie, overaccommodatie, waarbij een persoon of netwerk te zeer overeenstemt met een taak of proces, dat het aanleren van nieuw gedrag er juist door bemoeilijkt wordt. Dromen, en dat is het tweede aspect, kunnen fungeren als een manier om dagelijkse overadaptatie te voorkomen door tijdens de slaap storingen in te brengen. Deze storingen hebben niet als doel om het geleerde tijdens het wakkere leven te handhaven of te bekrachtigen, maar om de overadaptatie die met dat leren gepaard gaat tegen te gaan. Dromen zijn dan zelfgegenereerde, corrumperende impulsen. De act van het dromen heeft dus het effect van één, het verbeteren van je functioneren en van twee, het generaliseren van nieuw gedrag in je dagelijks leven.

Beide aspecten betekenen voor ons dat gebeurtenissen die we kunnen ervaren die aan een handeling gerelateerd zijn en die er tegelijkertijd in essentie van verschillen, behulpzaam kunnen zijn voor ons functioneren. Door dromen als oefenplaatsen voor te ontwikkelen gedrag en als verstoringen van te goed aangepast gedrag te beschouwen, kunnen we verder gaan dan de traditionele droomopvattingen en het proces van leren, doen zien als een serie van afwegingen die bij elkaar horen. Als dromen inderdaad deze functionele doelen hebben, dan kunnen we de kunstmatige dromen die we ficties noemen en die we ook in bijbelse teksten tegenkomen bevredigend waarderen als een wezenlijke vorm van zelfbestuur.

Wellicht biedt deze nieuwe visie op dromen ook een verklaring waarom we kunst, films, romans en games prettig vinden, aangezien we ons constant aanpassen aan de realiteit. De verbeeldingrijke, gecorrumpeerde irrealiteit zoals die door kunstenaars, filmmakers, auteurs en gamedesigners naar voren wordt gebracht, helpt ons te voorkomen dat onze hersenen te gefixeerd raken in het ontwikkelen van dezelfde patronen. Zij breiden ons repertoire van handelingen niet alleen uit, maar doen dat op manieren die ons assisteren bij generalisatie en daarmee bij ons vermogen om te leren en te kennen.

Als ons dagelijks leven ten gevolge van de ontwikkeling van menselijke beschaving steeds complexer wordt, aanpassing aan dat dagelijks leven steeds gemakkelijker, wij zowel meer biologische dromen hebben als ons verdiepen in culturele producten zoals kunst, dan stelt de uitvinding van ficties ons mogelijk in staat baat te hebben bij de voordelen van dromen op het moment dat we wakker zijn.          

Amen

Zondag 21 februari 2021, Doopsgezinde Gemeente Aardenburg, zondag 7 maart 2021, Protestantse Gemeente Kethel Schiedam, zondag 8 augustus 2021, Gereformeerde Kerk Andel, zondag 15 augustus 2021, Houtrustkerk Den Haag, zondag 22 augustus 2021, Protestantse Gemeente Soesterberg, zondag 29 augustus 2021, Gereformeerde Kerk Giessenburg, zondag 5 september 2021, Bethelkerk Den Helder, zondag 5 september 2021, Driehoorne Alphen aan den Rijn, zondag 12 september 2021, Eben-Haëzerkerk Brandwijk, zondag 26 september 2021 Patmoskerk Marken, zondag 17 oktober 2021, Gereformeerde Kerk Woubrugge & zondag 24 oktober 2021, Gereformeerde Kerk Nieuwkoop

Filmpje van de Remonstrantse Kerk Nieuwkoop en de Nieuwkoopse Plassen: http://www.suzantenheuw.nl/lsgs15701-3

Preek naar aanleiding van Marcus 1:1-20 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op zondag 21 februari 2021 om 10.30 uur in de Vermaning Het Lam van de Doopsgezinde Gemeente te Aardenburg, naar aanleiding van Marcus 1:16-23 en Marcus 8:34-38 uit de Nieuwe Bijbelvertaling voor de kerkdienst op zondag 7 maart 2021 om 10.00 uur in de Dorpskerk van de Protestantse Gemeente Kethel te Schiedam, op zondag 8 augustus 2021 om 9.30 uur in De Voorhof van de Gereformeerde Kerk te Andel, op zondag 5 september 2021 om 10.00 uur in de Bethelkerk te Den Helder, op zondag 12 september 2021 om 9.30 uur in de Eben-Haëzerkerk van de Gereformeerde Kerk te Brandwijk en uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op zondag 15 augustus 2021 om 10.30 uur in de Houtrustkerk te Den Haag, op zondag 22 augustus 2021 om 10.00 uur in de Vredekerk van de Protestantse Gemeente te Soesterberg, op zondag 29 augustus 2021 om 9.30 uur in de Maranathakerk van de Gereformeerde Kerk te Giessenburg, op zondag 5 september 2021 om 19.00 uur in Driehoorne te Alphen aan den Rijn, op zondag 26 september 2021 om 10.00 uur in de Patmoskerk van de Protestantse Gemeente op Marken, op zondag 17 oktober 2021 om 9.30 uur in de Gereformeerde Kerk te Woubrugge en op zondag 24 oktober 2021 om 10.00 uur in de Gereformeerde Kerk Nieuwkoop

Gemeente,

De navolging van Christus, is dat niet te hoog gegrepen? Moet je dat wel willen? Behelst die navolging niet een bovenmenselijke of liever onmenselijke denkstijl en levenswijze? En, wat zou die navolging tegenwoordig kunnen inhouden, eventueel in onderscheid tot wat het ten tijde van het schrijven van het Marcusevangelie inhield? Zou je er niet goed aan doen, ongeacht de tijden, de navolging van Christus niet aan te bevelen, maar integendeel, vanuit de conclusie dat ze onnavolgbaar is, haar ten strengste moeten ontraden? Dit zijn enkele bezwaren die een lezer of geroepene zowel destijds als nu zou kunnen hebben ten aanzien van de navolging van Christus.

Kennelijk niet voor Simon, Andreas, Jakobus en Johannes, want terstond laten ze, zonder pardon, arbeid en familie achter zich om Jezus onvoorwaardelijk te volgen, niet eens wetend wat die navolging betekende en wat het vissen van mensen impliceerde. Begrepen deze vissers wel waarop ze met hun navolging ja zeiden voor ze hun jawoord gaven en hun huidige bestaan opgaven om, ja om wat eigenlijk? Hadden ze er niet goed aan gedaan zich vooraf wat beter te laten informeren over de inhoud van de navolging? Waren ze daar niet te slecht op voorbereid? Hun reactie op de uitnodiging tot navolging was er een van spontaniteit en gehoorzaamheid, maar was dat dus wel zo verstandig? Was dat programma van de navolging niet veel te rigoureus en te radicaal, zodanig dat ze het van de hand hadden moeten wijzen of er op z’n minst voor hadden moeten bedanken? Hoe is het mogelijk dat de oproep tot navolging voor hen niet zeer ongelegen komt? Of hadden ze goede redenen, voorstelbare motieven, zoals een behoefte aan avontuur, reislust om hun leven, zoals ze het tot dusver hadden geleefd te beëindigen en een ander, nieuw, onvertrouwd leven te gaan leiden? Of zou je deze schrijversstrategie van de auteur toch anders moeten lezen, bijvoorbeeld als een om de figuur van Jezus wat meer gezag toe te kennen door te laten zien hoe gezwind en, althans zo lijkt het, gedachteloos deze vier vissers hun netten achter zich laten, een onbekende toekomst tegemoet?

We lezen vanochtend een verhaal, waarin de auteur antwoord geeft op de vraag wie Jezus van Nazareth volgens hem was. Hij beantwoordt die vraag ten overstaan van een lezerspubliek, dat voornamelijk bestond uit christenen met een heidense achtergrond. U ziet dat bijvoorbeeld aan de keren dat de auteur beschrijft en uitlegt wat Jezus deed en welke uitwerking dat had op de mensen met wie hij zich engageerde. Zoals een Griek een niet-Griek een barbaar noemde, zo noemde een christen een niet-christen wel een heiden. De auteur legt voormalige heidenen uit wat typisch christelijke praktijken zijn.

In de manier waarop de auteur Jezus van Nazareth portretteert doet hij iets gewaagds en contrasterends ten opzichte van zijn omgeving: in de context van Rome met zijn heldenverering gaat hij uiteindelijk een lijdensfiguur uittekenen. Nu kunnen we dit verhaal op veel verschillende manieren proberen te begrijpen, bijvoorbeeld door te kijken naar de geografische aanwijzingen, de thematieken of de reacties van de figuranten. Wij kijken vanochtend naar de thematiek van de navolging in dit verhaal. We laten ons daarbij door twee vragen leiden, namelijk: waar herken je een volgeling, een navolgeling van Christus aan? En, wat zou het vandaag de dag kunnen betekenen een navolgeling van Jezus te zijn?

Over de identiteit van Jezus van Nazareth is veel geschreven en vooral gespeculeerd. Vanuit historisch perspectief weten we enkel, dat hij een jood was en Aramees sprak. Het portret van Jezus zoals dat ons schriftelijk wordt overgeleverd door de auteur van het Marcusevangelie, gemotiveerd door zijn eigen psychologische, theologische en politieke belangen, is zijn geïdealiseerde variant van een figuur van wie hij dacht dat zijn lezers daar baat bij hadden, namelijk een van een bevrijder uit veel religieus-politieke benauwdheid zoals vervolgingssituaties. De auteur van het Marcusevangelie laat Jezus als een filosoof, anarchist en hervormer optreden, omdat deze vervolgingssituaties voor veel van zijn voorgangers en tijdgenoten fataal is afgelopen dan wel nog nauwelijks is uit te houden. De ene na de andere beperking werd ingevoerd, het welbevinden, het doorzettingsvermogen en de lijdzaamheid van zijn tijdgenoten werd zwaar op de proef gesteld. Het gebrek aan vrijheid van denken en leven in zijn land had van een auteur die eerder veel vrijblijvender schreef, op slag een evangelist en pastor gemaakt. Om zijn medechristenen door de crisis heen te helpen, gaat hij hen literair een hart onder de riem steken.

De lezers van het Marcusevangelie gedroegen zich moreel, zolang zij gesocialiseerd waren, dat wil zeggen zich hielden aan de civiele wetten en sociaal geldende normen van een elite, maar kwamen hiermee op basis van hun persoonlijke overtuigingen hoe langer hoe meer mee in conflict. Nu zij vanwege een deel van die overtuigingen, van religieuze aard, worden vervolgd, is dat voor de auteur reden een geschrift, zijn evangelie, te laten verschijnen, waarin hij zal oproepen tot maatschappelijk onaangepast gedrag. Dat doet hij door Jezus te karakteriseren als een voorbeeldfiguur die de bestaande orde problematiseert. Hij benadrukt de contextualiteit en historische bepaaldheid van civiele wetgeving en normen, die, bovendien, met name de belangen dienen van een kleine, invloedrijke, vermogende groep mensen. De wetten die zij produceerden en de normen die zij bedachten, waren niet universeel, maar moesten worden gezien als constructen die binnen een cultuur waren ontworpen door een selecte groep mensen op grond van eigenbelang. Het geldende gezag deed deze constructen met haar eigen veronderstellingen en vanzelfsprekendheden voorkomen als in het algemeen van toepassing. De evangelist echter plaatste ze tussen haakjes en zag ze als relatief. Sterker nog, hij zou zijn lezerspubliek uiteindelijk oproepen om te breken met deze normen om hogere doelen te bereiken.

Doch eer het zover is, laat hij Jezus heel vaak in het publieke domein optreden als een figuur die door transgressies te plegen en scheidslijnen te laten vervloeien, inbreuk maakt op de heersende orde, waardoor de een hem als een bevrijder zag en de ander hem als een bedreiging ervoer, afhankelijk van wat je te winnen of te verliezen had. Maar of je hem nu enerzijds de koosnamen verlosser, godszoon of vredevorst toedichtte of hem anderzijds de scheldnamen raddraaier, relschopper of oproerkraaier meegaf, beide groepen waren het er over eens dat het met de entree van Jezus van Nazareth in het openbare leven met de maatschappelijke rust wel was gedaan. En dit was slechts het begin. De evangelist zal het gedragskenmerk van grensoverschrijding in toenemende mate doorvoeren door Jezus te doen kennen als een figuur die elk gezag relativeert ten opzichte van de godsverhouding. Naast de oproep tot verzet tegen de staat en sociale normen, en tot het verlaten van have en goed zal daar in de loop van Jezus’ optreden de oproep bijkomen geweld niet met geweld, maar met geweldloosheid te beantwoorden en desnoods het eigen leven te offeren ter wille van een ander mens.

De navolging van Christus, dat lijkt een handleiding voor asociaal en onnavolgbaar gedrag, want on- en bovenmenselijk gedrag, niet? De evangelist laat Jezus niet zeggen dat de vier mensen die hij oproept tot navolging, de leidinggevenden van het volk moeten volgen. Het lijkt wel alsof Jezus met zijn oproep begint met de vorming van een nieuwe gemeenschap, een andere samenleving door vier mensen te werven, die de kern zullen vormen van een apostolische groep, waarin je als geroepene dus niet primair wordt gezien als lid van een staatsgemeenschap. Op het moment dat Simon, Andreas, Jakobus en Johannes instemden met de navolging, werden zij geen lid van een politiek georganiseerde samenleving, maar van een groep die geloof, geweldloosheid en opofferingsgezindheid als bestaanswijzen uitdroeg. In die apostolische groep golden veelal andere normen en regels dan in de burgerlijke samenleving gebruikelijk was. Niet zelden stonden ze er haaks op.

De navolging van Christus impliceert een inbreuk op het bestaan, waartoe de oproep urgent, complex en dramatisch te noemen is, aangezien het de manier waarop mensen zichzelf en anderen definiëren, de rollen die zij in het dagelijks leven spelen, bevraagt en relativeert. Je positie in politiek en sociaaleconomisch opzicht werd ermee naar een tweede plan geschoven. Wie een volgeling van Jezus van Nazareth wilde zijn, diende te breken met overtuigingen, werd gemaand zichzelf opnieuw uit te vinden en gedragsveranderingen in gang te zetten. In een bekering werd het eigen bestaan van de volgeling in een crisis geplaatst, zij of hij heroriënteerde zich op een nieuw bestaan, dat de volgeling vaak in oppositie met vermeende vromen en autoriteiten bracht. De navolging van Christus, dat is geen sinecure. Geroepenen zijn er vele, maar uitgelezenen weinig.

Amen