Zondag 1 december 2019, ‘Ontmoetingskapel’ Maarn

Preek naar aanleiding van Ester 8:1-17a uit de Naardense Bijbel voor de viering op zondag 1 december 2019 om 10.00 uur in de ‘Ontmoetingskapel’ van de Protestantse Gemeente Maarn-Maarsbergen

Gemeente,

Op de hoek van de steeg in Leiden waar ik woon, staat een bordeel. Hoewel aan het rode lampje in het lantaarntje dat op woensdagavond om tien uur aanknipt, de graffiti van een ‘publieke vrouw’ aan de voorzijde van het pand, de titel van het sekshuis en de roodgeverfde bakstenen duidelijk te zien is wat voor soort huis aan deze straat gevestigd is, is het tegelijkertijd omgeven door elementen van geheimzinnigheid. Er zijn de stationwagens met snel dichtslaande deuren, de uitsmijters en de verhitte gesprekken die, voor de nacht invalt, door rokende mannen worden gevoerd.

Als Ester in het duizend en één nacht van het Oude Testament over de drempel van een Perzisch paleis stapt, dan komt zij als Jodin in het leven van een oosters harem terecht, met al z’n gewoontes en intriges. De aanwezigheid  van Ester in het Perzische rijk vormt een contrast, dat de auteur nodig heeft om met behulp van een historische roman te verhalen waar geloof over handelt. Geloof komt voor de auteur aan op moedige daden, waarin een mens zichzelf riskeert. In deze historische roman, die doorspekt is van fictie, lijkt geloof meer aan te komen op belichaamde handelingen, dan op godvruchtige taal. In het hele boek Ester rept de auteur, die ook zelf anoniem blijft, met geen woord over God en de godsdienst blijft een vaag gegeven. Maar door het verhaal allerlei wendingen mee te geven en nieuwe ontwikkelingen te verzinnen die de viering van het joodse, carnavaleske bevrijdingsfeest Poeriem bevorderen, lijkt de auteur wel de suggestie te wekken dat God te zien is in akten van viering en bevrijding. Poeriem en advent hebben met elkaar gemeen dat ze de bevrijding vieren van al wat een mens klein houdt. Die bevrijding vindt in de context van het boek Ester primair op het politieke en niet op het godsdienstige vlak plaats. Een bevrijdingservaring of grote existentiële opluchting is te bezingen in een psalm of te verwoorden in een gedicht, de historische roman is een derde vorm.

Wie was Ester en welke rol speelt zij in dit verhaal? Ester behoort tot een etnische minderheid en treedt op om het leven van haar landgenoten te redden. Zij is het prototype voor een mens van eenvoudige komaf, die ‘haar land verlaat’, op een hoge, prestigieuze positie in een vreemd rijk terechtkomt, en aan het hof als leider en koningin gehoor geeft aan de roep van mensen, die een vergelijkbare achtergrond hebben als zij en in verdrukking leven. Ester is de Assepoester en Lara Croft van het Oude Testament, wier ster zal stijgen en die aan haar koningin-zijn een persoonlijk accent zal verlenen namelijk, de zorg om wie door een politiek systeem of een traditionele orde onheil wordt aangedaan en noch over de middelen, noch over de netwerken beschikt om dat systeem te verwerpen, waardoor de gemarginaliseerde alsnog emancipeert. In de positie van koningin beschikt Ester over macht die ze aanwendt ten gunste van het overleven van een minderheidsgroep. Ester is het voorbeeld van de mens die instaat voor het lijf en de ziel van de ander. Haar religieus engagement komt tot uiting in daden van politieke pleitbezorging.

De auteur tekent haar uit als een diplomate die voortvarend handelt in het verzet tegen vormen van onrecht, zoals de uitsluiting van minderheden en de onderdrukking van vrouwen. De risico’s die zij bereid is te nemen, maken haar tot de heldin van het verhaal. De infiltratie van Ester in het Perzische rijk vormt een symbool van hoop voor de geringe die in het gedrang komt, doordat zij of hij gemakkelijk het doelwit kan zijn van vooroordelen of discriminatie door een meerderheid. Met het voortschrijden van Ester richting de koning en de vraag om een herroeping van de brieven die het uitmoorden van ‘zij die anders waren’, in dit geval de joden, bevalen, overschreed zij een grens. Een koninklijk decreet kon volgens Perzische wetten niet worden herroepen. De konings wil was wet, ‘daar viel niet aan te tornen’. Esters daad doorbreekt een bestaande orde, en laat dát het licht zijn dat het duistere Perzische rijk binnenvalt. Er heerste een nationale crisis in het Perzische rijk, beleidsvorming was gericht op de verbanning en het doden van de ander, tegenstanders van een gesloten samenleving werden de mond gesnoerd, de joodse gemeenschap was haar leven niet zeker, en de koning lijdt aan slapeloosheid.

Er zijn vele strategieën denkbaar om iemands zaak te bepleiten. De manier waarop Ester, en via haar personage de auteur, de zaak van het Joodse volk bij de koning aanhangig maakt, is niet via een brief aan een bestuurder, een handtekeningenpetitie, het spandoek, de hongerstaking of het openbare protest. De auteur zet fictie en drama in om impliciet iets duidelijk te maken. Om de koning – lees de macht – te doordringen van de ernst van ‘de Joodse kwestie’ laat hij Ester een smeekbede aanheffen. Het is een dringend en innig verzoek dat met veel drama gepaard gaat. Ester valt neer aan de voeten van de koning, huilt en kiest de meest nederige formuleringen om de koning te ontroeren: “Als het de koning goeddunkt (…)”, “Als ik genade heb gevonden in zijn ogen (…)” en “Als mijn voorstel de goedkeuring van de koning kan wegdragen (…)”. Het is het cruciale moment waarop Ahasveros als soeverein monarch beslissende uitspraken kan doen over Esters leven en dat van ‘haar volk’.

De thematiek die aanleiding gaf tot het schrijven van dit verhaal is nog geen verleden tijd. Als lezer(es) word ik niet geconfronteerd met het probleem van onverdraagzaamheid en rassenhaat alsof dat in onze tijd geen rol meer speelt. Mordechai, die model staat voor trouw aan waarden, herinnert mij aan het belang in tijden van crisis geen toeschouwer te zijn. Hij representeert in eerste instantie de gedaante van terughoudendheid. Maar hij blijft niet zwijgen, wacht niet tot sint-juttemis op redding die van de andere kant zou komen, maar gaat nu ook zelf bijdragen aan de verwerkelijking van ‘het heil’. Als in onze samenleving geen intermediairs meer optreden die onderhandelen tot bevrijding van hen die in levensgevaar verkeren, dan kan een Haman die mensenrechten schendt onbelet zijn gang gaan. Het boek Ester is actueel voor elke dorpsgemeenschap, stedelijke samenleving, geloofscommune of huiselijke sfeer, waarin immigranten, ballingen en vreemdelingen naar bestaansrecht en vrijheden zoeken.

Wellicht is een verklaring voor het feit dat de godsnaam in het boek Ester niet voorkomt, dat al het theologisch spreken wordt vertaald, oplost in daden die voor mensen bevrijdend werken. Je zou kunnen verdedigen dat het behoud van het leven, het hooghouden van de menselijke waardigheid, het opkomen voor mensenrechten en de vernietiging van wetten die kwaad behelzen vormen van religieuze verantwoordelijkheid zijn. Voor het samengaan van theologische reflectie en praktische initiatieven kan lokaal de samenwerking tussen kerkelijke en burgerlijke gemeente een impuls krijgen. Gelovige en burger, religieuze functionarissen en ambtenaren stellen zich zo op in hun omgeving, dat ze wendingen teweeg brengen in de toekomst van de ander, die uitlopen in een viering van het leven zelf. Dat vraagt onder andere om het vermogen de ander zo voor het voetlicht te brengen, dat zij of hij in de gratie komt van invloedrijke personen.

Geheel in lijn met de Hebreeuwse traditie van de vluchtstad of de wijkplaats waarin steden opvang en bescherming boden aan personen die een toevluchtsoord zoeken, mag een gemeente van gelovigen fungeren als een vrijplaats, waarin een sociale structuur wordt geboden, waarin mensen zich kunnen terugtrekken om aan vormen van vervolging en ‘opgejaagdheid’ te ontkomen. De ecclesia is een ruimte waar mensen bereid zijn definities te verruimen en de wet van de religieuze gastvrijheid is ingevoerd. Hier geldt het recht van ieder mens op onschendbaarheid. Van een geloofsgemeenschap die als een dorp of stad functioneert, staan de ‘stadspoorten’ open voor iedere ander, elke nieuwkomer wordt er zonder vragen en identificatie opgenomen. In die sfeer is een persoon geen vreemde of ontheemde meer, maar een heilige, medeburger en huisgenoot van God. De nieuwkomer loopt hier geen gevaar zich niet te kunnen verdedigen tegenover het juridische recht, de mores of voorwaarden van een omgeving, omdat zij of hij de taal onvoldoende spreekt. In een godshuis is een mens nooit lost in translation.

De positie die de nieuwkomer inneemt ten opzichte van een gevestigde orde zou weleens die kunnen zijn van een vreemdeling die over de drempel stapt als een bevrijder die aan de horizon verschijnt. Een gelovige wacht als een gastvrouw of -heer, een ontvanger op een bevrijder die haar of hem verlost van datgene, waarin zij of hij verstrikt kan raken. De ander is dan de onverwachte, die inbreuk maakt op gewoontes en een nieuwe dynamiek in gang zet. Niet het establishment, maar de nieuweling is de persoon die de touwtjes in handen heeft. Zij is de wetgever die van buitenaf komt om de wet voor te schrijven en als Ester een groep of persoon bevrijdt. Gastvrijheid kan dus een bedreiging vormen voor een samenleving die in wetgeving een middel heeft gevonden om de macht van een meerderheid te optimaliseren. Wat Ester met haar daad liet zien en waar religieuze gastvrijheid toe in staat is, is ontregeling. In die ontregeling kan een mens de ervaring opdoen dat zij of hij geen systeem is, geen apparaat, maar primair een mens die genade hoopt te vinden in de ogen van de ander.

Amen