Zondag 27 oktober 2019, Protestantse Kerk Castricum

Preek naar aanleiding van Jesaja 63:7-14 en Marcus 6:45-52 uit de Naardense Bijbel voor de viering Over de vraag ‘Wie ben ik?’ Dementie in bijbel en neuropsychologie op zondag 27 oktober 2019 om 10.00 uur in de Dorpskerk te Castricum

Zeer gewaardeerde gemeente,

In de liedbundel Als daar muziek voor is is het gelijknamige gedicht van M. Vasalis, dat door Tom Löwenthal op muziek is gezet, opgenomen. Het gedicht gaat als volgt:

Als daar muziek voor is, wil ik het horen:  

ik wil muziek voor oude mensen, die nog krachtig zijn

en omgeploegd met lange, diepe voren en ongelovig.

Die de wellust en de pijn nog kennen.

Die bezaten en verloren.

En als er wijsheid is, die geen vermoeidheid is,

en helderheid, die geen versterving is,

wil ik die zien, wil ik die horen.

En anders wil ik zot en troebel zijn.

Het gedicht kun je lezen als een protest tegen dementie bij ouderen. Dementie wordt gekenmerkt door een vermindering van cognitieve, intellectuele en emotionele vermogens. Met dit gedicht wil ik het verschil illustreren tussen de bijbelse taal, die zich veelal bedient van metaforische beschrijvingen en hedendaags, professioneel jargon dat bijvoorbeeld vanuit de neuropsychologie veel meer gemodelleerd over een fenomeen als dementie spreekt. Een voorbeeld van metaforisch taalgebruik uit Marcus zes vers vijfenveertig tot tweeënvijftig is de uitdrukking ‘de verharding van het hart’. Wat betekent die bijbelse zegswijze?

Als wij anno nu het onvermogen om een persoon te herkennen willen verwoorden, dan drukken we ons bijvoorbeeld uit in termen van ‘een gebrek aan empathische perceptie’. Aan de hand van diverse benaderingen kunnen we door te refereren aan eigenschappen en functies van bijvoorbeeld de hersenen en omgevingsfactoren vervolgens proberen te verklaren waarom een persoon dementeert of niet langer in staat is een persoon te herkennen. Iemand die lineair denkt en gelooft in progressie kan erop wijzen dat ontwikkelingen in de wereld van de geneeskunde en psychologie nog op zich lieten wachten ten tijde van het schrijven van de tekst uit Marcus. Een ander zou het kunnen opnemen voor de beeldtaal die karakteristiek is voor de perikoop. Ik denk dat we beide begrippenapparaten nodig hebben om uit te leggen hoe een fenomeen functioneert en kan worden verstaan.

Een bekend voorbeeld is dat neurocognitivisten naaste familie en vrienden van een dementerende weinig verheldering bieden, wanneer zij verwijzen naar neurale activiteit waarin een patroon zichtbaar is. Hoewel deskundigen met behulp van empirische data op een beschrijvend niveau meetbare uitspraken doen en gedeeltelijk een verklaring kunnen bieden waarom een persoon dementeert, ontbeert zo’n verklaring belevingsuitleg, juist omdat de verklaring enkel biologische processen beschrijft. De verklaring creëert geen begrip voor de psychologische conditie van een dementerende geliefde. De taal van de bijbel erkent beeldspraak als een bron van informatie en interpretatie, waarin figuurlijke betekenissen vaak visualisaties en emoties met zich meebrengen, die tegemoet komen aan het belevingsniveau van de naasten.

We richten ons nu op de tekst uit Jesaja en houden daarbij het verband met dementie in gedachten. Jesaja is de naam van een profeet uit de achtste eeuw, waarachter een auteursgroep schuilgaat die reflecteert op het zelfbeeld van een groep mensen voor wie het niet langer vanzelfsprekend is een eigen collectief verhaal te vertellen. Deze groep had aanslagen van buren overleeft, gezien hoe bevolkingsgroepen waren gedeporteerd en, terwijl het op de vlucht was, grenzen verlegd. Voor deze ervaringen wisten deze mensen wie zij waren.

Ze hadden een duidelijk profiel, een gezamenlijke identiteit waaraan je ze kon herkennen. In een periode van ballingschap vroegen ze zich af wie ze waren, waar ze vandaan kamen en of ze nog van gedeelde visies en vormen konden uitgaan. Jaren gingen voorbij en herinneringen aan gebeurtenissen van voor het ‘buitenlandverblijf’ gingen verloren of liever, ze lagen nog ergens opgeslagen, maar werden niet meer aangesproken. De autobiografie van velen verbrokkelde, zonder dat zij die verbrokkeling zelf in een betekenisvol perspectief konden plaatsen.

Documentatiemateriaal waaraan men zich kon oriënteren was niet voorhanden. De mensen die het betrof wisten niet meer waar voor hun zelfbesef op te steunen. De loop van hun geschiedenis was voor hen een groot raadsel geworden. Zij raakten gedesoriënteerd, verdwaalden, verloren hun notie van tijd, konden gezichten van dierbaren steeds moeilijker ophalen, de leercapaciteit holde achteruit, het laatste oordeel kwam vaak te vroeg, besluiten werden niet genomen, initiatieven niet ontwikkeld en in het ergste geval gedroeg een volwassene zich weer als een kind. Men keek naar zichzelf in een spiegel, maar zag niet. Er werd geluisterd, maar niet gehoord en men liep als op een afdeling onrustig rond, zonder iets van de eigen context te begrijpen.

De situatie waarin mensen voor hun zelfbeeld niet meer kunnen teruggrijpen op het verleden en van hun gedragingen en levensgebeurtenissen geen geschiedenis meer kunnen fabriceren, zouden we als een staat van verblinding en onbegrip kunnen duiden. De blik is verduisterd, de ruit beslagen, troebele ogen verrieden dat mensen niet meer helder over zichzelf en de wereld konden denken. Een religieus gelovige zou zeggen dat God haar of hem in de steek had gelaten, die was in geen velden of wegen te bekennen. Als grote gemene deler was God nog ergens vaag, in de verte te ontwaren, een hersenschim. Hij liet zich in de eerste jaren nog kennen als een vorm van afwezigheid, daarna vloeide ook het laatste restje godsbegrip weg.

Enkele auteurs hadden in zo’n situatie aanleiding gezien nieuwe teksten te schrijven, die tegemoet kwamen aan de behoefte van een gedeeld en coherent levensverhaal. Diverse dichters schreven vanuit de verwachting dat hun lezerspubliek steeds meer grip zou krijgen op de wereld, doordat zij hen handvatten aanreikten. In die teksten, waarvan wij in Jesaja drieënzestig vers zeven tot veertien een fragment lezen, cultiveert een schrijversclub de visie dat het uit elkaar vallen van de eigen geschiedenis deel uitmaakt van een grotere beweging. Zij proberen de onthutsende gebeurtenissen, die bij velen hebben geleid tot een staat van hulpeloze verbijstering, te integreren in een geheel. De schrijvers zijn dus eerder profeten dan historici, doordat zij niet zozeer een geschiedenis beschrijven, maar, terugblikkend op gebeurtenissen, tot een hele specifieke reflectie komen op wat er is voorgevallen. Zij kijken terug om een eenheid te smeden in een veelheid aan gebeurtenissen die elkaar in rap tempo opvolgden. De rode draad of lijn die zij schetsen biedt continuïteit waaraan een groep ‘dementerenden’ houvast ontleend. De auteurs bieden een structuur aan waar mensen die in verstrooiing leven eventueel mee uit de voeten kunnen. Zij proberen al schrijvend allerlei strategieën uit: ze brengen bijeen, genezen waar nodig, laten zich teder dan weer vermanend uit, bieden troost en stemmen mild in de hoop op enige wijze door te dringen in het historisch bewustzijn van individuen met het oog op het scheppen van een open toekomst. En het is een groot drama wanneer het begripsvermogen van de lezer(es) zo nihil is, deze hersenfunctie zozeer is aangetast, dat die structuur zelf niet wordt begrepen en aanvaard.

Vragen zoals ‘Waar ben ik?’ en ‘Wie ben ik?’ komen we opvallend vaak in de evangeliën tegen. De evangeliën willen, in onderscheid van de groep ‘Jesaja’, aan de lezer(es) zelf een antwoord ontlokken: wie ben je volgens jezelf?

De identiteitsvraag wordt opvallend vaak gesteld door mensen die hun ouders of verzorgers niet kennen, vaste grond tijdens de opvoeding misten, niet geworteld zijn in een groter verhaal of in de loop van hun leven ontheemd zijn geraakt. In het verhaal in Marcus zes vers vijfenveertig tot tweeënvijftig dat zich afspeelt op het meer herkennen de opvarenden de figuur die op hen afkomt niet, terwijl hij voor hen ‘een oude bekende’ is. Gezichts- en stemherkenning ten spijt, blijft hij voor hen een mysterieuze gast. Ook een etentje, een sociale gelegenheid, had er niet toe geleid dat de bemanningsleden tot inzicht waren gekomen.

Niet voor niets laat de evangelist het verhaal zich afspelen op plaatsen zoals het meer, de bergen en de woestijn, die een mengeling van dreiging en goddelijke presentie oproepen. Het kan lang onbeslist blijven hoe wij de ander die op ons toekomt beschouwen: als een naderend gevaar, een onheilspellend vooruitzicht of als een ‘heilige’, die ons met een eeuwigheidswoord weer herinnert aan een oorspronkelijke vrijheid die we nodig hebben om in ons element te zijn. Een helder inzicht dat duidelijkheid zou moeten scheppen over de verhouding tot de ander kan uitblijven. Het zien dat zou moeten leiden tot herkenning van wie de ander voor jou is, zet niet door, maar blijft in het ongewisse.

Op een vergelijkbare manier kun je als mens ergens naar kijken zonder het te zien, wellicht omdat je je aandacht op iets anders hebt gefocust, ‘met je gedachten elders bent’. De perikoop uit Marcus gaat over hoe het mogelijk is dat je iemand ziet staan en dat een reden dat de ander toch niet oplicht gelegen kan zijn in een gebrek aan welwillendheid. In geval van een gebrek aan welwillendheid, vertrouwen of een laatste criterium dat je nodig hebt om een bepaalde visie te ontwikkelen, kan het helpen om een onzekere factor voor iemand zo gunstig mogelijk te laten meetellen. We geven iemand dan ‘het voordeel van de twijfel’. Een religieus gelovige noemt die act vroom: de bereidheid tot bekering. Wellicht is dat het laatste zetje dat ook Jezus nodig had om van dat schip – zijn kansel – af te komen en de vraag: “Wie ben ik?” te beantwoorden. Want wie door een ander bewust wordt gezien en herkend, kan zich uitgenodigd voelen om met de ander in gesprek te gaan en in de dialoog kan een persoon, ook een dementerende, er (weer) achter komen wie zij of hij is.

Amen