Zondag 8 september 2019, Hervormde Gemeente Maurik, zondag 15 september 2019, Protestantse Kerk Castricum, zondag 6 oktober 2019, Protestantse Gemeente Bergen op Zoom & zondag 13 oktober 2019 Protestantse Gemeente Dongen en Rijen

Preek naar aanleiding van Job 30:15-26 en 2 Korintiërs 5:14-21 uit de Naardense Bijbel voor de viering op zondag 8 september 2019 om 10.00 uur in de St. Maartenskerk te Maurik, voor de viering op zondag 15 september 2019 om 10.00 uur in de Dorpskerk te Castricum, uit de Groene Bijbel voor de viering op zondag 6 oktober 2019 om 10.00 uur in de Ontmoetingskerk te Bergen op Zoom en voor de viering op zondag 13 oktober 2019 om 10.00 uur in de Oude Kerk te Dongen

Gemeente,

De literaire figuur Job is afkomstig uit het land van Us, dat ten zuiden van Palestina ligt. Job heeft, hoewel hij geen Israëliet is, langs internationale kanalen veel van de Israëlitische wijsheid geërfd. Hij deelt de lijdenservaringen van het volk Israël. In zijn aanklacht klinkt een Grieks godsbeeld door. De God van Job is er één die zijn eigen, ongekende gang gaat en zich weinig gelegen laat liggen aan wat mensen doen of laten. Hij bezit een monopoliepositie: af en toe solt hij met de mens – de mens is zijn speeltje – en slaat een mens de ogen ten hemel om God in een theodicee ter verantwoording te roepen, dan haalt God zijn schouders op. Hoe komt een mens erbij te denken dat God betrokken zou zijn bij het menselijk lijden?

In het antwoord op ‘Jobs protest’ dat in de chapiters na Job dertig aan de orde komt, belichaamt de auteur de visie dat God soeverein is en adviseert Job met behulp van retorische vragen en ironie God niet al te antropomorf te benaderen. De auteur staat in een agnostische traditie, waarin de onwetendheid van ‘hoe God werkt’ wordt benadrukt en waarin hij de wereld van God en mens zoveel mogelijk gescheiden houdt. De twee vragen waar wij ons nu op richten zijn: een, hoe is het mogelijk dat lijden bij de auteur, voor wie Job een spreekbuis is, vragen oproept? En twee, waarom wordt lijden als een probleem gezien?

Als wij Job dertig vers vijftien tot zesentwintig lezen, dan staan we in de lijdenstijd van Job. Wie heden ten dage ergens aan lijdt zonder de oorzaak van het eigen lijden te kennen, kan zich wenden tot de medische wetenschap. Als je bij een huisarts komt, dan is de openingsvraag voor het gesprek vaak: “Wat is de aard van uw klacht?” In andere gevallen kan een mens bij de eigen ziel te rade gaan, er is de hang te kijken naar de wijze waarop de hersenen werken, je kunt wijzen op de praktijken van de ander of observeren wat zich in de natuur afspeelt en de effecten daarvan in kaart brengen. Job weet niet waaraan hij lijdt, al kan hij de symptomen van zijn lijden beschrijven, en ook niet waarom hij lijdt. Het opgeven van een reden voor een lijdenservaring kan in onze oren een beetje gek klinken, alsof er een doel of zin aan Jobs lijden verbonden zou zijn. En dat is ook precies waar de auteur van het boek Job niet in gelooft.

Het centrale motief achter het boek Job is het onverklaarbare en onschuldige lijden van een mens, en alle exegeses, analyses en antwoorden die daarvoor in de tijd van de auteur werden aangedragen, van de hand te wijzen. De auteur geeft met het boek Job stem aan een cultuur, waarin een groep mensen niet langer een antwoord heeft op het lijden en er geen omgangsvorm voor van de zolder kan halen. Job is het document van een plattelandsgemeente die met lege handen staat en aan wier lijden de auteur met al z’n literaire gaven stem gaat geven. Je zou hem als een denker van de contingentie kunnen zien, dat wil zeggen een persoon die ervan overtuigd is dat mensen lijden kunnen ervaren, maar dat ze het evengoed niet aan den lijve kunnen ondervinden. Vanuit bijbels-theologisch perspectief vertolkt hij daarmee een nieuwe overtuiging, aangezien hij ingaat tegen de visie die je in het oude bijbelse Israël terugvindt, dat er een verband bestaat tussen het lijden van een mens en haar of zijn levenskeuzes.

Zo vind je in de Psalmen beschrijvingen van oorzaak-gevolg-relaties, waarin de psalmist heel duidelijk een samenhang ziet tussen een lijdenservaring en zijn levenswandel. Die manier van denken wordt belichaamd door Jobs vrienden. Via hen en de goddelijke redevoeringen, die je als een parodie kunt lezen, laat de auteur zijn voorgangers en traditionele tijdgenoten hun zegje doen. Alle gangbare visies en opinies passeren de revue. In al deze verklaringen presenteert de auteur Jobs ‘vrienden’ als napraters, die gedachteloos en uit gewoontevorming clichés herhalen, zich beroepen op klassieke constructies en oneliners uitkramen. Zij zijn daartoe in staat , omdat zij zelf nog geen lijdensgeschiedenis hebben. Jobs vrienden hebben in hun eigen leven niet zelf ervaren wat het kan betekenen te lijden zonder daar debet aan te zijn. Een jobsvriend is iemand die een kant en klaar antwoord heeft klaarliggen op een situatie waarin ‘het kwaad een goed mens treft’ en zo haar of zijn vertrouwen in de wereld herstelt, gelooft dat het leven zin heeft en God daar invloed op uitoefent. Voor Job is die visie uitgewerkt.

Job heeft geen enkele verklaring of oplossing voor het menselijk lijden en is behalve van zijn kudde ook van zijn betekeniszin beroofd. De toespraken die Jobs vrienden hebben gehouden zijn geen echte toespraken: het zijn ‘uit het hoofd geleerde’, onpersoonlijke monologen, tekenen van een gebrek aan echte interactie. Wie naar het lijdensverhaal van een ander luistert, kan geen ingesproken bandje afdraaien. Bij Job, die de impact van zijn lijden nauwelijks duidelijk kan maken, omdat zijn vrienden niet open luisteren, verdubbelt het lijden daardoor des te meer. De monologen leiden bij Job tot een uitbarsting. Job heeft geen bewijzen, hij is onschuldig, lijdt zonder reden. Als alle omgangsstrategieën met het lijden aan bod zijn geweest, is het laatste woord over het lijden voor Job nog niet gezegd. Hij houdt een lange voordracht, waarin hij zijn biografie uiteenzet. Hij getuigt daarin van een overgang van een zorgeloos leven naar één waarin hij zijn dagen in ellende doorbrengt. Tijdens zijn vroegere leven, waarin het hem voor de wind ging, heeft Job ‘vrienden’ gemaakt. Zij, de Israëlieten, staan nog op dezelfde maatschappelijke positie als waarin ze Job leerden kennen, terwijl Job van de ene pool naar de andere is geswitcht, en op vele levensgebieden grote verliezen heeft geleden.

De dialoog tussen de gelovige van wie het wereldbeeld ongeschonden is gebleven, en die vanuit een ‘priesterlijk koninkrijk’ vroom preekt tegenover de verbitterd geraakte mens die ineengeschrompeld op de vuilnisbelt zit, blijkt onvruchtbaar. Job heeft zelf niet de hand in zijn lijden gehad, gelooft ook niet in de Griekse figuur van het lotsdenken en kan van de kant van de samenleving niet op begrip en steun rekenen. Job lijkt op Dostojevski’s Iwan Karamazov, die zijn kaartje voor het geloof in ‘de goede God’ en het menselijk leven inlevert.

Valt er voor Job als niet-Israëliet met het lijden te leven? Voorlopig niet, want als de auteur de goddelijke donderpreken en daarmee de theologieën van zijn tijd op de hak neemt, dan krimpt Job weer in elkaar. Job voelt zich weer niet serieus genomen. De ‘oergod’ die het wereldbestuur organiseert en Jobs lef om hem op het matje te roepen voor zijn persoonlijke misère neersabelt, houdt Job klein. Wie verder leest, kan tot de ontdekking komen dat naast het weerwoord en de stilte, de verzoening als derde formule voor een geloofscrisis naar voren wordt gebracht.

Voor Paulus de apologeet biedt de verzoeningsbrief in 2 Korintiërs vijf vers veertien tot eenentwintig in de pastorale zorg uitkomst voor het probleem van een gebrek aan geloof. Wij staan nog even stil bij het lijden, lopen niet te snel door naar de verlossing. Want o, als ik Job niet had! Job zit in zak en as en zal buiten het lijden gaan leven. Hij berust niet in het lijden, laat het lijden niet achter zich, maar beweegt er wel vandaan. Als Job jou als lezer(es) bij de hand neemt, dan kan hij je het lijden concreet aanwijzen en gedetailleerd beschrijven. Kijk daar ‘dat lelijke ding’, maar vraag hem niet vanwaar, waarom of waartoe. Wie vragen stelt over de oorzaak, zin en doel van menselijk lijden, stelt foute vragen. Job kent het lijden geen plaats toe, juist omdat het niet in zijn manier van zingeving past. Jobs lijden is een wanstaltig gedrocht dat niet thuis te brengen is, in geen enkel pastoraal systeem onder te brengen valt. Job vertegenwoordigt ‘de markt’ van mensen die ondraaglijk en onverzoenbaar lijden, hun ervaringen ongerijmd vinden, die maar nauwelijks te boven komen, en het pijnlijk vinden als een gesprekspartner hen op hun nummer zet.

Wat we voor het pastoraat en de geestelijke verzorging van Job kunnen leren, is allereerst te leren zwijgen of liever, te luisteren naar de wijze waarop de ander zich uit over de eigen lijdenservaringen. Als een mens uitdrukking geeft aan haar of zijn wanhoop, dan is een luisterhouding waarin je ruimte geeft voor woede en de zinloosheid van het lijden wellicht de meest gepaste houding. Het erkennen, toelaten, uithouden en laten staan van iemands lijdenservaringen door een meelevende kan voor een lijdende een verademing zijn. De lijdende Job zit niet te wachten op een intelligente woordenstrijd of op een theorie. De troost die je als mens aan het boek Job kunt ontlenen, is dat hij de spreekbuis is van het lijden en niet in het lijden, maar erbuiten gaat wonen. Job kan niets met het lijden aanvangen, er niet mee in het reine komen en trekt eruit weg. Naast het lijden zijn de levensmogelijkheden niet uitgeput. Op het moment dat Job het besluit nam zijn lijden niet te bewonen, ging hij ‘met God om de tafel zitten’ en besprak met hem mogelijkheden die hij niet eerder zag. God is een ruimdenkende figuur. Voor het opdoen van dat inzicht is soms een denksprong nodig die voorbij het menselijke ligt, een tour de force of een absurditeit, zoals de spotprent van de gemartelde, gefolterde Christus aan het kruis, die, terwijl hij daar hangt, Job alsnog een knipoog geeft en zegt: heden zul je met mij in het paradijs zijn.

Amen