De Open Hof Ede, 25 februari 2018

Preek naar aanleiding van Prediker 3:1-13 en Marcus 4:1-9 uit de Nieuwe Bijbelvertaling voor de viering op de tweede zondag van de veertigdagentijd op 25 februari 2018 om 10.00 uur in de Protestantse Wijkgemeente De Open Hof te Ede

Gemeente,

Prediker was een jonge denker die schrijft. Als kind en puber had hij van priesters en profeten joods onderricht ontvangen. Hij was gepokt en gemazeld door het joodse denken, had er zijn geest door laten rijpen en oogstte overvloedig in levenswijsheid.

In het onderwijs dat hij ontving, plaatsten docenten ethische vraagstukken op de voorgrond. Vragen als: waaruit bestaat het goede leven? Wanneer is er sprake van vrijheid van handelen? Onder welke voorwaarden gelden kwalificaties als plicht en schuld? speelden in de didactiek van het joodse onderwijsinstituut een centrale rol. Totdat die gure wind van de najaarskou kwam en prediker niet langer genoegen kon nemen met de antwoorden die door zijn traditie op met name ethische en daarmee samenhangende antropologische vragen was gegeven.

Prediker had in de schema’s die hij in de tempel en in de sjoel aangeboden kreeg een getotaliseerd systeem gezien. Hij vond de thema’s die in de godsleer centraal stonden te eenzijdig en de ethiek die via de Thora werd geleerd te algemeen. Hij zou zijn geschrift in de ik-vorm schrijven. Het was hem opgevallen dat er in zijn traditie nauwelijks werd gereflecteerd op de grondslagen van al die voorschriften. Stak hij z’n vinger op om te vragen hoe een godsdienstleraar bij zijn uitspraken kwam, waar die zijn ‘wijsheid’ op baseerde, dan bleef het lang stil.

Wilde prediker graag de plaats van de waarden onderzoeken van het godsdienstonderwijs dat hij genoot en de implicaties ervan voor het leven in de samenleving doordenken, dan bleken zijn zegslieden en leermeesters nauwelijks tot discussie bereid. Hij kreeg een ontwijkende reactie, een autoriteitsargument, bijvoorbeeld een beroep op een oude overlevering, in de schoot geworpen, er werden enkele citaten aangehaald of een religieuze voorstelling aangewend en het potentieel wijsgerige gesprek met de prediker werd in de kiem gesmoord. Twijfel, tranennacht en opstand hadden hem het bolwerk van zijn jeugd doen ontvluchten. Niet langer kon hij nog tot zijn joodse grond terugkeren nu hij nadacht over het menselijk leven en handelen, de rol van de tijd en intermenselijke verhoudingen.

In vers een tot en met acht biedt prediker een satire op het gesjoemel met lastige vragen door zijn godsdienstdocenten. Via de kunstvorm van het hekeldicht biedt hij op ironische wijze een kritiek op het gebrek aan transparantie van een denksysteem en de onwil om de filosofie joods denken te laten helpen om de fundamenten van het eigen denken op het spoor te komen en de achtergronden van ethiek en religie nader uit te werken. Prediker steekt de draak met wijdlopige betogen van leraren die hun lesinhouden bij elkaar willen houden en niet bereid zijn op zoek te gaan naar de wortels en werking van de menselijke geest zelf. In Prediker komt een joodse jongen aan het woord die ontdekt dat het joodse denken een concept van individualiteit mist. Hij had een begrip van het individu nodig om zijn hoofdvraag, te weten: welk nut hebben mijn inspanningen in het licht van de wetenschap dat mijn leven eindig is? te kunnen beantwoorden. Prediker had de relativiteit van uitspraken en inzichten ingezien en was bezwaard met een gebrek aan tijd. Hij vond het ongelooflijk dat een priester van tachtig jaar nog precies dezelfde inzichten vertolkte als toen hij achttien was. Zonder een voorlopig antwoord dat was toegespitst op zijn persoonlijk leven, en dat zich niet langer hulde in algemeenheden en abstracties was de prediker niet vooruit te branden. Uit protest en tot de tijd dat hij zijn visie op kosmos, mens, politiek en ethiek had geformuleerd, hield hij zijn kaken stijf op elkaar en zou de godsnaam niet bezigen.

Wat wij in het boek Prediker – de jongste telg aan de loot van het Oude Testament – zien gebeuren is de vergrieksing van het jodendom. Prediker wordt niet langer gevoed door de heilige huisjes van ‘de ouden’, maar heeft de wereld van de filosofie leren kennen. Dat is voor hem een Ithaca, eindelijk thuiskomen en heeft tegelijkertijd ook een onbevredigende kant. De hellenistische filosofie is niet multicultureel en de meest in het oog springende en spraakmakende karaktertrek van de hellenistische filosofie is dat de ethiek van de scholen van Epicurus en de Stoa radicaler zijn dan de filosofie van Plato en Aristoteles.

Alle vier deze wijsgeren met wier gedachtegangen de prediker in aanraking kwam, zien eudaimonia, dat wil zeggen ‘geluk’ als het hoogste levensdoel en de filosofie plaveide de weg tot dit levensgeluk. Op zoek naar nieuwe waarden zouden zij de prediker het ideaalbeeld voorhouden van het geluk van het individu, dat culmineerde in ‘de wijze’ die de filosofie geïnternaliseerd heeft en die hierdoor een leven als een god leidt. Opnieuw zou ook een filosofische ethiek voor de prediker daarmee uitmonden in een set voorschriften.

Terwijl de prediker zich in vers een tot acht kritisch opstelt tegenover de eigen joodse traditie, zet hij zich in vers negen tot dertien af tegen het Grieks filosofisch discours van levensgeluk en het profijt dat een mens op de lange termijn van haar of zijn daden heeft. Hoe sceptisch een mens ook kan staan ten opzichte van een ‘optimistische’ theologie of levensfilosofie, dat neemt niet weg dat bijvoorbeeld arbeid een mens weerhoudt van verveling, armoede, ‘ondeugd’, sociaal isolement en psychische problemen. Het is een inzicht dat de prediker niet verwoordt, maar waar Voltaire in zijn visie op werk, en mensen die in zijn lijn dachten, wel naar voren brengen.

De prediker is niet tevreden met ‘geluk’ als hoogste levenshouding en in die onvrede valt een verlangen of ‘verwachting’ te beluisteren. Prediker is zich bewust van de grenzen van de mens en lijkt uiteindelijk bij de  opvatting uit te komen dat een mens die in staat is ‘het goede’ op te merken in haar of zijn ondernemingen, ondanks het besef van de vergankelijkheid ervan, zich een gezegend mens mag rekenen. De conclusie die prediker trekt is – bij gebrek aan een overtuigender inzicht – een soort noodoplossing. Helemaal bevredigend is ze niet, er klinkt teleurstelling in door. Je zou prediker kunnen typeren als een agnost, dat wil zeggen iemand die denkt dat wij God, ‘het absolute’ niet kunnen kennen of als een nihilist.

De prediker en Marcus hebben veel gemeen. Ze observeren, onderzoeken, bevragen, redeneren, analyseren en bieden een vorm van didactisch onderricht aan. Beide zijn in het onderwijs werkzaam en hebben weet van de uiteenlopende manieren waarop ‘leerlingen’ die in verschillende tradities staan ‘leren’, met als verschil dat Marcus aan adressanten schrijft die de stap naar ‘geloof’ hadden gemaakt. Marcus schrijft een gelijkenis waarin beelden naar voren komen, waaraan zijn toehoorders zich kunnen spiegelen. Is Marcus in staat het verlangen van de prediker in vervulling te laten gaan? Gaat hij een stap verder dan de prediker? Heeft Marcus iets ‘gezien’ dat de prediker nog niet had waargenomen? Zou Marcus’ visie op de wijze waarop een mens tot geloof komt, bij prediker in goede aarde zijn gevallen?

Wat Marcus onderscheidt van de prediker is dat hij niet focust op ‘het oog’ als orgaan van weten, maar op ‘het gehoor’ als zintuig dat de hoorder een onbekende wereld te binnen brengt. Marcus nodigt uit tot een imaginaire wereld door de adressant via ‘het bekende’ in te leiden tot een (nog) onbekend ‘weten’. Het oor is voor Marcus verkieslijker dan het oog, als een mens tot een nieuw ‘inzicht’ wil komen. Luisteren is voor hem een houding die de sleutel vormt tot verstaan. Hij kiest voor de gelijkenis omdat die een levendige vorm van spraakgebruik hanteert en sluit af met een uitroep omdat die – beter dan een statement – de hoorder in een positieve stemming brengen en een euforische sfeer creëren. Marcus heeft de beperkingen van het opnemen en verwerken van informatie via ‘het oog’ achter zich gelaten. Wil de mens doorstoten naar een nieuw, ongehoord geloof, dan dient zij of hij zich volgens Marcus af te stemmen op het levende woord, een vreemde stem van buiten. In zijn evangelie zal hij zich bedienen van een wat volkse werkwijze: roepen, oproepen en het liefst met een uitroepteken als stond hij in het circus of op het marktplein. “Mensen, komt het zien; Israël hoort” opdat het enthousiasme van de mens, dat wil zeggen ‘in God zijn’ via het gehoor wordt gewekt en ongeloof verstikt.

Amen