Dorpskerk Zandvoort, 18 december 2016

Meditatie naar aanleiding van Lied 501 Als een ster in lichte luister uit Het Nieuwe Liedboek voor de adventsviering op zondag 18 december 2016 om 10.00 uur in de Dorpskerk van de Protestantse gemeente te Zandvoort

Buiten, het is pikkedonker, aardedonker, het luchtruim ziet gitzwart, het firmament hult zijn gelaat in onzichtbaarheid. Zelfs geen wolkje drijft voorbij. Tegen die achtergrond schittert, flonkert een hemellichaam met de kracht van een meteoriet die onverwachts langs de aarde scheert. Die gasbol kruipt niet heel voorzichtig, geleidelijk door de nevel van nacht om haar met een zachtjes priemend schijnsel te doordringen. De ster in het vers van de dichter is een blinkende ster die met heel zijn glans en intensiteit het uitspansel in lichter laaie zet. Het doet de nacht, symbool voor wezenloosheid, uitzichtloosheid en verschrikking, sidderen en verbleken. Wat geen toekomst heeft moet wijken voor wat schielijk oprijst.

Ook uit de tweede strofe blijkt dat de dichter dicht bij de natuur stond en beelden uit deze bron gebruikt om uit te drukken wat eigenlijk onmogelijk is. Fijn, opstuivend zand cirkelt rond, lijkt te dansen boven heuveltoppen. Zo’n onmetelijke ruimte als de lucht boven de aarde, zo weids, uitgestrekt en eindeloos is de woestijn. Een boomloze, kale vlakte, dor, droog en desolaat, een mens kan er uren, dagen in rondzwerven zonder een levende ziel tegen te komen.

Gure, stramme winden waaien er in de woestijn, zinderende hittes die, als je niet uitkijkt tot uitdroging leiden of je een zonnesteek bezorgen. Geen neerslag, geen vegetatie, onherbergzaam, onbewoonbaar en onvruchtbaar land. Iedere waaghals die in dit barre oord oog in oog zou staan met de opengaande knoppen van een roos zou paf staan.

De oorsprong van de hoop zou nog wel eens daar kunnen zijn waar geen mens haar verwacht. Maar voor het ontstaan, het uitbotten en gloren van wat boven ons uitstijgt, wat groter is dan mijzelf, het ongeziene, ongedachte, dat wat er nog niet is, daarvoor is iets nodig dat onze stoutste dromen overtreft. Iets dat in aantocht is en dat de wetten van de natuur op hun kop zet, die haar tart, verbaasd en versteld achterlaat. Een gebeuren waar ons verstand niet bij kan. Een mens strekt zich er naar uit, een altoos wijkend perspectief – wat lijkt het veraf, vreemd en onherkenbaar, maar wat is het dichtbij, het omsluit ons meer dan de eigen huid. Ongekende liefde die overstelpt, je het hoofd op hol brengt en dronken laat worden van passie.

Dit ‘onverwachte bezoek’, het kind dat tot je komt en waar een mens helemaal niet mee heeft gerekend is niet een eendagsvlieg. Die ingewikkelde, als de doornen op de stengel van de roos prikkende en tegelijkertijd mierzoete, andere werkelijkheid die open bloeit laat zijn sporen in ons achter en omzwachteld ons in een duurzame beschermlaag waardoor onze angsten het veld ruimen. De nieuwe mens, ontwapend en tot de tanden toe gewapend met genegenheid, wijst wanhoop en ontsteltenis heldhaftig en twinkelend hun plaats.